Theme Time Radio Hour

In de podcast Bobcast die Chris Kijne en Lars Hulshof een jaar lang in de aanloop naar Dylan’s tachtigste verjaardag (vandaag) hebben uitgezonden, wordt zijn radioprogramma wel een paar keer genoemd, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat ze niet zo goed weten wat ze ermee aan moeten. In ieder geval vind ik dat ze er wat meer aandacht aan hadden mogen besteden, minimaal één hele aflevering. Misschien was het probleem dat het zich niet leent tot exegese, een aangenaam tijdverdrijf waar Dylan’s werk en persoon bijna net zoveel aanleiding toe lijken te geven als de Bijbel. Theme Time Radio Hour (‘with your host Bob Dylan’) is een radioshow die Dylan tussen 2006 en 2009 maakte. In 102 afleveringen van doorgaans een uur draaide hij daarin een uitermate gevarieerde en eclectische selectie liedjes uit de gehele muziekgeschiedenis. Elke aflevering was gegroepeerd rond een thema, zoals Food, Time, Sleep, Weather, Something, Nothing, en alle liedjes moesten dan dat thema in hun titel hebben. Het klinkt ongelofelijk onbenullig en daar kwam nog bij dat Dylan in de verbindende teksten klonk als een radio-dj uit de jaren vijftig. Hij sprak met een soort southern slur – dit was nog voor zijn raspfase, toen zijn stem niet aangenaam was om naar te luisteren –, articulerend alsof hij moeite had woorden met meer dan twee lettergrepen uit te spreken. De meeste liedjes dateerden nog van voor zijn eigen begin als folkzanger, hoewel er ook genoeg tussen zit van Tom Waits, The Clash of Elvis Costello, om wat te noemen. Bij mij zijn er wel wat luikjes opengegaan tijdens het luisteren: veel van de muziek die hij draait geeft zich pas prijs als je er weer bewust naar luistert, bevrijd van het patina van gedateerdheid waar ze na decennia van muzikale ontwikkelingen onder bedolven zijn geraakt. Maar wat de show vooral zo heerlijk maakt en waarom ik alle 102 afleveringen dit jaar voor een derde keer ga beluisteren, zijn Dylan’s teksten. Nee, niet Visions of Johanna of The Times They Are a-Changing, de verbindende teksten tussen de nummers. Dylan vertelt daarin achtergrondverhalen over de liedjes en de teksten, en daarnaast geeft hij informatie. Die informatie kan bestaan uit weetjes of anekdotes rond het thema en ook leest hij heel veel opsommingen op: gaat de show over fruit, dan noemt hij een heleboel soorten fruit. Al die interessante informatie wordt meestal hoorbaar en schaamteloos ontleend aan Wikipedia. Daarnaast vertelt Bob anekdotes uit zijn eigen leven, vertelt moppen, deelt recepten en huishoudtips en declameert gedichten van anderen. Het is een totaal andere, onverwachte kant van Dylan, waarmee hij alle loodzware ernst waarmee zijn persoon wordt benaderd effectief onderuithaalt. Er is een aflevering waarin hij ons laat horen hoe een blokfluit klinkt door als een beginner stuntelend en vals een wijsje voor te spelen waarin je na enige tijd met moeite Blowin’ in the Wind herkent. Ik word er vrolijk van, je kunt het allemaal nog online beluisteren.

De verschijning van Johnny Rotten op aarde

Het klopt wel dat je nooit meer echt van los komt van de muziek die je zo ongeveer tussen je twaalfde en achttiende leert kennen, hoewel, je komt er wel van los en er komt een heleboel bij, maar je keert er steeds meer naar terug, merk ik. We waren een jaar of zestien toen punk losbrak en al draai ik Never Mind the Bollocks nog hoogstens eens in de vijf jaar (om weer te constateren dat ik hem nog steeds niet echt goed vind) ben ik alle muziek die er min of meer op volgde wel weer gaan terugkopen – op cd nu, want al die lp’s opnieuw verzamelen die ik ooit met mijn domme hoofd van de hand heb gedaan gaat me te ver. En die niet alleen, hedendaagse bandjes als Fontaines D.C. en Idles hebben dezelfde hoekigheid en uhh urgentie als die bands van toen. Het is geen nostalgie, al word ik wel oud, en ik beweer ook niet dat er sindsdien niks beters is gemaakt, maar op een of andere manier lijkt het alsof alles wat me op muzikaal gebied echt raakt wel beïnvloed is door die periode. Dat zal projectie zijn, je identificeert je met die muziek en daardoor denk je dat het allemaal wel met elkaar zal samenhangen, terwijl jijzelf het bent die de gemene deler is. Met Johnny Rotten identificeerde ik me niet, ik was geobsedeerd door hem. Wat uit zijn lippen werd opgetekend in Muziekkrant OOR en andere bladen was als manna die uit de hemel viel. Ik was kennelijk op zoek naar iemand die me een soort uitweg bood, en dat leek hij te doen. Het milieu waarin ik opgroeide was niet veel erger dan andere, denk ik, maar ik vond het alles bij elkaar genomen onverdraaglijk, en JR schopte tegen alles aan op een manier waar ik zelf toen nog niet de woorden voor had gevonden.

Baudet

Net als alle rattenvangers lijkt Baudet zich in een soort sadomasochistische relatie met zijn electoraat te bevinden, waarin Baudet het sadisme voor zijn rekening neemt en zijn kiezers het masochisme. Een van de meest gedenkwaardige voorbeelden van dat laatste heb ik een keer gezien in het NOS Journaal, dat voor één keer een voltreffer scoorde met die onbeheersbare drang om al het Nederlandse nieuws (doorgaans zo’n 90% van de berichtgeving) met voxpopjes te verluchtigen voor de kijkertjes. De verslaggever stelde vlak na een grote verkiezingszege van Forum in het door aardbevingen en grondverzakking getroffen gebied in Groningen ter plekke twee vragen aan een aantal voorbijgangers: wat vond u het belangrijkste onderwerp tijdens deze verkiezingen? en: op welke partij heeft u gestemd? Het antwoord op de eerste vraag was de aardbevingen en grondverzakkingen natuurlijk! en op de tweede Forum voor Democratie. Maar Forum vond al dat geklaag van die Groningers over scheuren in hun huizen gezeur en had als enige partij in haar partijprogramma staan dat die de gaskraan gewoon weer voluit open gezet kon worden (voor de inkomsten natuurlijk). Toen die voorbijgangers met dat feit geconfronteerd werden, deden ze geen enkele moeite die twee zaken met elkaar te rijmen: ze trokken hun schouders op en liepen enigszins onaangenaam getroffen door de vraag (niet door het inzicht) weg. In de VS gebeurde iets soortgelijks met talloze mensen met medische problemen die aan de bedelstaf raakten toen Trump Obamacare terugdraaide. Ze beklaagden zich over hun zware lot en vonden het schandalig en onrechtvaardig, en zeiden de volgende keer weer op Trump te stemmen. Het sadisme zit dan in de bereidheid het risico te nemen je volgelingen desnoods de dood in te jagen door corona te ontkennen en vaccinatie te ontraden, maar eigenlijk is dat natuurlijk onverschilligheid en opportunisme, het levert stemmen op van de arme misleide schapen. Het is dedain. Baudet en Trump gaan er door hun geloof in hun eigen voortreffelijkheid vanuit dat zijzelf een besmetting wel zullen overleven en nemen het risico met hun achterban omdat ze weten dat die niet vanuit welbegrepen eigenbelang zal stemmen en ook niet vanuit een ideaal, maar vanuit ressentiment, en dan doen feiten en gevolgen er niet toe.

Philip Roth – The Biography (3)

Nog één keer en dan hou ik erover op. Wat Claire Bloom betreft heeft Bailey zich toch wel voor het karretje van Roth laten spannen. Natuurlijk is het niet netjes om nadat je van iemand bent gescheiden een memoir te publiceren (Bloom’s Leaving  a Doll’s House) waarin je allerlei minder flatteuze gedragingen van je ex de wereld in slingert, maar in het geval van Roth ligt dat toch iets genuanceerder omdat hijzelf altijd rücksichtslos de mensen in zijn omgeving heeft gebruikt in zijn boeken, en vaak ook met opzet duidelijk herkenbaar. En die opzet was dan vaak genoeg een vorm van zelftherapie: over zowel zijn eerste vrouw (die van die urine) als over Claire Bloom zelf heeft hij boeken geschreven die helaas deels gedreven werden door wrok en vooral door de wens om de pijn en het verdriet over die relaties te verwerken door er literatuur van te maken. Een veelzeggend moment is als hij na het voltooien van de naar zijn idee definitieve versie van het verhaal over vrouw 1 in tranen uitbarst, “I did it, I dit it!” prevelend. Wat die eerste betreft kan ik me inleven in de impuls om het onrecht dat zij hem heeft aangedaan te trachten te begrijpen (eigenlijk moet je hier zeggen ‘een plekje te geven’ als dat niet zo verschrikkelijk was) door het te beschrijven, maar in het geval van Bloom lijkt er niet zo heel veel aan de hand te zijn dat niet in de beste huwelijken voorkomt als mensen zo’n vijftien jaar of meer bij elkaar zijn. Bijzonder flauw van Bailey om er dan allerlei emotionele uitbarstingen van Bloom uit te lichten en daar het seksistische label hysterisch aan te hangen. Op zo’n moment denk je ook: ik hoef dit allemaal niet te weten.

Ik ga maar weer eens een echt boek lezen.

Gehuurde wereld

Vanmiddag passeerde ik Sarah Hart op de Beestenmarkt en ik doe dit echt nooit (echt niet) en ik weet ook niet waar ik het lef vandaan haalde, maar ik heb haar aangesproken. Ze schrok er behoorlijk van en ze moest geloof ik een beetje blozen, wat ik me kan voorstellen als je op straat door een wildvreemde vent staande wordt gehouden. Maar ik wilde haar altijd al bedanken voor Gehuurde wereld en dat heb ik dan nu eindelijk gedaan.

Tenzij de dingen veel sneller onder het stof van de tijd verdwijnen dan ik denk, vermoed ik dat de meeste mensen zich de essays van haar overleden man – de veelzijdige en briljante Rudy Kousbroek – nog kunnen herinneren en ze hopelijk nog wel eens lezen ook. Maar het lijkt alsof het werk van Sarah Hart – voor zover het ooit echt de lezers heeft gevonden die het verdient – nu helemaal van de aardbodem is verdwenen. En dat is zeer onterecht en onbegrijpelijk.

In haar enige gepubliceerde bundel schrijft ze over poëzie, kinderen, (haar jeugd in) Ierland, plaatsnamen, landkaarten, stadsparken en dromen en bovenal over heimwee. Ik ken niemand die zich zo mooi kan herinneren als zij. Misschien komt dat doordat ze het herinneren zelf beschrijft. Het lijkt alsof je erbij zit terwijl het gebeurt, en alsof je je de dingen die ze beschrijft zelf aan het herinneren bent, dat het bijna je eigen herinneringen zouden kunnen zijn die je alleen even was vergeten.

Het is een klein juweel dat niet vergeten mag worden. Ik heb mijn exemplaar lang geleden in de ramsj moeten kopen, misschien is het nog ergens te bestellen.

Sarah Hart heeft ook een blog: Mixed Feelings.

The Novelist of Human Unknowability (2)

Henry Green is eigenlijk onvertaalbaar omdat hij allerlei taalregels schendt. De structuur van zijn zinnen is op een ongrijpbare manier onconventioneel en zet je bijvoorbeeld in Party Going (uit 1939) al direct op het verkeerde been:

Fog was dense, bird that had been disturbed went flat into a balustrade and slowly fell, dead, at her feet.

There it lay and Miss Fellowes looked up to where that pall of fog was twenty foot above and out of which it had fallen, turning over once. She bent down and took a wing then entered a tunnel in front of her, and this had DEPARTURES lit up over it, carrying her dead pigeon.

No one paid attention, all were intent and everyone hurried, nobody looked back. Her dead pigeon then lay sideways, wings outspread as she held it, its dead head down towards the ground. She turned and she went back to where it had fallen and again looked up to where it must have died for it was still warm and, everything unexplained, she turned once more into the tunnel back to the station.

Als je dit soort proza vertaalt moet je je soms wat vrijheden permitteren, omdat wat in het Engels nog eigenaardig maar met enige moeite wel te volgen is bij een meer directe vertaling naar het Nederlands onbegrijpelijk kan worden. Daarvoor moet je begrijpen hoe en waartoe Green zijn effecten precies inzet en hoe het komt dat deze afwijking van de conventie dit lyrische effect teweegbrengt. Soms blijft alles toch ongrijpbaar, zelfs gebeurtenissen en locaties lijken soms op bijna surrealistische wijze te transformeren. Ik ben dankbaar voor die ongrijpbaarheid, omdat het mysterie daarmee intact blijft.

Greens ‘methode’ werkt voor mij, zij trekt me de belevingswereld van zijn personages in. Je belandt in een soort droomstaat als je het leest en ook daarom is het heerlijk om hem te vertalen. Ondanks Greens zelfverklaarde afkeer van psychologisering (hij vond dat het onmogelijk is te weten wat mensen werkelijk denken en voelen en dat schrijvers zich daarom zoveel mogelijk dienen te beperken tot wat hun personages hardop uitspreken – een opmerkelijk standpunt voor een schrijver) word je meegesleept in de wereld van zijn personages, belevenissen die verre van opzienbarend zijn en zelfs triviaal. De mist is bijna zelf een van die personages en veroorzaakt een gevoel van desoriëntatie dat je ontvankelijk maakt voor de onbegrijpelijke schoonheid van het verhaal.

The Novelist of Human Unknowability (1)

Henry Green wordt een writer’s writer’s writer genoemd. T.S. Eliot, Eudora Welty, W.H. Auden, Rebecca West, Christopher Isherwood, V.S. Pritchett, Anthony Burgess, Sebastian Faulks, Tim Parks en John Updike zijn of waren bewonderaars. Henry Vincent Yorke (echte naam) leefde van 1905 tot 1973, groeide op in Gloucestershire als zoon van een rijke industrieel en een adellijke moeder, bezocht Eton – waar hij zijn debuut Blindness schreef – en studeerde in Oxford, maar brak de studie af om te gaan werken in het familiebedrijf. Begonnen als ‘gewoon werkman’ klom hij op tot directeur van H. Pontifex & Sons Ltd., dat loodgietersbenodigdheden en bierbottelarij-apparatuur produceerde. Blindness publiceerde hij in 1926 onder het neutrale pseudoniem Henry Green, om zijn schrijverschap verborgen te houden voor collega´s en zakenpartners. Omdat hij vreesde de Tweede Wereldoorlog niet te overleven, schreef hij al in 1940 zijn autobiografie, Pack My Bag. Hij diende in de oorlog als brandweerman, overleefde, en beschreef zijn ervaringen in Caught. In 1952 verscheen zijn laatste boek Doting. De laatste twee decennia van zijn leven leidde hij een steeds teruggetrokkener bestaan waarin hij niet meer schreef, aan de drank raakte en langzaam doof werd.

Het is proza dat je net zo geconcentreerd moet lezen als poëzie en het is ook niet makkelijk om te vertalen. Een vertaling moet altijd op zichzelf kunnen staan, maar in dit geval vind ik het niet verkeerd om de lezer vooraf te vertellen dat het origineel net zo onorthodox is. En het zal dus niet ieders cup of tea zijn. Maar als je je niet laat afschrikken door de eigenaardige zinnen en de schijnbare afwezigheid van een plot neemt hij je mee naar een andere wereld, vind ik. Misschien kun je zeggen dat zijn kijk hypersensitief is, maar ik heb er niet echt woorden voor, behalve dat het nergens mee te vergelijken is. In Nederland wordt Green niet gelezen en dat is eigenlijk best zonde. Daarom (en omdat het me uitdagend leek) heb ik een poging tot vertaling van Party Going gedaan (je kunt hem lezen onder tabblad Vertaalprojecten). Ik heb de verleiding weerstaan om de stijl te normaliseren of glad te strijken – wat op zich een begrijpelijke aanvechting is, die echter veel eerdere pogingen om zijn werk in andere talen te vertalen minder geslaagd heeft gemaakt, zo heb ik begrepen. (Voor wie hier meer over wil weten: Tim Parks heeft in zijn essay Translating Style zo’n poging op een voor vertalers heel interessante wijze geanalyseerd. Dezelfde Tim Parks schreef me toen ik hem had laten weten dat ik Party Going aan het vertalen was dat ‘getting Green’s Party Going into Dutch would be about as important as getting Reve’s Evenings into English´. Ik zoek nog naar een uitgever die dat ook zo ziet.)

Gangsters

Op mijn elfde is ons gezin uit Den Haag gevlucht voor gangsters.

Mijn vader bouwde in de jaren zeventig een ketentje lampenwinkels op, waarvan de eerste zich aan de Hoefkade bevond. De Hoefkade stond destijds bekend als de slechtste straat in de Schilderswijk, die op zich weer als de slechtste wijk van Den Haag gold. Er waren dan ook constant allerlei problemen en in één jaar is er eens veertien keer ingebroken. Mijn vader werd dan ’s nachts gebeld door de politie als het weer zover was, waarna hij eropuit ging met een stuk hout en spijkers om de ingeslagen ruit af te dichten.

Op een dag kwam er vlak voor sluitingstijd een kerel binnen met een klassieke kous over zijn  hoofd, die een pistool op mijn pa richtte en hem beval de dagopbrengst aan hem over te dragen. Mijn vader herkende hem ondanks de kous en kon zich nog net inhouden om te zeggen: “Laurent, wat maak je me nou?”, De overvaller was Laurent de Nie. Mijn vader kwam regelmatig thuis bij de familie De Nie om lampen op te hangen en dergelijke en ook Laurent kwam regelmatig in zijn lampenzaak, als klant.

De De Nie’s waren destijds een beruchte gangsterfamilie in Den Haag. Aan het hoofd van de familie stond een soort Ma Baker-achtige vrouw, die de wereld had gezegend met allerlei soorten gespuis. Zoon Daan bijvoorbeeld was al een keer dagenlang in het nieuws geweest terwijl hij een boerengezin ergens in Drenthe in gijzeling hield. Hij is uiteindelijk gepakt. Net als zijn broer, want nadat die ervandoor was gegaan met het geld kon mijn vader simpelweg zijn naam en vermoedelijke locatie doorgeven aan de politie.

Als kind vind je dit allemaal natuurlijk reuze spannend en ik heb er dan ook veel goede sier mee weten te maken op het schoolplein (waarbij helaas ook heftige discussies hoorden met jongetjes die beweerden dat hún vader de boef dat pistool wel uit zijn handen had geschopt).

Toen de zaak eenmaal voorkwam en Laurent werd veroordeeld tot een gevangenisstraf heeft hij niet alleen de rechter bedreigd, maar ook mijn vader.  “Als ik vrij kom weet ik je te vinden, Struys.” Er verscheen opeens een afgesloten houten koffertje in huis, want mijn vader was schietlessen gaan nemen, zogenaamd voor de sport.

Niet lang daarna verhuisden we naar Leiderdorp. Pas veel later realiseerde ik me dat dat hierom was geweest en nog weer veel later gaven mijn ouders dat toe.

Ik weet niet wat er van de man is geworden en of hij nog leeft, dus in zekere zin zijn we nog steeds op de vlucht.

Spoken word (2)

Misschien kan spoken word de poëzie een nieuwe impuls geven. Je zou denken dat concentratie en close reading niet veel toekomst hebben onder de nieuwe generaties, dus laten we blij zijn dat dit er dan tenminste nog is. Aan de andere kant, wat maakt het ook uit. Dan wordt het zelf lezen van gedichten maar (nog meer) iets voor de happy few, als je je over dat soort dingen druk maakt kun je wel aan de gang blijven. Er is nog genoeg gedrukte poëzie te ontdekken voor een heel leven, dus dat er misschien niet zo veel meer bijkomt is ook niet erg, out with the old and in with the new.

Johnny van Doorn was voordat het zo genoemd werd ook een spoken word poet. Dit is het geweldige Een magistrale stralende zon.

Spoken word (1)

Soms vraag je af of je leeftijd je in de weg zit bij de waardering van nieuwe kunstuitingen omdat je denkt dat iets vroeger beter was en je daardoor niet goed kijkt en luistert naar dat nieuwe. Dat had ik met spoken word. Hoewel mijn weerstand ook werd ingegeven door de vrees dat de vorm in deze door exhibitionisme geobsedeerde tijd bijna vanzelfsprekend de toekomst moet hebben omdat de maker of vertolker ervan zichzelf aan het publiek kan tonen. Dat doen als je je beperkt tot het woord acteurs en zangers ook, alleen dacht ik dat het een manier was om poëzie over het voetlicht te brengen en ik vreesde dat het geconcentreerd en in stilte poëzie lezen uit zou sterven omdat kijken en luisteren makkelijker is. De meeste goede poëzie geeft zich tenslotte pas gewonnen als je er moeite voor doet en de beloning voor die moeite kan niet minder dan een levensveranderende openbaring zijn. Daarbij zijn de teksten waar het genre aanleiding toe geeft vaak wat self obsessed en pathetisch en ik heb aan één Walt Whitman wel genoeg, vond ik. Maar ik vermoed dat dit het echte probleem is: hedendaagse spoken word gaat over sociale bewustwording en politieke actie en ik bevind me niet meer in een positie waarin dat soort zaken echt urgent zijn. Het is dus misschien echt een leeftijdsdingetje, en waarschijnlijk een kwestie van etnisch bevoorrecht zijn. Ik ben niet de doelgroep en ik moet gewoon mijn mond houden, poëzie en spoken word zitten elkaar niet in de weg.