Oeoeoeoe

Die heerlijke omhaal van Van Basten die je nog steeds langs ziet komen in allerlei overzichten van mooiste doelpunten aller tijden, die ene die nog steeds in de leader van Studio Sport zit, daar was ik bij. Sterker nog, ik stond er dichterbij dan wie dan ook in het stadion, op de spelers na dan. Mijn vriend Arie had een seizoenskaart voor de Meer in het schitterende seizoen ’86-’87, toen het allemaal weer begon en het Nederlandse voetbal uit zijn as herrees, wat voor een heel groot deel te danken was aan Johan Cruyff, die toen voor het tweede jaar trainer van Ajax was. Ik ging regelmatig met hem mee, voor tien gulden mocht je achter de afrastering achter een van de doelen staan. Door de radicale aanvalstactiek die Cruyff had verzonnen betekende dat dat je één helft lang de actie vlak voor je neus had en de andere helft alles van veraf moest bekijken. Het eenrichtingsvoetbal resulteerde doorgaans in een doelpuntenregen, op die dag tegen Den Bosch moesten we echter met een schamele 3-1 genoegen nemen. In mijn herinnering ben ik dat seizoen getuige geweest van de debuten van een hele generatie geweldige voetballers, die daarbij in hun eerste wedstrijd ook nog allemaal scoorden, zoals dat in die tijd gebruikelijk was bij Ajax. Brian Roy, Johnny Bosman, Rob en Richard Witschge, Van ’t Schip, Dennis Bergkamp (toen nog rechtsbuiten), Aron Winter. Ik kan uitzoeken of mijn herinnering klopt, maar dat ga ik niet doen. Er hing een magische sfeer in het stadion en een enorme samenhorigheid, blijdschap ook nog steeds omdat Jopie terug was, al was het dan niet meer als voetballer. Die ene keer dat Cruyff een bal die over de zijlijn was gegaan terug in het veld trapte en het hele stadion juichte alsof hij het beslissende doelpunt in een finale had gemaakt: voetbalhumor. Als Van Basten eens een keer een kans miste: “Effe krijten Marco”. Het dreigende “Oeoeoeoe….” uit alle kelen als de reusachtige Ronald Spelbos – de enige verdediger die mocht meedoen van Cruyff – op de doorgebroken spits van de tegenpartij afstormde. Ik zweer je dat die gast niet eens meer het duel aanging, dattie uit pure angst die bal gewoon liet lopen, dattie niet wist hoe snel hij weer terug moest rennen naar zijn eigen helft.

Het is een onbeschrijfelijk mooi doelpunt. Het leek wel alsof hij zweefde, alsof hij even stil hing in de lucht.

Ik ben één keer beelden tegengekomen waarop Arie en ik te zien zijn, zodat ik weet dat ik het niet gedroomd heb. Op de meeste staan we niet omdat de camera’s aan de kant van de dug-out stonden en wij op de rand van de zestien, exact ter hoogte van Marco. Het is vlak na het doelpunt. Een uitzinnig publiek springt en schreeuwt en danst van vreugde op de tribunes en daarvóór zie je vlak achter het hek twee heren staan met iets te hoge voorhoofden en lange zwarte jassen, die onbeweeglijk (maar verre van onbewogen) staan te applaudisseren, zoals het hoort bij ballet.

Carrière maken

Een vriendin maakte zich kwaad over de kansenongelijkheid tussen man en vrouw, met name die in het verleden, toen zijzelf nog een jonge moeder was. Niet omdat zij zich er zelf door van had laten weerhouden om naast het moederschap ook een professionele carrière te hebben en ook niet omdat haar man geen volwaardige rol had gespeeld in het grootbrengen van hun kinderen – er was bijvoorbeeld ook een periode in hun leven geweest dat hij voor de kinderen had gezorgd terwijl zij alleen voor het inkomen zorgde. Maar dat betekent natuurlijk niet dat die ongelijkheid er niet wel degelijk was, vrouwen werden ooit geacht thuis te blijven en voor de kinderen te zorgen. Ik reageer daar natuurlijk weer compleet fout op door er vrolijk uit te gooien dat het toch heerlijk is om de hele dag bij je kinderen te zijn en niet naar een kantoor of iets dergelijks te hoeven waar je je ziel moet verkopen aan een baas terwijl buiten de zon schijnt. Toen ik ook nog beweerde dat het huishouden ook weer niet zo veel voorstelt en in het niet valt bij die acht uur op dat k…kantoor waren de rapen bijna helemaal gaar. Het probleem is dat ik bijna helemaal reageer vanuit mijn eigen situatie, waarin ik met plezier het carrière-maken heb opgegeven om voor mijn (enige) dochter te kunnen zorgen in de tijd dat ze bij me was (wat me tenminste nog vrijwaart van de beschuldiging van appropriation). Wat er mis was aan mijn reactie was ten eerste dat ik ook daarvoor nooit carrière had gemaakt en ik vergeet dat dat voor heel veel mensen misschien wel hun enige kans op zelfontplooiing is en ten tweede dat er wel een verschil is tussen één kind grootbrengen, al is het dan grotendeels alleen, of drie, zoals mijn vriendin. Aan de andere kant is ook het ongetwijfeld tijdrovende concept van ‘een gezin draaiende houden’ – dat ik zelf alleen ken van horen zeggen – ook een keuze die zijn beloningen in zich bergt, die offers rechtvaardigen (maar natuurlijk wel van beide partners).

Misschien ligt de oorzaak van ons wederzijds onbegrip in wat zij op het laatst zei en waarmee ze me de kans wilde geven weg te komen met mijn gebrek aan empathie (want zij is te beschaafd om mij op dezelfde manier in een hoek te drijven als ik haar), dat het vooral het gebrek aan erkenning was dat de maatschappelijke situatie voor vrouwen zo frustrerend maakte. Waar ik natuurlijk weer tegen inbracht dat je boven het streven naar erkenning moet uitstijgen, vergetend dat je niet kunt uitstijgen boven iets wat je door anderen wordt onthouden.

Wraak bestaat niet

Ik vraag me af of je pijn en verdriet kunt verwerken door er kunst van te maken. Het verbaasde me dat Philip Roth aan het eind van zijn leven – nadat hij eigenlijk al had aangekondigd met schrijven te stoppen – voor de zoveelste keer aan een verhaal over zijn relatie met Claire Bloom begon, deze keer niet in een literaire vorm maar een feitelijke beschrijving van zijn versie ervan, met de kennelijke bedoeling om die van haar in haar memoir Leaving a Doll’s House punt voor punt te weerleggen. Gelukkig heeft zijn omgeving hem ervan kunnen overtuigen dit heilloze idee los te laten. Dat het in hem opkwam bewijst niet dat hij niet over het verlies van Bloom heen kon komen want dat blijkt nergens uit, maar dat hij zich nog steeds niet kon neerleggen bij het onrecht dat hem naar zijn mening door haar was aangedaan, en onrecht is ook een vorm van verlies. Toch is het letterlijk deerniswekkend dat iemand zich na zoveel jaren nog steeds niet heen kan zetten over onrecht dat hem is aangedaan door iemand waar hij emotioneel geen bijzondere band meer mee voelt. En bij Roth gaat het zelfs niet om reputatieschade, hij wil simpelweg zijn gelijk halen, hij heeft dit nodig – na al die jaren nog. Misschien is die behoefte terug te voeren op het trauma van zijn eerste huwelijk en het onrecht dat hem toen was aangedaan. Toen hij er eindelijk in geslaagd was hier een geslaagde fictionele vorm aan te geven, barstte hij toen hij dat boek af was in tranen uit, “I did it, I did it” stamelend. Literatuur is dan eigenlijk een vorm van kunstzinnige therapie (maar dan wel op een zeer hoog niveau). Misschien ontspruit veel grote kunst uit leed en ontbering, en misschien ook uit machteloosheid. Maar ik geloof niet dat je er rekeningen mee kunt vereffenen. Dat boek over zijn eerste huwelijk was geslaagd omdat het goede literatuur was en verder nergens om. Aan wraak heb je niks, het bestaat niet eens.

Theme Time Radio Hour

In de podcast Bobcast die Chris Kijne en Lars Hulshof een jaar lang in de aanloop naar Dylan’s tachtigste verjaardag (vandaag) hebben uitgezonden, wordt zijn radioprogramma wel een paar keer genoemd, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat ze niet zo goed weten wat ze ermee aan moeten. In ieder geval vind ik dat ze er wat meer aandacht aan hadden mogen besteden, minimaal één hele aflevering. Misschien was het probleem dat het zich niet leent tot exegese, een aangenaam tijdverdrijf waar Dylan’s werk en persoon bijna net zoveel aanleiding toe lijken te geven als de Bijbel. Theme Time Radio Hour (‘with your host Bob Dylan’) is een radioshow die Dylan tussen 2006 en 2009 maakte. In 102 afleveringen van doorgaans een uur draaide hij daarin een uitermate gevarieerde en eclectische selectie liedjes uit de gehele muziekgeschiedenis. Elke aflevering was gegroepeerd rond een thema, zoals Food, Time, Sleep, Weather, Something, Nothing, en alle liedjes moesten dan dat thema in hun titel hebben. Het klinkt ongelofelijk onbenullig en daar kwam nog bij dat Dylan in de verbindende teksten klonk als een radio-dj uit de jaren vijftig. Hij sprak met een soort southern slur – dit was nog voor zijn raspfase, toen zijn stem niet aangenaam was om naar te luisteren –, articulerend alsof hij moeite had woorden met meer dan twee lettergrepen uit te spreken. De meeste liedjes dateerden nog van voor zijn eigen begin als folkzanger, hoewel er ook genoeg tussen zit van Tom Waits, The Clash of Elvis Costello, om wat te noemen. Bij mij zijn er wel wat luikjes opengegaan tijdens het luisteren: veel van de muziek die hij draait geeft zich pas prijs als je er weer bewust naar luistert, bevrijd van het patina van gedateerdheid waar ze na decennia van muzikale ontwikkelingen onder bedolven zijn geraakt. Maar wat de show vooral zo heerlijk maakt en waarom ik alle 102 afleveringen dit jaar voor een derde keer ga beluisteren, zijn Dylan’s teksten. Nee, niet Visions of Johanna of The Times They Are a-Changing, de verbindende teksten tussen de nummers. Dylan vertelt daarin achtergrondverhalen over de liedjes en de teksten, en daarnaast geeft hij informatie. Die informatie kan bestaan uit weetjes of anekdotes rond het thema en ook leest hij heel veel opsommingen op: gaat de show over fruit, dan noemt hij een heleboel soorten fruit. Al die interessante informatie wordt meestal hoorbaar en schaamteloos ontleend aan Wikipedia. Daarnaast vertelt Bob anekdotes uit zijn eigen leven, vertelt moppen, deelt recepten en huishoudtips en declameert gedichten van anderen. Het is een totaal andere, onverwachte kant van Dylan, waarmee hij alle loodzware ernst waarmee zijn persoon wordt benaderd effectief onderuithaalt. Er is een aflevering waarin hij ons laat horen hoe een blokfluit klinkt door als een beginner stuntelend en vals een wijsje voor te spelen waarin je na enige tijd met moeite Blowin’ in the Wind herkent. Ik word er vrolijk van, je kunt het allemaal nog online beluisteren.

De verschijning van Johnny Rotten op aarde

Het klopt wel dat je nooit meer echt van los komt van de muziek die je zo ongeveer tussen je twaalfde en achttiende leert kennen, hoewel, je komt er wel van los en er komt een heleboel bij, maar je keert er steeds meer naar terug, merk ik. We waren een jaar of zestien toen punk losbrak en al draai ik Never Mind the Bollocks nog hoogstens eens in de vijf jaar (om weer te constateren dat ik hem nog steeds niet echt goed vind) ben ik alle muziek die er min of meer op volgde wel weer gaan terugkopen – op cd nu, want al die lp’s opnieuw verzamelen die ik ooit met mijn domme hoofd van de hand heb gedaan gaat me te ver. En die niet alleen, hedendaagse bandjes als Fontaines D.C. en Idles hebben dezelfde hoekigheid en uhh urgentie als die bands van toen. Het is geen nostalgie, al word ik wel oud, en ik beweer ook niet dat er sindsdien niks beters is gemaakt, maar op een of andere manier lijkt het alsof alles wat me op muzikaal gebied echt raakt wel beïnvloed is door die periode. Dat zal projectie zijn, je identificeert je met die muziek en daardoor denk je dat het allemaal wel met elkaar zal samenhangen, terwijl jijzelf het bent die de gemene deler is. Met Johnny Rotten identificeerde ik me niet, ik was geobsedeerd door hem. Wat uit zijn lippen werd opgetekend in Muziekkrant OOR en andere bladen was als manna die uit de hemel viel. Ik was kennelijk op zoek naar iemand die me een soort uitweg bood, en dat leek hij te doen. Het milieu waarin ik opgroeide was niet veel erger dan andere, denk ik, maar ik vond het alles bij elkaar genomen onverdraaglijk, en JR schopte tegen alles aan op een manier waar ik zelf toen nog niet de woorden voor had gevonden.

Baudet

Net als alle rattenvangers lijkt Baudet zich in een soort sadomasochistische relatie met zijn electoraat te bevinden, waarin Baudet het sadisme voor zijn rekening neemt en zijn kiezers het masochisme. Een van de meest gedenkwaardige voorbeelden van dat laatste heb ik een keer gezien in het NOS Journaal, dat voor één keer een voltreffer scoorde met die onbeheersbare drang om al het Nederlandse nieuws (doorgaans zo’n 90% van de berichtgeving) met voxpopjes te verluchtigen voor de kijkertjes. De verslaggever stelde vlak na een grote verkiezingszege van Forum in het door aardbevingen en grondverzakking getroffen gebied in Groningen ter plekke twee vragen aan een aantal voorbijgangers: wat vond u het belangrijkste onderwerp tijdens deze verkiezingen? en: op welke partij heeft u gestemd? Het antwoord op de eerste vraag was de aardbevingen en grondverzakkingen natuurlijk! en op de tweede Forum voor Democratie. Maar Forum vond al dat geklaag van die Groningers over scheuren in hun huizen gezeur en had als enige partij in haar partijprogramma staan dat die de gaskraan gewoon weer voluit open gezet kon worden (voor de inkomsten natuurlijk). Toen die voorbijgangers met dat feit geconfronteerd werden, deden ze geen enkele moeite die twee zaken met elkaar te rijmen: ze trokken hun schouders op en liepen enigszins onaangenaam getroffen door de vraag (niet door het inzicht) weg. In de VS gebeurde iets soortgelijks met talloze mensen met medische problemen die aan de bedelstaf raakten toen Trump Obamacare terugdraaide. Ze beklaagden zich over hun zware lot en vonden het schandalig en onrechtvaardig, en zeiden de volgende keer weer op Trump te stemmen. Het sadisme zit dan in de bereidheid het risico te nemen je volgelingen desnoods de dood in te jagen door corona te ontkennen en vaccinatie te ontraden, maar eigenlijk is dat natuurlijk onverschilligheid en opportunisme, het levert stemmen op van de arme misleide schapen. Het is dedain. Baudet en Trump gaan er door hun geloof in hun eigen voortreffelijkheid vanuit dat zijzelf een besmetting wel zullen overleven en nemen het risico met hun achterban omdat ze weten dat die niet vanuit welbegrepen eigenbelang zal stemmen en ook niet vanuit een ideaal, maar vanuit ressentiment, en dan doen feiten en gevolgen er niet toe.

Philip Roth – The Biography (3)

Nog één keer en dan hou ik erover op. Wat Claire Bloom betreft heeft Bailey zich toch wel voor het karretje van Roth laten spannen. Natuurlijk is het niet netjes om nadat je van iemand bent gescheiden een memoir te publiceren (Bloom’s Leaving  a Doll’s House) waarin je allerlei minder flatteuze gedragingen van je ex de wereld in slingert, maar in het geval van Roth ligt dat toch iets genuanceerder omdat hijzelf altijd rücksichtslos de mensen in zijn omgeving heeft gebruikt in zijn boeken, en vaak ook met opzet duidelijk herkenbaar. En die opzet was dan vaak genoeg een vorm van zelftherapie: over zowel zijn eerste vrouw (die van die urine) als over Claire Bloom zelf heeft hij boeken geschreven die helaas deels gedreven werden door wrok en vooral door de wens om de pijn en het verdriet over die relaties te verwerken door er literatuur van te maken. Een veelzeggend moment is als hij na het voltooien van de naar zijn idee definitieve versie van het verhaal over vrouw 1 in tranen uitbarst, “I did it, I dit it!” prevelend. Wat die eerste betreft kan ik me inleven in de impuls om het onrecht dat zij hem heeft aangedaan te trachten te begrijpen (eigenlijk moet je hier zeggen ‘een plekje te geven’ als dat niet zo verschrikkelijk was) door het te beschrijven, maar in het geval van Bloom lijkt er niet zo heel veel aan de hand te zijn dat niet in de beste huwelijken voorkomt als mensen zo’n vijftien jaar of meer bij elkaar zijn. Bijzonder flauw van Bailey om er dan allerlei emotionele uitbarstingen van Bloom uit te lichten en daar het seksistische label hysterisch aan te hangen. Op zo’n moment denk je ook: ik hoef dit allemaal niet te weten.

Ik ga maar weer eens een echt boek lezen.

Gehuurde wereld

Vanmiddag passeerde ik Sarah Hart op de Beestenmarkt en ik doe dit echt nooit (echt niet) en ik weet ook niet waar ik het lef vandaan haalde, maar ik heb haar aangesproken. Ze schrok er behoorlijk van en ze moest geloof ik een beetje blozen, wat ik me kan voorstellen als je op straat door een wildvreemde vent staande wordt gehouden. Maar ik wilde haar altijd al bedanken voor Gehuurde wereld en dat heb ik dan nu eindelijk gedaan.

Tenzij de dingen veel sneller onder het stof van de tijd verdwijnen dan ik denk, vermoed ik dat de meeste mensen zich de essays van haar overleden man – de veelzijdige en briljante Rudy Kousbroek – nog kunnen herinneren en ze hopelijk nog wel eens lezen ook. Maar het lijkt alsof het werk van Sarah Hart – voor zover het ooit echt de lezers heeft gevonden die het verdient – nu helemaal van de aardbodem is verdwenen. En dat is zeer onterecht en onbegrijpelijk.

In haar enige gepubliceerde bundel schrijft ze over poëzie, kinderen, (haar jeugd in) Ierland, plaatsnamen, landkaarten, stadsparken en dromen en bovenal over heimwee. Ik ken niemand die zich zo mooi kan herinneren als zij. Misschien komt dat doordat ze het herinneren zelf beschrijft. Het lijkt alsof je erbij zit terwijl het gebeurt, en alsof je je de dingen die ze beschrijft zelf aan het herinneren bent, dat het bijna je eigen herinneringen zouden kunnen zijn die je alleen even was vergeten.

Het is een klein juweel dat niet vergeten mag worden. Ik heb mijn exemplaar lang geleden in de ramsj moeten kopen, misschien is het nog ergens te bestellen.

Sarah Hart heeft ook een blog: Mixed Feelings.

The Novelist of Human Unknowability (2)

Henry Green is eigenlijk onvertaalbaar omdat hij allerlei taalregels schendt. De structuur van zijn zinnen is op een ongrijpbare manier onconventioneel en zet je bijvoorbeeld in Party Going (uit 1939) al direct op het verkeerde been:

Fog was dense, bird that had been disturbed went flat into a balustrade and slowly fell, dead, at her feet.

There it lay and Miss Fellowes looked up to where that pall of fog was twenty foot above and out of which it had fallen, turning over once. She bent down and took a wing then entered a tunnel in front of her, and this had DEPARTURES lit up over it, carrying her dead pigeon.

No one paid attention, all were intent and everyone hurried, nobody looked back. Her dead pigeon then lay sideways, wings outspread as she held it, its dead head down towards the ground. She turned and she went back to where it had fallen and again looked up to where it must have died for it was still warm and, everything unexplained, she turned once more into the tunnel back to the station.

Als je dit soort proza vertaalt moet je je soms wat vrijheden permitteren, omdat wat in het Engels nog eigenaardig maar met enige moeite wel te volgen is bij een meer directe vertaling naar het Nederlands onbegrijpelijk kan worden. Daarvoor moet je begrijpen hoe en waartoe Green zijn effecten precies inzet en hoe het komt dat deze afwijking van de conventie dit lyrische effect teweegbrengt. Soms blijft alles toch ongrijpbaar, zelfs gebeurtenissen en locaties lijken soms op bijna surrealistische wijze te transformeren. Ik ben dankbaar voor die ongrijpbaarheid, omdat het mysterie daarmee intact blijft.

Greens ‘methode’ werkt voor mij, zij trekt me de belevingswereld van zijn personages in. Je belandt in een soort droomstaat als je het leest en ook daarom is het heerlijk om hem te vertalen. Ondanks Greens zelfverklaarde afkeer van psychologisering (hij vond dat het onmogelijk is te weten wat mensen werkelijk denken en voelen en dat schrijvers zich daarom zoveel mogelijk dienen te beperken tot wat hun personages hardop uitspreken – een opmerkelijk standpunt voor een schrijver) word je meegesleept in de wereld van zijn personages, belevenissen die verre van opzienbarend zijn en zelfs triviaal. De mist is bijna zelf een van die personages en veroorzaakt een gevoel van desoriëntatie dat je ontvankelijk maakt voor de onbegrijpelijke schoonheid van het verhaal.

The Novelist of Human Unknowability (1)

Henry Green wordt een writer’s writer’s writer genoemd. T.S. Eliot, Eudora Welty, W.H. Auden, Rebecca West, Christopher Isherwood, V.S. Pritchett, Anthony Burgess, Sebastian Faulks, Tim Parks en John Updike zijn of waren bewonderaars. Henry Vincent Yorke (echte naam) leefde van 1905 tot 1973, groeide op in Gloucestershire als zoon van een rijke industrieel en een adellijke moeder, bezocht Eton – waar hij zijn debuut Blindness schreef – en studeerde in Oxford, maar brak de studie af om te gaan werken in het familiebedrijf. Begonnen als ‘gewoon werkman’ klom hij op tot directeur van H. Pontifex & Sons Ltd., dat loodgietersbenodigdheden en bierbottelarij-apparatuur produceerde. Blindness publiceerde hij in 1926 onder het neutrale pseudoniem Henry Green, om zijn schrijverschap verborgen te houden voor collega´s en zakenpartners. Omdat hij vreesde de Tweede Wereldoorlog niet te overleven, schreef hij al in 1940 zijn autobiografie, Pack My Bag. Hij diende in de oorlog als brandweerman, overleefde, en beschreef zijn ervaringen in Caught. In 1952 verscheen zijn laatste boek Doting. De laatste twee decennia van zijn leven leidde hij een steeds teruggetrokkener bestaan waarin hij niet meer schreef, aan de drank raakte en langzaam doof werd.

Het is proza dat je net zo geconcentreerd moet lezen als poëzie en het is ook niet makkelijk om te vertalen. Een vertaling moet altijd op zichzelf kunnen staan, maar in dit geval vind ik het niet verkeerd om de lezer vooraf te vertellen dat het origineel net zo onorthodox is. En het zal dus niet ieders cup of tea zijn. Maar als je je niet laat afschrikken door de eigenaardige zinnen en de schijnbare afwezigheid van een plot neemt hij je mee naar een andere wereld, vind ik. Misschien kun je zeggen dat zijn kijk hypersensitief is, maar ik heb er niet echt woorden voor, behalve dat het nergens mee te vergelijken is. In Nederland wordt Green niet gelezen en dat is eigenlijk best zonde. Daarom (en omdat het me uitdagend leek) heb ik een poging tot vertaling van Party Going gedaan (je kunt hem lezen onder tabblad Vertaalprojecten). Ik heb de verleiding weerstaan om de stijl te normaliseren of glad te strijken – wat op zich een begrijpelijke aanvechting is, die echter veel eerdere pogingen om zijn werk in andere talen te vertalen minder geslaagd heeft gemaakt, zo heb ik begrepen. (Voor wie hier meer over wil weten: Tim Parks heeft in zijn essay Translating Style zo’n poging op een voor vertalers heel interessante wijze geanalyseerd. Dezelfde Tim Parks schreef me toen ik hem had laten weten dat ik Party Going aan het vertalen was dat ‘getting Green’s Party Going into Dutch would be about as important as getting Reve’s Evenings into English´. Ik zoek nog naar een uitgever die dat ook zo ziet.)