Dreaming of Karen Black

Toen ik een paar weken geleden de muziekrecensiepagina van de Volkskrant opsloeg, ging er een luikje open naar het verleden. Een van de vele vrouwelijke idolen uit mijn twenties, Karen Black, bleek tussen het acteren in allerlei geweldige en belangrijke (voor mij dan) films in de jaren zeventig en tachtig door ook nog tijd te hebben gevonden om een hele plaat vol liedjes op te nemen, waarvan ze de meeste zelf gecomponeerd had. Om een of andere reden zijn die liedjes nu pas –  veertig jaar later – uitgebracht, onder de titel Dreaming of You.

Mijn crush op Karen Black begon toen ik haar voor het eerst zag in Robert Altman’s Come Back to the 5 & Dime Jimmy Dean, Jimmy Dean, waarin ze de mysterieuze gast op een schoolreünie speelt. Maar ze speelde ook in Five Easy Pieces, The Great Gatsby, Easy Rider en Capricorn One. Ik projecteerde in haar een kruising tussen de twee meisjes waar ik tot dat moment het meest verliefd op was geweest, de ene een koele schoonheid en de andere even aandoenlijk scheel als Karen Black (want ze was behoorlijk scheel, in onze tijd was ze hierdoor waarschijnlijk kansloos geweest in Hollywood). Maar als ik nu naar de foto op het cd-hoesje kijk, lijkt die nog het meest op foto’s van mijn moeder in het jaar dat ik werd geboren (what would Freud say?).

Het zijn opnames uit een verloren tijd en het is misschien niet voor iedereen. De liedjes gaan over verlangen, verliefdheid en verdriet. De gebruikelijke onderwerpen, bezongen met zoveel intense emotie dat ik er alleen maar ademloos naar kan luisteren. Je voelt er een verpletterende kwetsbaarheid in, en ze zingt mooi op een manier die je ondertussen niet veel meer hoort, geloof ik. Ze heeft een enorm bereik en ze legt de lat hoog, waardoor er ook nog een soort toegevoegde spanning ontstaat die het alleen nog maar adembenemender maakt om naar haar te luisteren, omdat je steeds zit te hopen dat het haar lukt, dat ze alle noten haalt. Dat doet ze, gelukkig.

Ze heeft de meeste liedjes dus alleen geschreven, maar ook haar interpretatie van Question van de Moody Blues is ongelofelijk mooi en aangrijpend, alsof je het liedje voor het eerst hoort zoals het moest klinken.

Karen Black is overleden in 2013, na een lang en zeer productief acteursleven. En naast al die geweldige films en toneelstukken waarin we haar hebben mogen bewonderen, blijkt ze dit nu dus ook nog allemaal gekund te hebben.

Dreaming of You (1971 – 1976) is te vinden op Spotify.

Onverdachte kunst: Céline herontdekt

Als er één schrijver is die de discussie over cancel culture op scherp kan stellen dan is het wel Louis-Ferdinand Céline, en laat er nou van hem onlangs een enorme berg ongepubliceerd materiaal opgedoken zijn die zijn werk en persoon weer helemaal terug op de literaire kaart kan zetten.

Want over Céline is er geen discussie mogelijk: hij was fout. En zijn overtredingen bevonden zich niet op het wat schimmige terrein van seksuele omgangsvormen (hoewel hij ook op dat gebied volgens de huidige normen vast niet hoog gescoord zal hebben). Bij hem waren het opvattingen die heel erg fout waren en die hij ook op schrift heeft gesteld, waarmee ze een permanente schaduw werpen over het werk waarmee hij beroemd en geliefd is geworden. Nadat hij zijn meesterwerken had geschreven ontpopte Céline zich namelijk als een uitgesproken antisemiet, in pamfletten waarin hij net als een zeker hedendaags warhoofd zelfs de Jodenvervolging durfde te bagatelliseren. Frankrijk vervolgde hem na de oorlog wegens collaboratie – dat hem zwaarder werd aangerekend dan het antisemitisme, dat in Frankrijk altijd al wijd verspreid was en dat tot op heden nog steeds is – maar gaf hem na een paar jaar zijn vrijheid terug, vanwege zijn literaire verdiensten. Nu onlangs al dit onbekende werk is opgedoken ben ik wel benieuwd waar de discussie naartoe zal leiden die er ongetwijfeld weer zal oplaaien. Als er her en der kunstenaars worden kaltgestellt wegens hun levenswandel kun je je afvragen wat de wereld aan moet met de boeken van een schrijver die een van de grootste misdaden in de geschiedenis met dezelfde pen heeft verdedigd als waarmee hij dat geliefde werk heeft geschreven. De vraag is: kun je twee van de grootste literaire meesterwerken van de twintigste eeuw – Voyage au bout de la nuit en Mort à créditcancelen?

Het teruggevonden werk betreft volgens de Volkskrant 1 kuub papier die Céline in zijn huis in Montmartre achterliet toen hij met zijn vrouw en kat Bébert naar Denemarken vluchtte om aan de bevrijders van Frankrijk te ontkomen. In zijn biografie van Céline noemde Frédéric Vitoux al ‘grote stukken van Kanonnevoer, De legende van koning Krogold en verschillende versies van Guignol’s Band, maar volgens het artikel zit er ook een volledige, nooit gepubliceerde roman tussen, zeshonderd vel van een andere en een manuscript van Mort à crédit. Ik kan niet wachten om het allemaal te (her)lezen. Want hoe het mogelijk is dat iemand met zulke moreel verwerpelijke denkbeelden zulke geweldige boeken kan schrijven, heb ik mezelf al afgevraagd toen ik de Reis op mijn zeventiende voor het eerst las, en ik kwam er niet uit. Maar wat ik las leek voort te komen uit een woede en benauwenis die ik maar al te goed kende en nog nooit zo in de literatuur had aangetroffen. Voor mij was het een van de stemmen die verwoordden wat ik zelf nog niet kon uitdrukken, iets waar je juist op die leeftijd zo hard naar op zoek bent. Maar het was veel meer dan die al dan niet vermeende herkenning die me trof. Dit was grootse, meeslepende literatuur, schaamteloos direct, rauw en ongekunsteld. De waarde ervan zal altijd overeind blijven, de literatuur van de twintigste eeuw is ondenkbaar zonder Céline, je kunt niet om hem heen. Dus het enige wat je kunt zeggen is dat mensen die zelf niet zo heel groot zijn toch grote kunst kunnen maken, en zelfs mensen die verwerpelijke dingen doen. Maar we mogen ons niet permitteren kunst weg te doen – al was het maar voor die ene verwarde adolescent. Het werk zelf blijft onschuldig aan wat de maker ervan heeft aangericht.

De lieflijkste plek op aarde

Onlangs heb ik eindelijk een bezoek gebracht aan het Nietzsche-Haus. Dat staat in Sils-Maria, de magische plek waar ik al naartoe wilde sinds ik – een half mensenleven geleden – met zijn werk in aanraking kwam. Nietzsche beschouwde dit dal en de omliggende bergen als zijn eigenlijke thuis, zijn persoonlijke Shangri-La waar hij tot zijn meest diepzinnige gedachten kwam en enkele van zijn belangrijkste werken heeft geschreven.

Lopen is denken en volgens Nietzsche kun je dat ook omkeren. Hij vertrouwde gedachten die niet im Freien geboren sind niet en als je hier loopt begrijp je waarom dit het ideale landschap voor zijn denken was. Het dorpje ligt tussen twee langgerekte meren – Sils en Silvaplana – waar je omheen kunt lopen zonder te hoeven opletten waar je je voeten neerzet, omdat het pad vrij vlak is. Je kunt je hier volledig in het decor verliezen, de magnifieke Zwitserse bergen die het dal omringen. In het onderste Silser Meer steekt een schiereilandje, Chastè, waarover Nietzsche droomde er een huis voor zichzelf te laten bouwen, lang voordat er de godganse dag toeristen zoals ik rond keutelden. De meesten onder hen komen waarschijnlijk niet om zijn herinnering te eren, al is er wel een plaquette op een rots met het gedicht Alle Lust will Ewigkeit. Buiten dit en het Haus zelf herinnert alleen de zogenaamde ‘Zarathustra-rots’ nog aan hem, een opvallend piramide-vormig gesteente waar hij op de gedachte van de ‘eeuwige wederkomst’ kwam (die volgens mij betekent dat we zijn voorbestemd het leven op aarde tot in de eeuwigheid telkens op exact dezelfde manier te blijven herhalen, een soort Groundhog Day zonder mogelijkheid tot verbetering).

Ik probeer me voor te stellen hoe het eruit gezien moet hebben: Friedrich Nietzsche, lopend. Het moet een schrikwekkende verschijning zijn geweest. Om zijn overgevoelige ogen te beschermen tegen het zonlicht en de elektriciteit in de wolken droeg hij buiten een enorme groene bril en dan hing daaronder ook nog die buitenproportionele snor. In mijn azuren eenzaamheid waarmee ik cirkels om mezelf trek en heilige grenzen. Niet iemand die je makkelijk aanspreekt. Achter dat vreemde voorkomen ging een verlegen en uiterst zachtaardige man schuil. Hij had veel stoere woorden over vrouwen, in werkelijkheid was het zijn romantische verheerlijking van hen die voorkwam dat hij ooit een liefdesrelatie heeft gehad. Voor hem was dat misschien tragisch, de mensheid heeft er baat bij gehad. Een huwelijk had vrijwel zeker een eind gemaakt aan zijn rusteloosheid en aan de eenzaamheid waarin zijn meest gedurfde gedachten ontstonden.

Tussen 1881 en 1889 bracht Nietzsche de zomers hier door, op wat hij de lieflijkste plek op aarde noemde. In het hooggebergte hoopte hij de ideale klimatologische omstandigheden te vinden voor zijn gestel, geheel volgens de medische inzichten van die tijd. Hij leed zijn hele leven onder een waslijst aan fysieke kwellingen, waaronder migraine en een geleidelijk verlies van visuele vermogens die hem uiteindelijk bijna volledig blind maakte. Hij genas nooit, de migraines bleven, zijn ogen bleven achteruitgaan. Uiteindelijk verloor hij ook zijn geestelijke vermogens en de laatste tien jaar van zijn leven werd hij verzorgd door zijn zuster, een kwalijke onbenul die niets begreep van zijn werk en zijn nalatenschap misbruikte ter meerdere eer en glorie van haarzelf en haar fascistische vrienden. Het heeft decennia geduurd voordat zijn werk van het stigma los kon komen.

Het voelt pretentieus om te zeggen dat de gedachtevluchten van een dergelijk genie van invloed zijn geweest op jouw eigen aardse geploeter, maar zijn boeken hebben geholpen me te bevrijden van de benauwende truttigheid van de late jaren zeventig waarin ik volwassen trachtte te worden. Hij kwam op het juiste moment, Ecce homo ontdekte ik in de punktijd en voor mij en mijn vrienden schopten Johnny Rotten en Nietzsche tegen dezelfde dingen aan.

In het Haus zelf hoor ik de hele tijd dat ik er ben het vrolijke gekir en gepruttel van een baby ergens uit de ingewanden van het huis, afgewisseld met de zingzangende geluiden van een vrouw, waarschijnlijk de moeder. Aan het eind van mijn bezoek komen een jonge man en vrouw met natte haren druk pratend de trap op naar de etage waar Nietzsche’s eenvoudige kamer was en waar ik zit. Ze gaan quasi-respectvol zwijgend een kamer binnen, sluiten de deur en lachen weer verder, misschien wel om weer zo’n stoffig type dat voor hun deur in een boek zit te bladeren.

Ik weet niet of Nietzsche’s gedachten nog leven zoals hij ze bedoeld heeft, maar zijn huis wel. Ik denk dat ik maar weer naar buiten ga.

Nescio in India

Het gevaar van biografieën lezen is dus dat je helden van hun voetstuk vallen. En helden zijn schaars, daar moet je heel zuinig mee zijn. Toch wint de nieuwsgierigheid het meestal uiteindelijk, hoewel het niet altijd nieuwsgierigheid is waardoor je ze gaat lezen. Vaak is het ook een verlekkerd soort teruggaan naar iets wat je al in zijn geheel hebt geconsumeerd, zoals sommige mensen voor de derde keer alle afleveringen van Seinfeld of Friends bekijken. Het is op, maar het is nog niet genoeg. Je hebt alle boeken gelezen, alle platen geluisterd, alle films gezien, maar het is te mooi, je wilt meer.

Over Nescio kun je niet schrijven. Hij kon als niemand anders het goddelijke in de natuur en al het zijnde oproepen, en het verlangen in de mens naar het goddelijke en zuivere in zichzelf. Deze zin bewijst de waarheid van de eerste van deze alinea, het kan zo in een stichtelijk werkje uit de jaren dertig. Maar het is volgens mij dus het allermooiste wat er in de Nederlandse taal is geschreven. En nergens mee te vergelijken. Zijn unieke stijl maakt hem ook onvertaalbaar.

Het leven van Nescio was, niet geheel onverwacht, een beetje saai. Net als Kafka is hij zijn hele leven min of meer op één plek gebleven en werkte hij op kantoor, bij de Holland-Bombay Trading Company. Heel anders dan Kafka was hij getrouwd met een geweldige vrouw die hem in al zijn eigenaardigheden ondersteunde en had hij een aantal dochters. Het werd hem door zijn bazen toegestaan gedurende langere periodes aan de geestdodende atmosfeer op kantoor te ontsnappen als hij die niet meer volhield. Met de diagnose zenuwlijder op zak mocht hij dan weer een tijdje door het land zwerven. Over die tochten schreef hij in zijn schitterende natuurdagboek, dat door Lieneke Freriks (die ook de biografie heeft geschreven) werd bezorgd in het verzameld werk, samen met alle officiële publicaties en restanten.

Tegenover zijn intense liefde voor het Nederlandse cultuurlandschap stond dat hij niet bepaald oog had voor de schoonheid van andere landschappen, zoals het Indische, waar hij in 1925 naartoe werd gestuurd op zakenreis. Hij vond het er vooral vies en stoffig en uit zijn brieven naar huis hierover blijkt nogal wat afkeuring van alles wat anders is dan thuis. Helaas blijft het niet bij milde xenofobie. In een brief uit Calcutta beschrijft hij een tafereel met wat naakte Europese vrouwen en een ‘inlander’ op een schilderij dat hij in het herenhuis van een Raja had gezien en eindigt hij met: Mijn afkeer voor inlanders is nu compleet, ik voelde iets door mijn hele lichaam, ik voelde mij zelf vernederd en had er graag een neergeslagen en getrapt, maar ik durfde niet. Iets van datzelfde voel ik in Europa ook als ik een Jood met een Europees meisje zie. Europeanen die ik niet zou aankijken, zie ik nu met plezier. Ik zal blij zijn als ik dat zoodje niet meer om me heen heb.

Je wordt er koud van als je het leest en dat is niet de enige passage met dit soort ellende. Het is verschrikkelijk en ook niet weg te redeneren door te verwijzen naar de mores van de tijd. Vergelijk dit eens met iemand als Slauerhoff, die in dezelfde tijd leefde en bijna een tegenovergestelde houding had. Kennelijk is dit de keerzijde van de liefde en bergt die liefde ook een soort eng nationalisme in zich dat andere culturen wantrouwt.

Lieneke Freriks schrijft na deze passage Dit is wel even schrikken en wijst erop dat er in de rest van Nescio’s nalatenschap in ieder geval geen andere vormen van antisemitisme zijn aan te wijzen. Dat scheelt, maar liever had je dit nooit geweten en zou je het nu op een plek willen opbergen waaruit het nooit meer tevoorschijn komt, omdat je de Nescio van voordat je dit las niet wilt missen.

Escher in het paradijs

I usually just give up on a painting. I don’t finish it.” hoorde ik de Amerikaanse hyperrealist Richard Estes onlangs zeggen in een tv-documentaire over hem. Als het doel van kunst de meest realistische weergave van de werkelijkheid zou zijn (is het zeker niet) was hij misschien de beste schilder ter wereld, maar ook voor hem bleef perfectie dus onbereikbaar. Ik vind dit soort schilderijen (en andere realistische kunst, de boeken van Updike bijvoorbeeld) erg bevredigend en veel werk van andersoortige realisten (magisch realisten, surrealisten) als Willink en Escher eigenlijk ook nog steeds en het kan me niet schelen als echte kenners hier hun neus voor ophalen (waarom noem ik ze dan?). De ‘visie’ van Estes zit in zijn onderwerpkeuze, hij maakt snapshots van de werkelijkheid die hij ook echt eerst fotografisch vastlegt, waarna hij ze op zijn atelier naschildert, net als Breitner bleek te doen (die daar wél heel geheimzinnig over deed, maar Breitner is dus geen realist). Estes en Escher hebben een virtuoze ambachtelijkheid gemeen, Escher was echter geen schilder maar een speelse graficus wiens vondsten niet ‘resoneren’ zoals die van surrealist Magritte: hij was iemand wiens werk niet meer naar waarde kan worden geschat, omdat het alleen de eerste keer dat je ermee wordt geconfronteerd echt effect sorteert. Daarom was ik ook zo blij dat ik erbij was toen mijn dochter ze voor de allereerste keer in haar leven zag en er totaal verrukt over was. Want als ik schrijf dat ik het werk ‘nog steeds’ mooi vind, is dat omdat je in het kijken naar dit soort schilderkunst – die de werkelijkheid dus niet werkelijk ontstijgt – de blik van een kind nodig hebt om weer de magie ervan te zien.

Effe krijten Marco

Die heerlijke omhaal van Van Basten die je nog steeds langs ziet komen in allerlei overzichten van mooiste doelpunten aller tijden, die ene die nog steeds in de leader van Studio Sport zit, daar was ik bij. Sterker nog, ik stond er dichterbij dan wie dan ook in het stadion, op de spelers na dan. Mijn vriend Arie had een seizoenskaart voor de Meer in het schitterende seizoen ’86-’87, toen het allemaal weer begon en het Nederlandse voetbal uit zijn as herrees, wat voor een heel groot deel te danken was aan Johan Cruyff, die toen voor het tweede jaar trainer van Ajax was. Ik ging regelmatig met hem mee, voor tien gulden mocht je achter de afrastering achter een van de doelen staan. Door de radicale aanvalstactiek die Cruyff had verzonnen betekende dat dat je één helft lang de actie vlak voor je neus had en de andere helft alles van veraf moest bekijken. Het eenrichtingsvoetbal resulteerde doorgaans in een doelpuntenregen, op die dag tegen Den Bosch moesten we echter met een schamele 3-1 genoegen nemen. In mijn herinnering ben ik dat seizoen getuige geweest van de debuten van een hele generatie geweldige voetballers, die daarbij in hun eerste wedstrijd ook nog allemaal scoorden, zoals dat in die tijd gebruikelijk was bij Ajax. Brian Roy, Johnny Bosman, Rob en Richard Witschge, Van ’t Schip, Dennis Bergkamp (toen nog rechtsbuiten), Aron Winter. Ik kan uitzoeken of mijn herinnering klopt, maar dat ga ik niet doen. Er hing een magische sfeer in het stadion en een enorme samenhorigheid, blijdschap ook nog steeds omdat Jopie terug was, al was het dan niet meer als voetballer. Die ene keer dat Cruyff een bal die over de zijlijn was gegaan terug in het veld trapte en het hele stadion juichte alsof hij het beslissende doelpunt in een finale had gemaakt: voetbalhumor. Als Van Basten eens een keer een kans miste: “Effe krijten Marco”. Het “Oeoeoeoe….” uit alle kelen als de reusachtige Ronald Spelbos – de enige verdediger die mocht meedoen van Cruyff – op de doorgebroken spits van de tegenpartij afstormde. Ik zweer je dat die gast niet eens meer het duel aanging, dattie uit pure angst die bal gewoon liet lopen, dattie niet wist hoe snel hij weer terug moest rennen naar zijn eigen helft.

Het is een onbeschrijfelijk mooi doelpunt. Het leek wel alsof hij zweefde, alsof hij even stil hing in de lucht.

Ik ben één keer beelden tegengekomen waarop Arie en ik te zien zijn, zodat ik weet dat ik het niet gedroomd heb. Op de meeste staan we niet omdat de camera’s aan de kant van de dug-out stonden en wij op de rand van de zestien, exact ter hoogte van Marco. Het is vlak na het doelpunt. Een uitzinnig publiek springt en schreeuwt en danst van vreugde op de tribunes en daarvóór zie je vlak achter het hek twee heren staan met iets te hoge voorhoofden en lange zwarte jassen, die onbeweeglijk (maar verre van onbewogen) staan te applaudisseren, zoals het hoort bij ballet.

Carrière maken

Een vriendin maakte zich kwaad over de kansenongelijkheid tussen man en vrouw, met name die in het verleden, toen zijzelf nog een jonge moeder was. Niet omdat zij zich er zelf door van had laten weerhouden om naast het moederschap ook een professionele carrière te hebben en ook niet omdat haar man geen volwaardige rol had gespeeld in het grootbrengen van hun kinderen – er was bijvoorbeeld ook een periode in hun leven geweest dat hij voor de kinderen had gezorgd terwijl zij alleen voor het inkomen zorgde. Maar dat betekent natuurlijk niet dat die ongelijkheid er niet wel degelijk was, vrouwen werden ooit geacht thuis te blijven en voor de kinderen te zorgen. Ik reageer daar natuurlijk weer compleet fout op door er vrolijk uit te gooien dat het toch heerlijk is om de hele dag bij je kinderen te zijn en niet naar een kantoor of iets dergelijks te hoeven waar je je ziel moet verkopen aan een baas terwijl buiten de zon schijnt. Toen ik ook nog beweerde dat het huishouden ook weer niet zo veel voorstelt en in het niet valt bij die acht uur op dat k…kantoor waren de rapen bijna helemaal gaar. Het probleem is dat ik bijna helemaal reageer vanuit mijn eigen situatie, waarin ik met plezier het carrière-maken heb opgegeven om voor mijn (enige) dochter te kunnen zorgen in de tijd dat ze bij me was (wat me tenminste nog vrijwaart van de beschuldiging van appropriation). Wat er mis was aan mijn reactie was ten eerste dat ik ook daarvoor nooit carrière had gemaakt en ik vergeet dat dat voor heel veel mensen misschien wel hun enige kans op zelfontplooiing is en ten tweede dat er wel een verschil is tussen één kind grootbrengen, al is het dan grotendeels alleen, of drie, zoals mijn vriendin. Aan de andere kant is ook het ongetwijfeld tijdrovende concept van ‘een gezin draaiende houden’ – dat ik zelf alleen ken van horen zeggen – ook een keuze die zijn beloningen in zich bergt, die offers rechtvaardigen (maar natuurlijk wel van beide partners).

Misschien ligt de oorzaak van ons wederzijds onbegrip in wat zij op het laatst zei en waarmee ze me de kans wilde geven weg te komen met mijn gebrek aan empathie (want zij is te beschaafd om mij op dezelfde manier in een hoek te drijven als ik haar), dat het vooral het gebrek aan erkenning was dat de maatschappelijke situatie voor vrouwen zo frustrerend maakte. Waar ik natuurlijk weer tegen inbracht dat je boven het streven naar erkenning moet uitstijgen, vergetend dat je niet kunt uitstijgen boven iets wat je door anderen wordt onthouden.

Wraak bestaat niet

Ik vraag me af of je pijn en verdriet kunt verwerken door er kunst van te maken. Het verbaasde me dat Philip Roth aan het eind van zijn leven – nadat hij eigenlijk al had aangekondigd met schrijven te stoppen – voor de zoveelste keer aan een verhaal over zijn relatie met Claire Bloom begon, deze keer niet in een literaire vorm maar een feitelijke beschrijving van zijn versie ervan, met de kennelijke bedoeling om die van haar in haar memoir Leaving a Doll’s House punt voor punt te weerleggen. Gelukkig heeft zijn omgeving hem ervan kunnen overtuigen dit heilloze idee los te laten. Dat het in hem opkwam bewijst niet dat hij niet over het verlies van Bloom heen kon komen want dat blijkt nergens uit, maar dat hij zich nog steeds niet kon neerleggen bij het onrecht dat hem naar zijn mening door haar was aangedaan, en onrecht is ook een vorm van verlies. Toch is het letterlijk deerniswekkend dat iemand zich na zoveel jaren nog steeds niet heen kan zetten over onrecht dat hem is aangedaan door iemand waar hij emotioneel geen bijzondere band meer mee voelt. En bij Roth gaat het zelfs niet om reputatieschade, hij wil simpelweg zijn gelijk halen, hij heeft dit nodig – na al die jaren nog. Misschien is die behoefte terug te voeren op het trauma van zijn eerste huwelijk en het onrecht dat hem toen was aangedaan. Toen hij er eindelijk in geslaagd was hier een geslaagde fictionele vorm aan te geven, barstte hij toen hij dat boek af was in tranen uit, “I did it, I did it” stamelend. Literatuur is dan eigenlijk een vorm van kunstzinnige therapie (maar dan wel op een zeer hoog niveau). Misschien ontspruit veel grote kunst uit leed en ontbering, en misschien ook uit machteloosheid. Maar ik geloof niet dat je er rekeningen mee kunt vereffenen. Dat boek over zijn eerste huwelijk was geslaagd omdat het goede literatuur was en verder nergens om. Aan wraak heb je niks, het bestaat niet eens.

Theme Time Radio Hour

In de podcast Bobcast die Chris Kijne en Lars Hulshof een jaar lang in de aanloop naar Dylan’s tachtigste verjaardag (vandaag) hebben uitgezonden, wordt zijn radioprogramma wel een paar keer genoemd, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat ze niet zo goed weten wat ze ermee aan moeten. In ieder geval vind ik dat ze er wat meer aandacht aan hadden mogen besteden, minimaal één hele aflevering. Misschien was het probleem dat het zich niet leent tot exegese, een aangenaam tijdverdrijf waar Dylan’s werk en persoon bijna net zoveel aanleiding toe lijken te geven als de Bijbel. Theme Time Radio Hour (‘with your host Bob Dylan’) is een radioshow die Dylan tussen 2006 en 2009 maakte. In 102 afleveringen van doorgaans een uur draaide hij daarin een uitermate gevarieerde en eclectische selectie liedjes uit de gehele muziekgeschiedenis. Elke aflevering was gegroepeerd rond een thema, zoals Food, Time, Sleep, Weather, Something, Nothing, en alle liedjes moesten dan dat thema in hun titel hebben. Het klinkt ongelofelijk onbenullig en daar kwam nog bij dat Dylan in de verbindende teksten klonk als een radio-dj uit de jaren vijftig. Hij sprak met een soort southern slur – dit was nog voor zijn raspfase, toen zijn stem niet aangenaam was om naar te luisteren –, articulerend alsof hij moeite had woorden met meer dan twee lettergrepen uit te spreken. De meeste liedjes dateerden nog van voor zijn eigen begin als folkzanger, hoewel er ook genoeg tussen zit van Tom Waits, The Clash of Elvis Costello, om wat te noemen. Bij mij zijn er wel wat luikjes opengegaan tijdens het luisteren: veel van de muziek die hij draait geeft zich pas prijs als je er weer bewust naar luistert, bevrijd van het patina van gedateerdheid waar ze na decennia van muzikale ontwikkelingen onder bedolven zijn geraakt. Maar wat de show vooral zo heerlijk maakt en waarom ik alle 102 afleveringen dit jaar voor een derde keer ga beluisteren, zijn Dylan’s teksten. Nee, niet Visions of Johanna of The Times They Are a-Changing, de verbindende teksten tussen de nummers. Dylan vertelt daarin achtergrondverhalen over de liedjes en de teksten, en daarnaast geeft hij informatie. Die informatie kan bestaan uit weetjes of anekdotes rond het thema en ook leest hij heel veel opsommingen op: gaat de show over fruit, dan noemt hij een heleboel soorten fruit. Al die interessante informatie wordt meestal hoorbaar en schaamteloos ontleend aan Wikipedia. Daarnaast vertelt Bob anekdotes uit zijn eigen leven, vertelt moppen, deelt recepten en huishoudtips en declameert gedichten van anderen. Het is een totaal andere, onverwachte kant van Dylan, waarmee hij alle loodzware ernst waarmee zijn persoon wordt benaderd effectief onderuithaalt. Er is een aflevering waarin hij ons laat horen hoe een blokfluit klinkt door als een beginner stuntelend en vals een wijsje voor te spelen waarin je na enige tijd met moeite Blowin’ in the Wind herkent. Ik word er vrolijk van, je kunt het allemaal nog online beluisteren.

De verschijning van Johnny Rotten op aarde

Het klopt wel dat je nooit meer echt van los komt van de muziek die je zo ongeveer tussen je twaalfde en achttiende leert kennen, hoewel, je komt er wel van los en er komt een heleboel bij, maar je keert er steeds meer naar terug, merk ik. We waren een jaar of zestien toen punk losbrak en al draai ik Never Mind the Bollocks nog hoogstens eens in de vijf jaar (om weer te constateren dat ik hem nog steeds niet echt goed vind) ben ik alle muziek die er min of meer op volgde wel weer gaan terugkopen – op cd nu, want al die lp’s opnieuw verzamelen die ik ooit met mijn domme hoofd van de hand heb gedaan gaat me te ver. En die niet alleen, hedendaagse bandjes als Fontaines D.C. en Idles hebben dezelfde hoekigheid en uhh urgentie als die bands van toen. Het is geen nostalgie, al word ik wel oud, en ik beweer ook niet dat er sindsdien niks beters is gemaakt, maar op een of andere manier lijkt het alsof alles wat me op muzikaal gebied echt raakt wel beïnvloed is door die periode. Dat zal projectie zijn, je identificeert je met die muziek en daardoor denk je dat het allemaal wel met elkaar zal samenhangen, terwijl jijzelf het bent die de gemene deler is. Met Johnny Rotten identificeerde ik me niet, ik was geobsedeerd door hem. Wat uit zijn lippen werd opgetekend in Muziekkrant OOR en andere bladen was als manna die uit de hemel viel. Ik was kennelijk op zoek naar iemand die me een soort uitweg bood, en dat leek hij te doen. Het milieu waarin ik opgroeide was niet veel erger dan andere, denk ik, maar ik vond het alles bij elkaar genomen onverdraaglijk, en JR schopte tegen alles aan op een manier waar ik zelf toen nog niet de woorden voor had gevonden.