Gehuurde wereld

Vanmiddag passeerde ik Sarah Hart op de Beestenmarkt en ik doe dit echt nooit (echt niet) en ik weet ook niet waar ik het lef vandaan haalde, maar ik heb haar aangesproken. Ze schrok er behoorlijk van en ze moest geloof ik een beetje blozen, wat ik me kan voorstellen als je op straat door een wildvreemde vent staande wordt gehouden. Maar ik wilde haar altijd al bedanken voor Gehuurde wereld en dat heb ik dan nu eindelijk gedaan.

Tenzij de dingen veel sneller onder het stof van de tijd verdwijnen dan ik denk, vermoed ik dat de meeste mensen zich de essays van haar overleden man – de veelzijdige en briljante Rudy Kousbroek – nog kunnen herinneren en ze hopelijk nog wel eens lezen ook. Maar het lijkt alsof het werk van Sarah Hart – voor zover het ooit echt de lezers heeft gevonden die het verdient – nu helemaal van de aardbodem is verdwenen. En dat is zeer onterecht en onbegrijpelijk.

In haar enige gepubliceerde bundel schrijft ze over poëzie, kinderen, (haar jeugd in) Ierland, plaatsnamen, landkaarten, stadsparken en dromen en bovenal over heimwee. Ik ken niemand die zich zo mooi kan herinneren als zij. Misschien komt dat doordat ze het herinneren zelf beschrijft. Het lijkt alsof je erbij zit terwijl het gebeurt, en alsof je je de dingen die ze beschrijft zelf aan het herinneren bent, dat het bijna je eigen herinneringen zouden kunnen zijn die je alleen even was vergeten.

Het is een klein juweel dat niet vergeten mag worden. Ik heb mijn exemplaar lang geleden in de ramsj moeten kopen, misschien is het nog ergens te bestellen.

Sarah Hart heeft ook een blog: Mixed Feelings.

The Novelist of Human Unknowability (2)

Henry Green is eigenlijk onvertaalbaar omdat hij allerlei taalregels schendt. De structuur van zijn zinnen is op een ongrijpbare manier onconventioneel en zet je bijvoorbeeld in Party Going (uit 1939) al direct op het verkeerde been:

Fog was dense, bird that had been disturbed went flat into a balustrade and slowly fell, dead, at her feet.

There it lay and Miss Fellowes looked up to where that pall of fog was twenty foot above and out of which it had fallen, turning over once. She bent down and took a wing then entered a tunnel in front of her, and this had DEPARTURES lit up over it, carrying her dead pigeon.

No one paid attention, all were intent and everyone hurried, nobody looked back. Her dead pigeon then lay sideways, wings outspread as she held it, its dead head down towards the ground. She turned and she went back to where it had fallen and again looked up to where it must have died for it was still warm and, everything unexplained, she turned once more into the tunnel back to the station.

Als je dit soort proza vertaalt moet je je soms wat vrijheden permitteren, omdat wat in het Engels nog eigenaardig maar met enige moeite wel te volgen is bij een meer directe vertaling naar het Nederlands onbegrijpelijk kan worden. Daarvoor moet je begrijpen hoe en waartoe Green zijn effecten precies inzet en hoe het komt dat deze afwijking van de conventie dit lyrische effect teweegbrengt. Soms blijft alles toch ongrijpbaar, zelfs gebeurtenissen en locaties lijken soms op bijna surrealistische wijze te transformeren. Ik ben dankbaar voor die ongrijpbaarheid, omdat het mysterie daarmee intact blijft.

Greens ‘methode’ werkt voor mij, zij trekt me de belevingswereld van zijn personages in. Je belandt in een soort droomstaat als je het leest en ook daarom is het heerlijk om hem te vertalen. Ondanks Greens zelfverklaarde afkeer van psychologisering (hij vond dat het onmogelijk is te weten wat mensen werkelijk denken en voelen en dat schrijvers zich daarom zoveel mogelijk dienen te beperken tot wat hun personages hardop uitspreken – een opmerkelijk standpunt voor een schrijver) word je meegesleept in de wereld van zijn personages, belevenissen die verre van opzienbarend zijn en zelfs triviaal. De mist is bijna zelf een van die personages en veroorzaakt een gevoel van desoriëntatie dat je ontvankelijk maakt voor de onbegrijpelijke schoonheid van het verhaal.

The Novelist of Human Unknowability (1)

Henry Green wordt een writer’s writer’s writer genoemd. T.S. Eliot, Eudora Welty, W.H. Auden, Rebecca West, Christopher Isherwood, V.S. Pritchett, Anthony Burgess, Sebastian Faulks, Tim Parks en John Updike zijn of waren bewonderaars. Henry Vincent Yorke (echte naam) leefde van 1905 tot 1973, groeide op in Gloucestershire als zoon van een rijke industrieel en een adellijke moeder, bezocht Eton – waar hij zijn debuut Blindness schreef – en studeerde in Oxford, maar brak de studie af om te gaan werken in het familiebedrijf. Begonnen als ‘gewoon werkman’ klom hij op tot directeur van H. Pontifex & Sons Ltd., dat loodgietersbenodigdheden en bierbottelarij-apparatuur produceerde. Blindness publiceerde hij in 1926 onder het neutrale pseudoniem Henry Green, om zijn schrijverschap verborgen te houden voor collega´s en zakenpartners. Omdat hij vreesde de Tweede Wereldoorlog niet te overleven, schreef hij al in 1940 zijn autobiografie, Pack My Bag. Hij diende in de oorlog als brandweerman, overleefde, en beschreef zijn ervaringen in Caught. In 1952 verscheen zijn laatste boek Doting. De laatste twee decennia van zijn leven leidde hij een steeds teruggetrokkener bestaan waarin hij niet meer schreef, aan de drank raakte en langzaam doof werd.

Het is proza dat je net zo geconcentreerd moet lezen als poëzie en het is ook niet makkelijk om te vertalen. Een vertaling moet altijd op zichzelf kunnen staan, maar in dit geval vind ik het niet verkeerd om de lezer vooraf te vertellen dat het origineel net zo onorthodox is. En het zal dus niet ieders cup of tea zijn. Maar als je je niet laat afschrikken door de eigenaardige zinnen en de schijnbare afwezigheid van een plot neemt hij je mee naar een andere wereld, vind ik. Misschien kun je zeggen dat zijn kijk hypersensitief is, maar ik heb er niet echt woorden voor, behalve dat het nergens mee te vergelijken is. In Nederland wordt Green niet gelezen en dat is eigenlijk best zonde. Daarom (en omdat het me uitdagend leek) heb ik een poging tot vertaling van Party Going gedaan (je kunt hem lezen onder tabblad Vertaalprojecten). Ik heb de verleiding weerstaan om de stijl te normaliseren of glad te strijken – wat op zich een begrijpelijke aanvechting is, die echter veel eerdere pogingen om zijn werk in andere talen te vertalen minder geslaagd heeft gemaakt, zo heb ik begrepen. (Voor wie hier meer over wil weten: Tim Parks heeft in zijn essay Translating Style zo’n poging op een voor vertalers heel interessante wijze geanalyseerd. Dezelfde Tim Parks schreef me toen ik hem had laten weten dat ik Party Going aan het vertalen was dat ‘getting Green’s Party Going into Dutch would be about as important as getting Reve’s Evenings into English´. Ik zoek nog naar een uitgever die dat ook zo ziet.)

Gangsters

Op mijn elfde is ons gezin uit Den Haag gevlucht voor gangsters.

Mijn vader bouwde in de jaren zeventig een ketentje lampenwinkels op, waarvan de eerste zich aan de Hoefkade bevond. De Hoefkade stond destijds bekend als de slechtste straat in de Schilderswijk, die op zich weer als de slechtste wijk van Den Haag gold. Er waren dan ook constant allerlei problemen en in één jaar is er eens veertien keer ingebroken. Mijn vader werd dan ’s nachts gebeld door de politie als het weer zover was, waarna hij eropuit ging met een stuk hout en spijkers om de ingeslagen ruit af te dichten.

Op een dag kwam er vlak voor sluitingstijd een kerel binnen met een klassieke kous over zijn  hoofd, die een pistool op mijn pa richtte en hem beval de dagopbrengst aan hem over te dragen. Mijn vader herkende hem ondanks de kous en kon zich nog net inhouden om te zeggen: “Laurent, wat maak je me nou?”, De overvaller was Laurent de Nie. Mijn vader kwam regelmatig thuis bij de familie De Nie om lampen op te hangen en dergelijke en ook Laurent kwam regelmatig in zijn lampenzaak, als klant.

De De Nie’s waren destijds een beruchte gangsterfamilie in Den Haag. Aan het hoofd van de familie stond een soort Ma Baker-achtige vrouw, die de wereld had gezegend met allerlei soorten gespuis. Zoon Daan bijvoorbeeld was al een keer dagenlang in het nieuws geweest terwijl hij een boerengezin ergens in Drenthe in gijzeling hield. Hij is uiteindelijk gepakt. Net als zijn broer, want nadat die ervandoor was gegaan met het geld kon mijn vader simpelweg zijn naam en vermoedelijke locatie doorgeven aan de politie.

Als kind vind je dit allemaal natuurlijk reuze spannend en ik heb er dan ook veel goede sier mee weten te maken op het schoolplein (waarbij helaas ook heftige discussies hoorden met jongetjes die beweerden dat hún vader de boef dat pistool wel uit zijn handen had geschopt).

Toen de zaak eenmaal voorkwam en Laurent werd veroordeeld tot een gevangenisstraf heeft hij niet alleen de rechter bedreigd, maar ook mijn vader.  “Als ik vrij kom weet ik je te vinden, Struys.” Er verscheen opeens een afgesloten houten koffertje in huis, want mijn vader was schietlessen gaan nemen, zogenaamd voor de sport.

Niet lang daarna verhuisden we naar Leiderdorp. Pas veel later realiseerde ik me dat dat hierom was geweest en nog weer veel later gaven mijn ouders dat toe.

Ik weet niet wat er van de man is geworden en of hij nog leeft, dus in zekere zin zijn we nog steeds op de vlucht.

Spoken word (2)

Misschien kan spoken word de poëzie een nieuwe impuls geven. Je zou denken dat concentratie en close reading niet veel toekomst hebben onder de nieuwe generaties, dus laten we blij zijn dat dit er dan tenminste nog is. Aan de andere kant, wat maakt het ook uit. Dan wordt het zelf lezen van gedichten maar (nog meer) iets voor de happy few, als je je over dat soort dingen druk maakt kun je wel aan de gang blijven. Er is nog genoeg gedrukte poëzie te ontdekken voor een heel leven, dus dat er misschien niet zo veel meer bijkomt is ook niet erg, out with the old and in with the new.

Johnny van Doorn was voordat het zo genoemd werd ook een spoken word poet. Dit is het geweldige Een magistrale stralende zon.

Spoken word (1)

Soms vraag je af of je leeftijd je in de weg zit bij de waardering van nieuwe kunstuitingen omdat je denkt dat iets vroeger beter was en je daardoor niet goed kijkt en luistert naar dat nieuwe. Dat had ik met spoken word. Hoewel mijn weerstand ook werd ingegeven door de vrees dat de vorm in deze door exhibitionisme geobsedeerde tijd bijna vanzelfsprekend de toekomst moet hebben omdat de maker of vertolker ervan zichzelf aan het publiek kan tonen. Dat doen als je je beperkt tot het woord acteurs en zangers ook, alleen dacht ik dat het een manier was om poëzie over het voetlicht te brengen en ik vreesde dat het geconcentreerd en in stilte poëzie lezen uit zou sterven omdat kijken en luisteren makkelijker is. De meeste goede poëzie geeft zich tenslotte pas gewonnen als je er moeite voor doet en de beloning voor die moeite kan niet minder dan een levensveranderende openbaring zijn. Daarbij zijn de teksten waar het genre aanleiding toe geeft vaak wat self obsessed en pathetisch en ik heb aan één Walt Whitman wel genoeg, vond ik. Maar ik vermoed dat dit het echte probleem is: hedendaagse spoken word gaat over sociale bewustwording en politieke actie en ik bevind me niet meer in een positie waarin dat soort zaken echt urgent zijn. Het is dus misschien echt een leeftijdsdingetje, en waarschijnlijk een kwestie van etnisch bevoorrecht zijn. Ik ben niet de doelgroep en ik moet gewoon mijn mond houden, poëzie en spoken word zitten elkaar niet in de weg.

Philip Roth – The Biography (2)

Literaire biografieën zijn ook een soort Story of Privé voor de lezende mens: je krijgt een inkijkje in iemands privéleven en bijvoorbeeld op het gebied van sores zijn we allemaal nou ook weer niet zo heel erg verschillend van beroemde mensen die wél iets gepresteerd hebben. Hoewel in een huwelijk gerommeld worden door een vrouw die op straat een potje urine koopt van een zwangere zwerfster om je wijs te maken dat ze zwanger van je is wel weer best extreem is (toen het huwelijk eenmaal voltrokken was heeft ze het zogenaamd laten aborteren). De hele geschiedenis met deze rampzalige vrouw verklaart misschien ook wel deels de niet altijd zachtzinnige wijze waarop Roth met zijn vriendinnen omging, al mag je niet psychologiseren. Maar als je het hele verhaal leest lijkt de term misogynie me hiervoor zwaar overdreven – gelukkig maar, want je weet nooit wat voor ranzigs je tegenkomt tijdens het lezen waardoor je helden van hun voetstuk kunnen vallen (er staat trouwens nog genoeg ranzigs in dit boek dat ik helemaal niet had hoeven weten want ik geloof niet dat wat iemand allemaal uitspookt in de slaapkamer je iets wezenlijks over hem of haar kan vertellen). Roth was een liefhebber van vrouwen die zich evenveel door zijn lusten liet leiden als door romantische verlangens, maar daar had hij er zo te lezen ook meer dan genoeg van. Als je dan het eerste ziet als behorend tot de lagere instincten en het laatste als een ‘hoger’ streven en die twee ook nog eens beschouwt als onlosmakelijk met elkaar verbonden, ga je terug naar een burgerlijke moraal zoals die in de jaren vijftig nog heerste (inderdaad: vóór Roth begon met publiceren) en zijn beschuldigingen van allerlei aard al snel niet meer zo heel ver weg. Wat veel belangrijker is, en waarom ik hem niet alleen als schrijver maar ook als mens bewonder, is dat Roths leven altijd volledig ten dienste heeft gestaan van de literatuur en dat die literatuur altijd maar één gebod heeft gekend: waarachtigheid. Het rücksichtslose zelfonderzoek en de schijnbaar schaamteloze zelfexpositie waarmee hij zich daarvoor ter lering en vermaak van ons heeft beziggehouden, heeft de wereld wel iets verder geholpen, denk ik – ik kan het niet echt beoordelen omdat ik het meeste werk pas achteraf tot me heb kunnen nemen – maar zijn toewijding heeft vooral tot schitterende kunst geleid. En van welke schrijver kun je daarnaast ook nog zeggen dat hij verschijnselen als Trump (in The Plot against America), cancel culture (The Human Stain) en de maatschappij tijdens een pandemie (Nemesis) al tot in detail had beschreven, lang voordat ze werkelijkheid werden?

Gesprekken achter het gordijn

Binnen de GGZ ben ik later nog veel parkinsonpatiënten tegengekomen, maar de enige die ik in het dagelijks leven een klein beetje heb mogen leren kennen was Jan van Reek, een van de geestelijke vaders van Wipperoen. Wipperoen was aanvankelijk een tekststrip in de trant van Marten Toonder die vanaf 1961 in het Algemeen Handelsblad werd gepubliceerd, totdat Van Reek ziek werd en moest stoppen met tekenen en schrijven. Ik kwam in de jaren tachtig bij hem over de vloer omdat ik verkering had met zijn jongste dochter. Hoewel het een lieve, intelligente en belangstellende man was, verliepen onze gesprekken altijd erg moeizaam, enerzijds omdat de ziekte ook zijn spraak had aangetast waardoor zijn dochter er altijd bij moest blijven om te tolken, en anderzijds omdat hij regelmatig tijdens onze conversatie van zijn stoel viel. Hij lag dan op de grond tussen ons in totdat de convulsies wegebden en hij met hulp van zijn dochter weer kon opstaan. Hij noch ik wisten als zoiets gebeurd was waar we moesten kijken, hij uit begrijpelijke maar volstrekt onterechte gêne en ik omdat ik destijds op sociaal gebied totaal onbekwaam was en al moeite had met gesprekken met mensen die wel gewoon op hun stoel bleven zitten. Het huis waarin hij in een ongemakkelijke menage à trois samenwoonde met zijn vrouw en haar vriendin – en mijn vriendin totdat wij gingen samenwonen – was niet alleen daardoor het tegenovergestelde van mijn eigen kleinburgerlijke ouderlijk huis en een soort walhalla voor mij: er was rommel en slijtage, alles zag eruit alsof erin geleefd werd. Er waren echte boeken en overal stond en hing kunst, niet alleen van hemzelf, maar ook van zijn vrouw en van zijn oudste dochter en zijn zoon, die zelf later evenveel faam zouden vergaren als tekenaars.

Ik kon toen noch nu achteraf beoordelen of hij zoals de mensen in dit boek psychisch ingrijpend was veranderd door de medicatie. Het voelde alsof hij naar me keek vanachter het gordijn van die ellendige ziekte, maar dat ik te laat was om hem te leren kennen.

De bange mens

Interessante angsten deze week in de VPRO gids, hoewel ik ook wel wat meer had willen lezen over waar de angstbezitters concreet bang voor zijn. Of betekent een angst voor poppen alleen maar dat je een onaangenaam gevoel krijgt als je een pop ziet, niet dat je gelooft dat hij/zij je iets gaat aandoen? Het is in zijn irrationaliteit tenminste wel een mooie en geloofwaardige angst, niet zoals die van Matthijs van Nieuwkerk die alleen maar allerlei afleidingen van doodsangst noemt, zoals vliegen en autorijden in tunnels en dergelijke. Maar ondertussen wel opscheppen dat hij ‘duizenden irrationele angsten en fobieën’ heeft. Een andere BN-er kan alleen een fobie voor natte papiertjes verzinnen, kom op zeg! De meeste angsten waar ik zelf onder heb ‘geleden’ – want eigenlijk is dit soort angsten een soort luxe – zijn te idioot om op te schrijven (ik heb het geprobeerd). De enige een beetje normale vrees die ik durf te noemen, heb ik bewaard uit mijn door angsten verluchtigde jeugd: hoogtevrees. Weliswaar ook een irrationele maar toch vooral een retrospectieve angst, omdat ik op mijn elfde als een evenwichtskunstenaartje op de zesde etage van een flat een metertje of twintig over de balkonbalustrades heb afgelegd om indruk te maken op het vriendinnetje dat beneden naar me stond te kijken (Barbara, blond en blauwe ogen). Ik heb het overleefd, maar de angst en de nachtmerries kwamen later.

In zekere zin is dit natuurlijk ook een soort doodsangst, maar dan achteraf.

Starstruck

Máxima en ik kennen elkaar, maar onze relatie is nooit echt van de grond gekomen.

Haar latere echtgenoot kon je begin jaren negentig in Leiden moeilijk ontlopen in de straten rond de Pieterskerk tussen zijn ongetwijfeld eenvoudige onderkomen aan het Rapenburg en corpsballenclub Minerva. Ik werkte toen als kok bij een eetcafé – niet uit overtuiging, ik wist even niks beters te verzinnen. Hij kwam daar wel eens slummen met zijn maatjes en op een avond wilde hij ook met zijn moeder komen eten, maar helaas zaten we al vol en even later zagen we door het raam haar en hare aanhang beteuterd voorbij schreiden. Een keer liep ik langs zijn huis toen hij eruit kwam met zijn bodyguards en ik heb nog nooit zo’n vuile blik van iemand gekregen. Het deed mijn oude republikeinse punkhart goed dat hij kennelijk instinctief de vijand in mij herkende, maar misschien vond hij alleen maar dat ik te dicht bij zijn auto kwam.

Een tijdje later had mijn carrière een drastische maar weinig meer carrièrevooruitzichten biedende wending genomen en kreeg ik van de teamchef van het dagactiviteitencentrum waar ik werkte het verzoek een bijzondere gast een en ander te vertellen over mijn werkzaamheden als arbeidsbegeleider van mensen met een psychische stoornis. U raadt het al, en gek genoeg ik ook want voor ze kon zeggen wie het was, zei ik: “Als het maar niet Máxima is.” Die was het dus wel. Ik weet niet precies waarom ik dat zei, maar het zou inderdaad niet goed aflopen.

Ik deed in de weken voorafgaand aan het bezoek wat halfslachtige pogingen om een verhaaltje voor te bereiden maar ik werd daarin door een aantal factoren dwarsgezeten, namelijk: a) ik was tegen het koningshuis en wie dacht zij wel dat zij was en ze moesten niet van me verwachten dat ik daar als een soort onderdaan braaf mijn verhaaltje zou gaan staan doen, b) ik had eigenlijk geen idee wat precies de bedoeling was van het werk dat we daar deden, dus ik begreep ook niet echt waarvoor het bezoek diende en c) mijn vaste handicap: arrogantie. Ik zou het allemaal wel ter plekke improviseren, komt goed hoor.

Enfin, daar was ze. Ik stond samen met een trajectbegeleider – net zoiets als een arbeidsbegeleider, dacht ik – op mijn lullige kantoortje te wachten tot ze haar ronde door het gebouw had gemaakt. Dat soort officiële dingen lijkt altijd eeuwen te duren, vooral als je je in stijgende paniek vruchteloos voor de geest staat proberen te halen wat je in godsnaam tegen zo’n mens moet gaan zeggen.

Uiteindelijk kwam ze bij ons aan en stelde ze zich aan me voor. En ze is in het echt dus net zo leuk als iedereen denkt dat ze is! En toentertijd hoogzwanger van haar eerste. “Iek loop als ien eend,” zei ze. Tenminste, dat geloof ik, want ieder besef van tijd en ruimte was al lang van me heengegaan. Ik denk dat ik nog iets heb gehakkeld met het zweet in mijn schoenen en ik zie nog vaag het beeld van mijn teamchef die me in opperste verbazing aankijkt. Er was ook nog een hofdame bij, schijnt.

Op een bepaald moment moet iemand de conclusie hebben getrokken dat dit niks zou worden en heeft mijn vrolijke, twee meter lange beer van een joviale collega het van me overgenomen en honderduit verteld over onze werkzaamheden.

Althans dat heeft hij me dus later verteld. We hadden in die tijd dezelfde stamkroeg en als hij mij daar zag kreeg zijn toch altijd al opperbeste humeur iets uitgelatens en feestelijks. Een keer stelde hij me aan een vriend die ik niet kende voor met de woorden: “Dit is nou Dick,” met min of meer hetzelfde effect.

Hij is haar jaren later nog eens tegengekomen in de Bijenkorf. Ze herkende hem nog. Dus werd het daarna een standaardgrap als we elkaar weer eens tegenkwamen: “Nog iets van Máxima gehoord?”

Maar ik heb nooit meer iets van haar gehoord, geen berichtje, geen telefoontje, niks. Want zo zijn ze.