Van Swindenstraat

Laatst zei een vrouw tegen me dat ze ooit in de Van Swindenstraat in Den Haag had gewoond. Ik had haar verteld dat ik in Den Haag was geboren omdat we ons in die stad bevonden, en ze vroeg waar. Dit soort triviale data passeert soms de revue tijdens een eerste date, want dat was het. De Van Swindenstraat is een straatje van niks en het zou me verder niets zeggen als ik er niet geboren was. Het was destijds een deprimerende achterbuurt en ik denk dat ik opgelucht was toen we rond mijn zesde verhuisden naar een iets beschaafdere omgeving. Het is dus niet zo dat ik er goede herinneringen aan heb.

Maar nu ik oog in oog bleek te zitten met iemand die er ook had gewoond (weliswaar in een geheel ander tijdperk want de vrouw was tien jaar jonger dan ik en ruimschoots volwassen toen ze er woonde, dus het zal ergens in de jaren negentig zijn geweest), kon ik mijn verbazing hierover nauwelijks de baas en nu zit ik me achteraf te verbazen over die verbazing. Misschien was het het plotselinge besef dat er na mijn ouders, mijn zus en ikzelf nog andere mensen hebben gewoond op een plek waarvan ik dacht dat hij nog slechts bestond in mijn herinnering, een plek waarvan ik dacht dat hij uit niets anders bestond dan herinneringen. 

Natuurlijk heb ik weleens uit nostalgische overwegingen door de buurt gelopen, ik woon er niet ver vandaan en als ik wil kan ik er binnen drie kwartier zijn. Want hij is er nog gewoon, opgeknapt en opgeruimd, maar verder niet heel anders. In mijn herinnering was het er donker, rommelig en vochtig. Ons ouderlijk huis stond leeg en ik kon ongegeneerd naar binnen kijken in de kamer waar ik ooit ter wereld ben gekomen. Maar het voelde aan als decor: ik kon het letterlijk aanraken, maar ik kon het niet aanraken.

We probeerden herinneringen aan de Van Swindenstraat naar boven te halen en te beschrijven hoe het er toen we er woonden had uitgezien. De Van Swindenstraat is niet heel lang, maar hij omvat wel meerdere blokken en een slopje. Ze vroeg wat een slopje was en ik mansplainde dat slopje een oude benaming is voor een doodlopende steeg. 

“Daar woonde ik,” zei ze, “aan dat steegje”. “Aan het slopje? Ik ook! Daar ben ik geboren! Het slopje! Dáár ben ík gebóren! Aan het slopje!!!!!”

Ik weet niet helemaal zeker of ze mijn verbazing kon delen, ik was te opgewonden over zoveel toeval om haar reactie echt te registreren. Dat ik voor het eerst werd geconfronteerd met iemand van buiten mijn gezin wier bestaan zich tegen dezelfde achtergrond had afgespeeld – die ooit mijn gehele universum was waarbuiten niets anders leek te bestaan – bood me een blik in een dimensie waarin het feit dat ik ben geboren en kind ben geweest plotseling diepte kreeg. Het was alsof mijn eigen geschiedenis tastbaar werd.

Enfin, met die vrouw is het uiteindelijk niks geworden. Maar ik schijn dus wel echt bestaan te hebben.

Boerenbedrog

Ik was eigenlijk net een beetje bekomen van het nieuws dat AstraZeneca (heb ik) ‘geen enkele’ bescherming zou bieden tegen omikron (stond vorige week ergens middenin een artikel in de Volkskrant, zomaar op pagina 10 of zo, dus niet met grote letters op de voorpagina, wat ik logischer had gevonden), toen ik nauwelijks prominenter in de krant alweer het nieuws aantrof dat we wellicht op weg zijn naar een volgende epidemie die corona qua dodelijkheid en besmettelijkheid weleens naar de kroon zou kunnen gaan steken. Kennelijk zijn bijna een half miljoen kippen en eenden dit najaar al preventief ‘geruimd’ vanwege de vogelgriep die weer in Nederland heerst en ook vele in het wild levende vogels zijn gestorven aan een dodelijke variant ervan die ook kan overspringen op mensen, waardoor we na corona dus getroffen zouden kunnen worden door een nieuwe rampzalige pandemie. De belangrijkste broedplaatsen van deze steeds gevaarlijker varianten van dit virus in Nederland zijn uiteraard de grootschalige pluimveehouderijen.  

Het artikel eindigt met de suggestie dat consumenten zouden kunnen overwegen minder kip en ei te eten om dit gevaar af te wenden, maar als zelfs de gigantische hoeveelheid dierenleed waar de intensieve (pluim)veehouderij zich schuldig aan maakt niet voldoet om ieder weldenkend mens te doen overstappen op vegetarisme of veganisme of tenminste substantieel zijn/haar vleesgebruik te minderen (het heeft bij mijzelf ook heel lang geduurd voordat dit besef indaalde), zal het antwoord op deze dreiging nu toch echt van de politiek moeten komen. Want over het zelfreinigend vermogen van de agrarische sector zelf kunnen we ons helaas weinig illusies maken. De stikstofcrisis heeft al laten zien dat iedere poging tot een serieus gesprek over de verantwoordelijkheid die de sector (mede) draagt voor dit probleem slechts leidt tot een met hand en tand verdedigen van de eigen belangen. Desnoods met de dreiging van geweld, tractoren die oprukken naar het Malieveld, een gemeentehuis binnenrijden, zelfs het bedreigen van politici.  

Maar helaas lijkt ook deze centrumrechts-christelijke regering weer met zijn rug naar de toekomst te staan. Want ondanks alle moedgevende klimaatplannen heeft ook het nieuwe kabinet nu al laten doorschemeren geen ballen te zullen hebben als het op een confrontatie met boerenbelangen zou aankomen. Zo staat het onder het kopje Stikstof in de kabinetsplannen: ‘In gebieden waar de opgave tot emissiereductie en natuurherstel dermate groot is dat vrijwilligheid niet langer vrijblijvendheid betekent, gaan we op het boerenerf het gesprek aan om samen te zoeken naar de mogelijkheden.’ 

Corona heeft het al laten zien: als er in Nederland een ramp dreigt te gebeuren, gaan we vergaderen. Als alleen vergaderen dan toch niet voldoende blijkt om de ramp af te wenden, doen we maar wat het buitenland doet. De intensieve pluimveehouderij is echter om allerlei redenen een typisch Nederlands probleem, waarvoor het buitenland geen oplossing zal kunnen bieden. Met de hete electorale adem van de boerenstand in de nek zal dit kabinet boven zijn eigen schaduw moeten uitstijgen, en dan met name boven het door kiezersangst en cliëntelisme in stand gehouden conservatisme van het CDA en de andere christelijke partijen als het over de agrarische industrie gaat. Carola Schouten was/is slechts de laatste in een lange reeks CDA-landbouwministers die de agrarische sector uit de wind hebben helpen houden.  

De noodzaak tot maatregelen om de agrarische industrie aan banden te leggen, is door de nieuwe vogelgriepvariant alleen maar urgenter geworden. Het gaat nu niet meer alleen over de planeet die mede dankzij stikstofemissie op een ramp afstevent, we moeten nu ook handelen om een mogelijke nieuwe pandemie te voorkomen. Hoeveel argumenten heb je nodig?

Dreaming of Karen Black

Toen ik een paar weken geleden de muziekrecensiepagina van de Volkskrant opsloeg, ging er een luikje open naar het verleden. Een van de vele vrouwelijke idolen uit mijn twenties, Karen Black, bleek tussen het acteren in allerlei geweldige en belangrijke (voor mij dan) films in de jaren zeventig en tachtig door ook nog tijd te hebben gevonden om een hele plaat vol liedjes op te nemen, waarvan ze de meeste zelf gecomponeerd had. Om een of andere reden zijn die liedjes nu pas –  veertig jaar later – uitgebracht, onder de titel Dreaming of You.

Mijn crush op Karen Black begon toen ik haar voor het eerst zag in Robert Altman’s Come Back to the 5 & Dime Jimmy Dean, Jimmy Dean, waarin ze de mysterieuze gast op een schoolreünie speelt. Maar ze speelde ook in Five Easy Pieces, The Great Gatsby, Easy Rider en Capricorn One. Ik projecteerde in haar een kruising tussen de twee meisjes waar ik tot dat moment het meest verliefd op was geweest, de ene een koele schoonheid en de andere even aandoenlijk scheel als Karen Black (want ze was behoorlijk scheel, in onze tijd was ze hierdoor waarschijnlijk kansloos geweest in Hollywood). Maar als ik nu naar de foto op het cd-hoesje kijk, lijkt die nog het meest op foto’s van mijn moeder in het jaar dat ik werd geboren (what would Freud say?).

Het zijn opnames uit een verloren tijd en het is misschien niet voor iedereen. De liedjes gaan over verlangen, verliefdheid en verdriet. De gebruikelijke onderwerpen, bezongen met zoveel intense emotie dat ik er alleen maar ademloos naar kan luisteren. Je voelt er een verpletterende kwetsbaarheid in, en ze zingt mooi op een manier die je ondertussen niet veel meer hoort, geloof ik. Ze heeft een enorm bereik en ze legt de lat hoog, waardoor er ook nog een soort toegevoegde spanning ontstaat die het alleen nog maar adembenemender maakt om naar haar te luisteren, omdat je steeds zit te hopen dat het haar lukt, dat ze alle noten haalt. Dat doet ze, gelukkig.

Ze heeft de meeste liedjes dus alleen geschreven, maar ook haar interpretatie van Question van de Moody Blues is ongelofelijk mooi en aangrijpend, alsof je het liedje voor het eerst hoort zoals het moest klinken.

Karen Black is overleden in 2013, na een lang en zeer productief acteursleven. En naast al die geweldige films en toneelstukken waarin we haar hebben mogen bewonderen, blijkt ze dit nu dus ook nog allemaal gekund te hebben.

Dreaming of You (1971 – 1976) is te vinden op Spotify.

Onverdachte kunst: Céline herontdekt

Als er één schrijver is die de discussie over cancel culture op scherp kan stellen dan is het wel Louis-Ferdinand Céline, en laat er nou van hem onlangs een enorme berg ongepubliceerd materiaal opgedoken zijn die zijn werk en persoon weer helemaal terug op de literaire kaart kan zetten.

Want over Céline is er geen discussie mogelijk: hij was fout. En zijn overtredingen bevonden zich niet op het wat schimmige terrein van seksuele omgangsvormen (hoewel hij ook op dat gebied volgens de huidige normen vast niet hoog gescoord zal hebben). Bij hem waren het opvattingen die heel erg fout waren en die hij ook op schrift heeft gesteld, waarmee ze een permanente schaduw werpen over het werk waarmee hij beroemd en geliefd is geworden. Nadat hij zijn meesterwerken had geschreven ontpopte Céline zich namelijk als een uitgesproken antisemiet, in pamfletten waarin hij net als een zeker hedendaags warhoofd zelfs de Jodenvervolging durfde te bagatelliseren. Frankrijk vervolgde hem na de oorlog wegens collaboratie – dat hem zwaarder werd aangerekend dan het antisemitisme, dat in Frankrijk altijd al wijd verspreid was en dat tot op heden nog steeds is – maar gaf hem na een paar jaar zijn vrijheid terug, vanwege zijn literaire verdiensten. Nu onlangs al dit onbekende werk is opgedoken ben ik wel benieuwd waar de discussie naartoe zal leiden die er ongetwijfeld weer zal oplaaien. Als er her en der kunstenaars worden kaltgestellt wegens hun levenswandel kun je je afvragen wat de wereld aan moet met de boeken van een schrijver die een van de grootste misdaden in de geschiedenis met dezelfde pen heeft verdedigd als waarmee hij dat geliefde werk heeft geschreven. De vraag is: kun je twee van de grootste literaire meesterwerken van de twintigste eeuw – Voyage au bout de la nuit en Mort à créditcancelen?

Het teruggevonden werk betreft volgens de Volkskrant 1 kuub papier die Céline in zijn huis in Montmartre achterliet toen hij met zijn vrouw en kat Bébert naar Denemarken vluchtte om aan de bevrijders van Frankrijk te ontkomen. In zijn biografie van Céline noemde Frédéric Vitoux al ‘grote stukken van Kanonnevoer, De legende van koning Krogold en verschillende versies van Guignol’s Band, maar volgens het artikel zit er ook een volledige, nooit gepubliceerde roman tussen, zeshonderd vel van een andere en een manuscript van Mort à crédit. Ik kan niet wachten om het allemaal te (her)lezen. Want hoe het mogelijk is dat iemand met zulke moreel verwerpelijke denkbeelden zulke geweldige boeken kan schrijven, heb ik mezelf al afgevraagd toen ik de Reis op mijn zeventiende voor het eerst las, en ik kwam er niet uit. Maar wat ik las leek voort te komen uit een woede en benauwenis die ik maar al te goed kende en nog nooit zo in de literatuur had aangetroffen. Voor mij was het een van de stemmen die verwoordden wat ik zelf nog niet kon uitdrukken, iets waar je juist op die leeftijd zo hard naar op zoek bent. Maar het was veel meer dan die al dan niet vermeende herkenning die me trof. Dit was grootse, meeslepende literatuur, schaamteloos direct, rauw en ongekunsteld. De waarde ervan zal altijd overeind blijven, de literatuur van de twintigste eeuw is ondenkbaar zonder Céline, je kunt niet om hem heen. Dus het enige wat je kunt zeggen is dat mensen die zelf niet zo heel groot zijn toch grote kunst kunnen maken, en zelfs mensen die verwerpelijke dingen doen. Maar we mogen ons niet permitteren kunst weg te doen – al was het maar voor die ene verwarde adolescent. Het werk zelf blijft onschuldig aan wat de maker ervan heeft aangericht.

De lieflijkste plek op aarde

Onlangs heb ik eindelijk een bezoek gebracht aan het Nietzsche-Haus. Dat staat in Sils-Maria, de magische plek waar ik al naartoe wilde sinds ik – een half mensenleven geleden – met zijn werk in aanraking kwam. Nietzsche beschouwde dit dal en de omliggende bergen als zijn eigenlijke thuis, zijn persoonlijke Shangri-La waar hij tot zijn meest diepzinnige gedachten kwam en enkele van zijn belangrijkste werken heeft geschreven.

Lopen is denken en volgens Nietzsche kun je dat ook omkeren. Hij vertrouwde gedachten die niet im Freien geboren sind niet en als je hier loopt begrijp je waarom dit het ideale landschap voor zijn denken was. Het dorpje ligt tussen twee langgerekte meren – Sils en Silvaplana – waar je omheen kunt lopen zonder te hoeven opletten waar je je voeten neerzet, omdat het pad vrij vlak is. Je kunt je hier volledig in het decor verliezen, de magnifieke Zwitserse bergen die het dal omringen. In het onderste Silser Meer steekt een schiereilandje, Chastè, waarover Nietzsche droomde er een huis voor zichzelf te laten bouwen, lang voordat er de godganse dag toeristen zoals ik rond keutelden. De meesten onder hen komen waarschijnlijk niet om zijn herinnering te eren, al is er wel een plaquette op een rots met het gedicht Alle Lust will Ewigkeit. Buiten dit en het Haus zelf herinnert alleen de zogenaamde ‘Zarathustra-rots’ nog aan hem, een opvallend piramide-vormig gesteente waar hij op de gedachte van de ‘eeuwige wederkomst’ kwam (die volgens mij betekent dat we zijn voorbestemd het leven op aarde tot in de eeuwigheid telkens op exact dezelfde manier te blijven herhalen, een soort Groundhog Day zonder mogelijkheid tot verbetering).

Ik probeer me voor te stellen hoe het eruit gezien moet hebben: Friedrich Nietzsche, lopend. Het moet een schrikwekkende verschijning zijn geweest. Om zijn overgevoelige ogen te beschermen tegen het zonlicht en de elektriciteit in de wolken droeg hij buiten een enorme groene bril en dan hing daaronder ook nog die buitenproportionele snor. In mijn azuren eenzaamheid waarmee ik cirkels om mezelf trek en heilige grenzen. Niet iemand die je makkelijk aanspreekt. Achter dat vreemde voorkomen ging een verlegen en uiterst zachtaardige man schuil. Hij had veel stoere woorden over vrouwen, in werkelijkheid was het zijn romantische verheerlijking van hen die voorkwam dat hij ooit een liefdesrelatie heeft gehad. Voor hem was dat misschien tragisch, de mensheid heeft er baat bij gehad. Een huwelijk had vrijwel zeker een eind gemaakt aan zijn rusteloosheid en aan de eenzaamheid waarin zijn meest gedurfde gedachten ontstonden.

Tussen 1881 en 1889 bracht Nietzsche de zomers hier door, op wat hij de lieflijkste plek op aarde noemde. In het hooggebergte hoopte hij de ideale klimatologische omstandigheden te vinden voor zijn gestel, geheel volgens de medische inzichten van die tijd. Hij leed zijn hele leven onder een waslijst aan fysieke kwellingen, waaronder migraine en een geleidelijk verlies van visuele vermogens die hem uiteindelijk bijna volledig blind maakte. Hij genas nooit, de migraines bleven, zijn ogen bleven achteruitgaan. Uiteindelijk verloor hij ook zijn geestelijke vermogens en de laatste tien jaar van zijn leven werd hij verzorgd door zijn zuster, een kwalijke onbenul die niets begreep van zijn werk en zijn nalatenschap misbruikte ter meerdere eer en glorie van haarzelf en haar fascistische vrienden. Het heeft decennia geduurd voordat zijn werk van het stigma los kon komen.

Het voelt pretentieus om te zeggen dat de gedachtevluchten van een dergelijk genie van invloed zijn geweest op jouw eigen aardse geploeter, maar zijn boeken hebben geholpen me te bevrijden van de benauwende truttigheid van de late jaren zeventig waarin ik volwassen trachtte te worden. Hij kwam op het juiste moment, Ecce homo ontdekte ik in de punktijd en voor mij en mijn vrienden schopten Johnny Rotten en Nietzsche tegen dezelfde dingen aan.

In het Haus zelf hoor ik de hele tijd dat ik er ben het vrolijke gekir en gepruttel van een baby ergens uit de ingewanden van het huis, afgewisseld met de zingzangende geluiden van een vrouw, waarschijnlijk de moeder. Aan het eind van mijn bezoek komen een jonge man en vrouw met natte haren druk pratend de trap op naar de etage waar Nietzsche’s eenvoudige kamer was en waar ik zit. Ze gaan quasi-respectvol zwijgend een kamer binnen, sluiten de deur en lachen weer verder, misschien wel om weer zo’n stoffig type dat voor hun deur in een boek zit te bladeren.

Ik weet niet of Nietzsche’s gedachten nog leven zoals hij ze bedoeld heeft, maar zijn huis wel. Ik denk dat ik maar weer naar buiten ga.

Nescio in India

Het gevaar van biografieën lezen is dat je helden van hun voetstuk vallen. En helden zijn schaars, dus daar moet je heel zuinig mee zijn. Toch wint de nieuwsgierigheid het meestal uiteindelijk, hoewel het niet altijd nieuwsgierigheid is waardoor je een biografie gaat lezen. Vaak is het ook een verlekkerd soort teruggaan naar iets wat je al in zijn geheel hebt geconsumeerd, zoals sommige mensen voor de derde keer alle afleveringen van Seinfeld of Friends bekijken. Het is op, maar je hebt nog niet genoeg gehad. Je hebt alle boeken gelezen, alle platen geluisterd, alle films gezien, maar het is te mooi, je wilt meer!

Over Nescio durf ik eigenlijk niet te schrijven, maar laat ik het proberen: hij kon als niemand anders het goddelijke in niet alleen de natuur maar in al het ‘zijndein taal vangen. alsmede het menselijke verlangen naar het goddelijke en zuivere in zichzelf (dit kan dus zo in een stichtelijk werkje uit de jaren dertig). Simpeler gesteld: zijn boeken zijn volgens mij het allermooiste wat er in de Nederlandse taal is geschreven. Hij is nergens mee te vergelijken en ook daardoor trouwens onvertaalbaar.

Het leven van Nescio was, niet geheel onverwacht voor wie met zijn werk vertrouwd is, een beetje saai. Net als Kafka is hij zijn hele leven min of meer op één plek gebleven en werkte hij op een kantoor. Heel anders dan Kafka was hij getrouwd met een geweldige vrouw die hem in al zijn eigenaardigheden ondersteunde en had hij een paar dochters. Zijn bazen stonden hem toe gedurende langere periodes aan de geestdodende atmosfeer op kantoor te ontsnappen als hij die niet meer volhield. Met de diagnose zenuwlijder op zak mocht hij dan een tijdje door het land zwerven. Over die tochten schreef hij in zijn schitterende natuurdagboek, dat door Lieneke Freriks (die ook de biografie heeft geschreven) werd bezorgd in het verzameld werk, samen met alle officiële publicaties en nagelaten werk.

Tegenover zijn intense liefde voor het Nederlandse cultuurlandschap stond – zo blijkt nu uit de biografie – dat hij niet bepaald oog had voor de schoonheid van andere landschappen, zoals het Indische, waar hij in 1925 naartoe werd gestuurd op zakenreis. Hij vond het er vooral vies en stoffig en in zijn brieven naar huis klinkt nogal wat afkeuring van veel wat anders is dan thuis. En helaas blijft het niet bij die milde xenofobie. In een onthutsende brief uit Calcutta beschrijft hij een tafereel met naakte Europese vrouwen en een ‘inlander’ op een schilderij dat hij in het herenhuis van een Raja had gezien en eindigt hij met: Mijn afkeer voor inlanders is nu compleet, ik voelde iets door mijn hele lichaam, ik voelde mij zelf vernederd en had er graag een neergeslagen en getrapt, maar ik durfde niet. Iets van datzelfde voel ik in Europa ook als ik een Jood met een Europees meisje zie. Europeanen die ik niet zou aankijken, zie ik nu met plezier. Ik zal blij zijn als ik dat zoodje niet meer om me heen heb.

Je wordt er koud van als je het leest en helaas is dit niet de enige passage waarin hij zich zo uitlaat over dit soort onderwerpen. Het is verschrikkelijk en ook niet te relativeren door het in zijn tijd te plaatsen. Vergelijk dit eens met iemand als Slauerhoff, die in dezelfde tijd leefde als Nescio en bijna een tegenovergestelde houding had. Kennelijk is dit de keerzijde van de liefde van Nescio voor zijn thuisland en zit er ergens in die liefde een eng soort nationalisme verscholen dat andere culturen wantrouwt.

Lieneke Freriks schrijft na deze passage Dit is wel even schrikken en wijst erop dat er in de rest van Nescio’s nalatenschap in ieder geval geen andere vormen van antisemitisme zijn aan te wijzen. Dat scheelt, maar liever had ik dit soort dingen nooit geweten en zou ik het op een plek willen begraven waaruit het nooit meer tevoorschijn komt, omdat ik de Nescio van voordat ik dit las niet wil missen.

Escher in het paradijs

I usually just give up on a painting. I don’t finish it.” zei de Amerikaanse hyperrealist Richard Estes ooit. Als het doel van kunst de meest realistische weergave van de werkelijkheid zou zijn (is het natuurlijk niet) was hij misschien de beste schilder ter wereld, maar ook voor hem bleef perfectie dus onbereikbaar. Ik vind dit soort schilderijen (en andere realistische kunst, de boeken van Updike bijvoorbeeld) erg bevredigend en veel werk van andersoortige realisten (magisch realisten, surrealisten) als Willink en Escher eigenlijk ook nog steeds en het kan me niet schelen als echte kenners hier hun neus voor ophalen (waarom noem ik ze dan?) De ‘visie’ van Estes zit in zijn onderwerpkeuze, hij maakt snapshots van de werkelijkheid die hij ook eerst fotografisch vastlegt, waarna hij ze op zijn atelier naschildert, net als Breitner bleek te doen (die daar wél heel geheimzinnig over deed, maar Breitner is ook geen realist). Estes en Escher zijn allebei virtuoos ambachtelijk, Escher was echter geen schilder maar een speelse graficus wiens vondsten niet ‘resoneren’ zoals die van Magritte: hij was iemand wiens werk niet meer naar waarde kan worden geschat, omdat het alleen de eerste keer dat je ermee wordt geconfronteerd echt effect heeft. Daarom was ik ook zo blij dat ik erbij was toen mijn destijds achtjarige dochter ze voor de allereerste keer zag en er totaal verrukt over was. Want als ik schrijf dat ik dit soort werk ‘nog steeds’ mooi vind, is dat omdat je in het kijken naar dit soort schilderkunst de blik van een kind nodig hebt om weer de magie ervan te zien.

Effe krijten Marco

Die heerlijke omhaal van Van Basten die je nog steeds langs ziet komen in de overzichten van mooiste doelpunten aller tijden, die ene die nog steeds in de leader van Studio Sport zit, daar was ik bij. Sterker nog, ik stond er dichterbij dan wie dan ook in het stadion, op de spelers na. Mijn vriend Arie had een seizoenskaart voor de Meer in het schitterende seizoen ’86-’87, toen het allemaal weer begon en het Nederlandse voetbal uit zijn as herrees, wat voor een heel groot deel te danken was aan Johan Cruyff, die toen voor het tweede jaar trainer van Ajax was. Ik ging regelmatig met hem mee, voor tien gulden mocht je achter de afrastering achter een van de doelen staan. Door de radicale aanvalstactiek die Cruyff had verzonnen betekende dat dat je één helft lang de actie vlak voor je neus had en de andere helft alles van veraf moest bekijken. Het eenrichtingsvoetbal resulteerde doorgaans in een doelpuntenregen. Op die dag tegen Den Bosch moesten we echter met een schamele 3-1 genoegen nemen. In mijn herinnering ben ik dat seizoen getuige geweest van de debuten van een hele generatie geweldige voetballers, die daarbij in hun eerste wedstrijd ook nog allemaal scoorden, zoals dat in die tijd gebruikelijk was bij Ajax. Brian Roy, Johnny Bosman, Rob en Richard Witschge, Van ’t Schip, Dennis Bergkamp (toen nog rechtsbuiten), Aron Winter (ik kan uitzoeken of mijn herinneringen wel helemaal kloppen, maar dat ga ik niet doen).

Er hing een magische sfeer in het stadion en een enorme samenhorigheid, blijdschap ook nog steeds omdat Jopie terug was, al was het dan niet meer als voetballer. Die ene keer dat Cruyff een bal die over de zijlijn was gegaan terug het veld in trapte en het hele stadion juichte alsof hij een beslissend doelpunt had gescoord: voetbalhumor. Als Van Basten sporadisch een keer een kans miste: “Effe krijten Marco”. Het “Oeoeoeoe….” uit alle kelen als de reusachtige Ronald Spelbos – de enige verdediger die mocht meedoen van Cruyff – op de doorgebroken spits van de tegenpartij afstormde (ik zweer je dat de tegenstander uit pure angst de bal liet lopen en niet wist hoe snel hij weer terug moest rennen naar zijn eigen helft).

Het is een onbeschrijfelijk mooi doelpunt. Het leek wel alsof hij zweefde, alsof hij even stil hing in de lucht.

Ik ben één keer beelden tegengekomen waarop Arie en ik te zien zijn, zodat ik weet dat ik het niet gedroomd heb. Op de meeste staan we niet omdat de camera’s aan de kant van de dug-out stonden en wij op de rand van de zestien, exact ter hoogte van Marco. Het is vlak na het doelpunt. Een uitzinnig publiek springt en schreeuwt en danst van vreugde op de tribunes en daarvóór zie je vlak achter het hek twee heren staan met iets te hoge voorhoofden en lange zwarte jassen, die verder onbeweeglijk (maar verre van onbewogen) staan te applaudisseren, zoals het hoort bij ballet.

Carrière maken

Een vriendin maakte zich kwaad over de kansenongelijkheid tussen man en vrouw, met name die in het verleden, toen zijzelf nog een jonge moeder was. Niet omdat zij zich er zelf door van had laten weerhouden om naast het moederschap ook een professionele carrière te hebben en ook niet omdat haar man geen volwaardige rol had gespeeld in het grootbrengen van hun kinderen – er was bijvoorbeeld ook een periode in hun leven geweest dat hij voor de kinderen had gezorgd terwijl zij alleen voor het inkomen zorgde. Maar dat betekent natuurlijk niet dat die ongelijkheid er niet wel degelijk was: vrouwen werden ooit geacht thuis te blijven en voor de kinderen te zorgen. Ik reageer daar natuurlijk weer compleet fout op door er vrolijk uit te gooien dat het toch heerlijk is om de hele dag bij je kinderen te zijn en niet naar een kantoor of iets dergelijks te hoeven waar je je ziel moet verkopen aan een baas terwijl buiten de zon schijnt. Toen ik ook nog beweerde dat het huishouden ook weer niet zo veel voorstelt en in het niet valt bij die acht uur op dat k…kantoor waren de rapen gaar. Het probleem is dat ik bijna helemaal reageer vanuit mijn eigen situatie, waarin ik met plezier het carrière-maken heb opgegeven om voor mijn (enige) dochter te kunnen zorgen in de tijd dat ze bij me was (wat me tenminste nog vrijwaart van de beschuldiging van appropriation). Wat er mis was aan mijn reactie was ten eerste dat ik ook daarvoor nooit carrière had gemaakt en vergeet dat dat voor veel mensen een belangrijke mogelijkheid tot zelfontplooiing is en ten tweede dat er wel een verschil is tussen één kind grootbrengen, al is het dan grotendeels alleen, of drie, zoals mijn vriendin. Aan de andere kant is ook het ongetwijfeld tijdrovende concept van ‘een gezin draaiende houden’ – dat ik zelf alleen ken van horen zeggen – ook een keuze die zijn beloningen in zich bergt die offers rechtvaardigen (maar natuurlijk wel van beide partners).

Misschien ligt de oorzaak van ons wederzijds onbegrip in wat zij op het laatst zei en waarmee ze me de kans wilde geven weg te komen met mijn gebrek aan empathie (want zij is te beschaafd om mij op dezelfde manier in een hoek te drijven als ik haar), dat het vooral het gebrek aan erkenning was dat de maatschappelijke situatie voor vrouwen zo frustrerend maakte. Waar ik natuurlijk weer tegen inbracht dat je boven het streven naar erkenning moet uitstijgen, vergetend dat je niet kunt uitstijgen boven iets wat je door anderen wordt onthouden.

Wraak bestaat niet

Ik vraag me af of je pijn en verdriet kunt verwerken door er kunst van te maken. Het verbaasde me dat Philip Roth aan het eind van zijn leven – nadat hij al had aangekondigd met schrijven te stoppen – voor de zoveelste keer aan een verhaal over zijn relatie met Claire Bloom begon, deze keer niet in een literaire vorm maar een feitelijke beschrijving (van zijn versie) ervan, met de kennelijke bedoeling om die van haar in haar memoir Leaving a Doll’s House punt voor punt te weerleggen. Hij kon zich kennelijk maar niet neerleggen bij het onrecht dat hem (naar zijn mening) door haar was aangedaan. Gelukkig heeft zijn omgeving hem ervan kunnen overtuigen dit heilloze idee los te laten. Het lijkt vrij letterlijk deerniswekkend dat zo’n briljant iemand zich na zoveel jaren nog steeds niet heen kan zetten over het vermeende onrecht dat hem is aangedaan door iemand waar hij verder geen enkele emotionele band meer mee lijkt te hebben. En het gaat hem kennelijk niet om de reputatieschade die hij door haar geleden zou hebben. Hij wil simpelweg zijn gelijk halen, na al die jaren nog. Zijn obsessie kan terug te voeren zijn op het trauma van zijn eerste echtgenote en het onrecht dat die hem had aangedaan (toen hij er eindelijk in geslaagd was dit huwelijk in fictie om te zetten, barstte hij in tranen uit, “I did it, I did it” stamelend). Literatuur als kunstzinnige therapie.

Misschien ontstaat veel kunst uit leed en ontbering of machteloosheid, maar het lijkt me twijfelachtig dat je er persoonlijke rekeningen mee kunt vereffenen. Aan wraak heb je niks, het bestaat niet.