Starstruck

Máxima en ik kennen elkaar, maar onze relatie is nooit echt van de grond gekomen.

Haar latere echtgenoot kon je begin jaren negentig in Leiden moeilijk ontlopen in de straten rond de Pieterskerk tussen zijn ongetwijfeld eenvoudige onderkomen aan het Rapenburg en corpsballenclub Minerva. Ik werkte toen als kok bij een eetcafé – niet uit overtuiging, ik wist even niks beters te verzinnen. Hij kwam daar wel eens slummen met zijn maatjes en op een avond wilde hij ook met zijn moeder komen eten, maar helaas zaten we al vol en even later zagen we door het raam haar en hare aanhang beteuterd voorbij schreiden. Een keer liep ik langs zijn huis toen hij eruit kwam met zijn bodyguards en ik heb nog nooit zo’n vuile blik van iemand gekregen. Het deed mijn oude republikeinse punkhart goed dat hij kennelijk instinctief de vijand in mij herkende, maar misschien vond hij alleen maar dat ik te dicht bij zijn auto kwam.

Een tijdje later had mijn carrière een drastische maar weinig meer carrièrevooruitzichten biedende wending genomen en kreeg ik van de teamchef van het dagactiviteitencentrum waar ik werkte het verzoek een bijzondere gast een en ander te vertellen over mijn werkzaamheden als arbeidsbegeleider van mensen met een psychische stoornis. U raadt het al, en gek genoeg ik ook want voor ze kon zeggen wie het was, zei ik: “Als het maar niet Máxima is.” Die was het dus wel. Ik weet niet precies waarom ik dat zei, maar het zou inderdaad niet goed aflopen.

Ik deed in de weken voorafgaand aan het bezoek wat halfslachtige pogingen om een verhaaltje voor te bereiden maar ik werd daarin door een aantal factoren dwarsgezeten, namelijk: a) ik was tegen het koningshuis en wie dacht zij wel dat zij was en ze moesten niet van me verwachten dat ik daar als een soort onderdaan braaf mijn verhaaltje zou gaan staan doen, b) ik had eigenlijk geen idee wat precies de bedoeling was van het werk dat we daar deden, dus ik begreep ook niet echt waarvoor het bezoek diende en c) mijn vaste handicap: arrogantie. Ik zou het allemaal wel ter plekke improviseren, komt goed hoor.

Enfin, daar was ze. Ik stond samen met een trajectbegeleider – net zoiets als een arbeidsbegeleider, dacht ik – op mijn lullige kantoortje te wachten tot ze haar ronde door het gebouw had gemaakt. Dat soort officiële dingen lijkt altijd eeuwen te duren, vooral als je je in stijgende paniek vruchteloos voor de geest staat proberen te halen wat je in godsnaam tegen zo’n mens moet gaan zeggen.

Uiteindelijk kwam ze bij ons aan en stelde ze zich aan me voor. En ze is in het echt dus net zo leuk als iedereen denkt dat ze is! En toentertijd hoogzwanger van haar eerste. “Iek loop als ien eend,” zei ze. Tenminste, dat geloof ik, want ieder besef van tijd en ruimte was al lang van me heengegaan. Ik denk dat ik nog iets heb gehakkeld met het zweet in mijn schoenen en ik zie nog vaag het beeld van mijn teamchef die me in opperste verbazing aankijkt. Er was ook nog een hofdame bij, schijnt.

Op een bepaald moment moet iemand de conclusie hebben getrokken dat dit niks zou worden en heeft mijn vrolijke, twee meter lange beer van een joviale collega het van me overgenomen en honderduit verteld over onze werkzaamheden.

Althans dat heeft hij me dus later verteld. We hadden in die tijd dezelfde stamkroeg en als hij mij daar zag kreeg zijn toch altijd al opperbeste humeur iets uitgelatens en feestelijks. Een keer stelde hij me aan een vriend die ik niet kende voor met de woorden: “Dit is nou Dick,” met min of meer hetzelfde effect.

Hij is haar jaren later nog eens tegengekomen in de Bijenkorf. Ze herkende hem nog. Dus werd het daarna een standaardgrap als we elkaar weer eens tegenkwamen: “Nog iets van Máxima gehoord?”

Maar ik heb nooit meer iets van haar gehoord, geen berichtje, geen telefoontje, niks. Want zo zijn ze.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *