Starstruck

Máxima en ik kennen elkaar, maar onze relatie is nooit echt van de grond gekomen. 

Haar latere echtgenoot kon je begin jaren negentig in Leiden moeilijk ontlopen in de straten rond de Pieterskerk tussen zijn ongetwijfeld eenvoudige onderkomen aan het Rapenburg en corpsballenclub Minerva. Ik werkte toen als kok bij een eetcafé – niet uit overtuiging, ik wist even niks beters te verzinnen. Hij kwam daar wel eens slummen met zijn maatjes en op een avond wilde hij ook met zijn moeder komen eten, maar helaas zaten we al vol en even later zagen we door het raam haar en hare aanhang beteuterd voorbij schreiden. Een keer liep ik langs zijn huis toen hij eruit kwam met zijn bodyguards en ik heb nog nooit zo’n vuile blik van iemand gekregen. Het deed mijn oude republikeinse punkhart goed dat hij kennelijk instinctief de vijand in mij herkende, maar misschien vond hij alleen maar dat ik te dicht bij zijn auto kwam. 

Een tijdje later had mijn carrière een drastische maar weinig meer carrièrevooruitzichten biedende wending genomen en kreeg ik van de teamchef van het dagactiviteitencentrum waar ik werkte het verzoek een bijzondere gast een en ander te vertellen over mijn werkzaamheden als arbeidsbegeleider van mensen met een psychische stoornis. U raadt het al, en gek genoeg ik ook want voor ze kon zeggen wie het was, zei ik: “Als het maar niet Máxima is.” Die was het dus wel. Ik weet niet precies waarom ik dat zei, maar het zou inderdaad niet goed aflopen. 

Ik deed in de weken voorafgaand aan het bezoek wat halfslachtige pogingen om een verhaaltje voor te bereiden maar ik werd daarin door een aantal factoren dwarsgezeten, namelijk: a) ik was tegen het koningshuis en wie dacht zij wel dat zij was en ze moesten niet van me verwachten dat ik daar als een soort onderdaan braaf mijn verhaaltje zou gaan staan doen, b) ik had eigenlijk geen idee wat precies de bedoeling was van het werk dat we daar deden, dus ik begreep ook niet echt waarvoor het bezoek diende en c) mijn vaste handicap: arrogantie. Ik zou het allemaal wel ter plekke improviseren, komt goed hoor. 

Enfin, daar was ze. Ik stond samen met een trajectbegeleider – net zoiets als een arbeidsbegeleider, dacht ik – op mijn lullige kantoortje te wachten tot ze haar ronde door het gebouw had gemaakt. Dat soort officiële dingen lijkt altijd eeuwen te duren, vooral als je je in stijgende paniek vruchteloos voor de geest staat proberen te halen wat je in godsnaam tegen zo’n mens moet gaan zeggen. 

Uiteindelijk kwam ze bij ons aan en stelde ze zich aan me voor. En ze is in het echt dus net zo leuk als iedereen denkt dat ze is! En toentertijd hoogzwanger van haar eerste. “Iek loop als ien eend,” zei ze. Tenminste, dat geloof ik, want ieder besef van tijd en ruimte was al lang van me heengegaan. Ik denk dat ik nog iets heb gehakkeld met het zweet in mijn schoenen en ik zie nog vaag het beeld van mijn teamchef die me in opperste verbazing aankijkt. Er was ook nog een hofdame bij, schijnt. 

Op een bepaald moment moet iemand de conclusie hebben getrokken dat dit niks zou worden en heeft mijn vrolijke, twee meter lange beer van een joviale collega het van me overgenomen en honderduit verteld over onze werkzaamheden. 

Althans dat heeft hij me dus later verteld. We hadden in die tijd dezelfde stamkroeg en als hij mij daar zag kreeg zijn toch altijd al opperbeste humeur iets uitgelatens en feestelijks. Een keer stelde hij me aan een vriend die ik niet kende voor met de woorden: “Dit is nou Dick,” met min of meer hetzelfde effect. 

Hij is haar jaren later nog eens tegengekomen in de Bijenkorf. Ze herkende hem nog. Dus werd het daarna een standaardgrap als we elkaar weer eens tegenkwamen: “Nog iets van Máxima gehoord?” 

Maar ik heb nooit meer iets van haar gehoord, geen berichtje, geen telefoontje, niks. Want zo zijn ze. 

Dreaming of Karen Black

Toen ik laatst de muziekrecensiepagina van de Volkskrant opsloeg, ging er opeens een luikje open naar het verleden. Karen Black, een van mijn vrouwelijke idolen van toen ik rond de twintig was, bleek in de jaren zeventig en tachtig tussen het acteren door een heleboel geweldige en belangrijke (voor mij althans) films door de tijd te hebben gevonden om een hele plaat vol liedjes op te nemen, waarvan ze de meeste ook nog zelf gecomponeerd had. En om een of andere reden zijn die liedjes nu pas, veertig jaar later dus, uitgebracht – onder de titel Dreaming of You.

Mijn crush op Karen Black begon toen ik haar voor het eerst zag in Robert Altman’s Come Back to the 5 & Dime Jimmy Dean, Jimmy Dean, waarin ze de mysterieuze gast op een reünie speelt, die aan het eind van de film een omgebouwde man blijkt te zijn. Maar ze speelde ook in klassiekers als Five Easy Pieces, The Great Gatsby, Easy Rider en Capricorn One. Ik projecteerde in haar een kruising tussen de twee meisjes waar ik tot dat moment het meest verliefd op was geweest, de ene een koele schoonheid en de andere even aandoenlijk scheel als Karen Black (in deze tijd was ze hierdoor helaas kansloos geweest in Hollywood). Maar als ik nu naar de foto op het cd-hoesje kijk, lijkt die nog het meest op foto’s van mijn moeder in het jaar dat ik werd geboren. What would Freud say?

Het zijn opnames uit een verloren tijd en het zal misschien niet aan iedereen zijn besteed. De liedjes gaan over verlangen, verliefdheid en verdriet. De gebruikelijke onderwerpen dus, bezongen met zoveel intense emotie dat je alleen maar ademloos kunt luisteren. Er klinkt een verpletterende kwetsbaarheid in de schoolse manier waarop ze op ouderwets mooi zingt. Ze heeft een enorm bereik en ze legt de lat hoog, waardoor er vaak een toegevoegde spanning ontstaat die het alleen nog maar adembenemender maakt om naar haar te luisteren, omdat je steeds zit te hopen dat het haar lukt en dat ze alle noten haalt. Dat doet ze gelukkig.

De meeste liedjes heeft ze dus alleen geschreven, maar ook haar cover van Question van de Moody Blues is ongelofelijk aangrijpend: alsof je het liedje voor het eerst hoort zoals het moest klinken.

Karen Black is overleden in 2013, na een lang en zeer productief acteursleven. Naast al die geweldige films en toneelstukken waarin we haar hebben mogen bewonderen, blijkt ze dit nu dus ook nog allemaal gekund te hebben.

Dreaming of You (1971 – 1976) is te vinden op Spotify.

Onverdachte kunst: Céline herontdekt

Als er één schrijver is die de discussie over cancel culture op scherp kan stellen dan moet dat wel Louis-Ferdinand Céline zijn, en laat er nou van hem onlangs een berg ongepubliceerd materiaal opgedoken zijn die zijn werk en persoon weer helemaal terug in de belangstelling kan brengen.

Over de persoon Céline is geen discussie mogelijk: hij was fout. En zijn overtredingen bevonden zich niet op het wat schimmige terrein van seksuele omgangsvormen (hoewel hij ook op dat gebied volgens de huidige normen wel niet hoog gescoord zal hebben). Bij hem waren het opvattingen die heel erg fout waren en die hij ook heeft gepubliceerd, waarmee ze een permanente schaduw werpen over het werk waarmee hij beroemd en geliefd is geworden.

Nadat hij zijn meesterwerken had geschreven ontpopte Céline zich als een uitgesproken antisemiet, in pamfletten waarin hij net als een zeker hedendaags warhoofd zelfs de Jodenvervolging bagatelliseerde. Frankrijk vervolgde hem na de oorlog waarin die pamfletten verschenen wegens collaboratie – dat hem zwaarder werd aangerekend dan zijn antisemitisme, dat in Frankrijk altijd al wijd verspreid was en dat tot op heden helaas nog steeds is – maar gaf hem na een paar jaar zijn vrijheid terug vanwege zijn literaire verdiensten.

Nu onlangs al dit onbekende werk is opgedoken ben ik wel benieuwd naar de discussie die vast weer zal oplaaien. Want als zoveel kunstenaars en andere beroepsgroepen worden kaltgestellt wegens hun levenswandel kun je je afvragen wat de wereld aan moet met een schrijver die een van de grootste misdaden in de geschiedenis met dezelfde pen heeft verdedigd als waarmee hij dat geliefde werk heeft geschreven. De vraag is: kun je twee van de grootste literaire meesterwerken van de twintigste eeuw – want dat zijn Voyage au bout de la nuit en Mort à créditcancelen?

Het teruggevonden werk betreft volgens de Volkskrant 1 kuub papier die Céline in zijn huis in Montmartre achterliet toen hij met zijn vrouw en de kat naar Denemarken vluchtte om aan de bevrijders van Frankrijk te ontkomen. In zijn biografie van Céline vertelt Frédéric Vitoux dat ze ‘grote stukken van Kanonnevoer, De legende van koning Krogold en verschillende versies van Guignol’s Band’ op hun vlucht meenamen, maar volgens het artikel zat hier ook nog een volledige, nooit gepubliceerde roman tussen, zeshonderd vel van een andere, en een manuscript van Mort à crédit. Ik kan niet wachten om het allemaal te (her)lezen.

Hoe het mogelijk is dat iemand met zulke moreel verwerpelijke denkbeelden zulke geweldige boeken kan schrijven, begrijp ik ook niet. Maar wat ik las toen ik hem op mijn zeventiende ontdekte, leek voort te komen uit een woede en benauwenis die ik herkende en die ik tot op dat moment nog niet in de literatuur had aangetroffen. Hij verwoordde emoties die ik zelf nog niet kon uitdrukken. Maar het was veel meer dan herkenning. De waarde van zijn werk ervan zal altijd overeind blijven, de literatuur van de twintigste eeuw is ondenkbaar zonder Céline. Ik hoop dat heel veel adolescenten hem nog gaan ontdekken en dat het ook hen lucht geeft.

Het enige wat je er volgens mij over kunt zeggen is dat mensen die zelf niet zo heel groot zijn toch grote kunst kunnen maken, zelfs mensen die hele verwerpelijke dingen doen en zeggen. Maar het werk zelf blijft onaantastbaar door wat de maker ervan heeft aangericht.

De lieflijkste plek op aarde

Onlangs heb ik eindelijk een bezoek gebracht aan het Nietzsche-Haus. Dat staat in Sils-Maria, de magische plek waar ik al naartoe wilde sinds ik – een half mensenleven geleden – met zijn werk in aanraking kwam. Nietzsche beschouwde dit dal en de omliggende bergen als zijn eigenlijke thuis, zijn persoonlijke Shangri-La waar hij tot zijn meest diepzinnige gedachten kwam en waar hij enkele van zijn belangrijkste werken heeft geschreven.

Lopen is denken en volgens Nietzsche kun je dat ook omkeren. Hij vertrouwde gedachten die niet im Freien geboren sind niet en als je hier loopt snap je waarom dit het ideale landschap voor zijn filosofie was. Het dorpje ligt tussen twee langgerekte meren – Sils en Silvaplana – waar je omheen kunt lopen zonder te hoeven opletten waar je je voeten neerzet omdat het pad vrij vlak is. Je kunt je daardoor volledig in het decor verliezen, de magnifieke Zwitserse bergen die het dal omringen. In het onderste Silser Meer steekt een schiereilandje, Chastè, waarover Nietzsche droomde er een huis voor zichzelf te laten bouwen, lang voordat er de godganse dag toeristen zoals ik rond keutelden. De meesten onder hen komen overigens niet om zijn herinnering te eren, al is er wel een plaquette op een rots met een gedicht van hem: Alle Lust will Ewigkeit. Buiten dit en het Haus zelf herinnert alleen de zogenaamde ‘Zarathustra-rots’ nog aan Nietzsche, een opvallend piramidevormig gesteente waar hij op de gedachte van de ‘eeuwige wederkomst’ kwam (die volgens mij betekent dat we zijn voorbestemd het leven op aarde tot in de eeuwigheid telkens op exact dezelfde manier te blijven herhalen, een soort Groundhog Day maar dan zonder de mogelijkheid om het bij iedere volgende keer beter aan te pakken).

Ik probeer me voor te stellen hoe het eruit gezien moet hebben: Friedrich Nietzsche, lopend. Hij moet een schrikwekkende verschijning zijn geweest. Om zijn overgevoelige ogen te beschermen tegen het zonlicht en de elektriciteit in de wolken droeg hij buiten een enorme groene bril en dan daaronder ook nog die buitenproportionele snor. Niet iemand die je makkelijk aanspreekt. Achter dat vreemde voorkomen ging een verlegen en uiterst zachtaardige man schuil. Hij had ook veel stoere woorden over vrouwen, in werkelijkheid was het zijn romantische verheerlijking van hen die voorkwam dat hij ooit een liefdesrelatie heeft gehad. Voor hem was dat tragisch, maar de mensheid heeft er baat bij gehad. Een huwelijk had waarschijnlijk een eind gemaakt aan zijn rusteloosheid en aan de eenzaamheid waarin zijn meest gedurfde gedachten ontstonden.

Tussen 1881 en 1889 bracht Nietzsche de zomers hier door, op de lieflijkste plek op aarde. In het hooggebergte hoopte hij de ideale klimatologische omstandigheden te vinden voor zijn gestel, althans volgens de medische inzichten van die tijd. Hij leed zijn hele leven onder allerlei fysieke kwellingen, waaronder migraine en een geleidelijk verlies van visuele vermogens, wat hem uiteindelijk bijna volledig blind maakte. Hij genas nooit, de migraines bleven en zijn ogen bleven achteruitgaan. Uiteindelijk verloor hij ook zijn geestelijke vermogens en de laatste tien jaar van zijn leven werd hij verzorgd door zijn zuster, een kwalijke onbenul die niets begreep van zijn werk en zijn nalatenschap misbruikte ter meerdere eer en glorie van haarzelf en haar fascistische vrienden. Het heeft decennia geduurd voordat zijn werk van dit stigma kon loskomen.

Het voelt pretentieus om te zeggen dat de gedachtevluchten van een dergelijk genie van invloed zijn geweest op je eigen aardse geploeter, maar zijn boeken hebben me denk ik wel geholpen mezelf te bevrijden van allerlei zaken die me benauwden toen ik opgroeide. Hij kwam voor mij op het juiste moment en daarom wilde ik hem eer betonen door deze plek te bezoeken.

Nescio in India

Het gevaar van biografieën lezen is dat je helden van hun voetstuk vallen. En helden zijn schaars, dus daar moet je heel zuinig mee zijn. Toch wint de nieuwsgierigheid het meestal uiteindelijk, hoewel het niet altijd nieuwsgierigheid is waardoor je een biografie gaat lezen. Vaak is het ook een verlekkerd soort teruggaan naar iets wat je al in zijn geheel hebt geconsumeerd, zoals sommige mensen voor de derde keer alle afleveringen van Seinfeld of Friends bekijken. Het is op, maar je hebt nog niet genoeg gehad. Je hebt alle boeken gelezen, alle platen geluisterd, alle films gezien, maar het is te mooi, je wilt meer!

Over Nescio durf ik eigenlijk niet te schrijven, maar laat ik het proberen: hij kon als niemand anders het goddelijke in niet alleen de natuur maar in al het ‘zijndein taal vangen. alsmede het menselijke verlangen naar het goddelijke en zuivere in zichzelf (dit kan dus zo in een stichtelijk werkje uit de jaren dertig). Simpeler gesteld: zijn boeken zijn volgens mij het allermooiste wat er in de Nederlandse taal is geschreven. Hij is nergens mee te vergelijken en ook daardoor trouwens onvertaalbaar.

Het leven van Nescio was, niet geheel onverwacht voor wie met zijn werk vertrouwd is, een beetje saai. Net als Kafka is hij zijn hele leven min of meer op één plek gebleven en werkte hij op een kantoor. Heel anders dan Kafka was hij getrouwd met een geweldige vrouw die hem in al zijn eigenaardigheden ondersteunde en had hij een paar dochters. Zijn bazen stonden hem toe gedurende langere periodes aan de geestdodende atmosfeer op kantoor te ontsnappen als hij die niet meer volhield. Met de diagnose zenuwlijder op zak mocht hij dan een tijdje door het land zwerven. Over die tochten schreef hij in zijn schitterende natuurdagboek, dat door Lieneke Freriks (die ook de biografie heeft geschreven) werd bezorgd in het verzameld werk, samen met alle officiële publicaties en nagelaten werk.

Tegenover zijn intense liefde voor het Nederlandse cultuurlandschap stond – zo blijkt nu uit de biografie – dat hij niet bepaald oog had voor de schoonheid van andere landschappen, zoals het Indische, waar hij in 1925 naartoe werd gestuurd op zakenreis. Hij vond het er vooral vies en stoffig en in zijn brieven naar huis klinkt nogal wat afkeuring van veel wat anders is dan thuis. En helaas blijft het niet bij die milde xenofobie. In een onthutsende brief uit Calcutta beschrijft hij een tafereel met naakte Europese vrouwen en een ‘inlander’ op een schilderij dat hij in het herenhuis van een Raja had gezien en eindigt hij met: Mijn afkeer voor inlanders is nu compleet, ik voelde iets door mijn hele lichaam, ik voelde mij zelf vernederd en had er graag een neergeslagen en getrapt, maar ik durfde niet. Iets van datzelfde voel ik in Europa ook als ik een Jood met een Europees meisje zie. Europeanen die ik niet zou aankijken, zie ik nu met plezier. Ik zal blij zijn als ik dat zoodje niet meer om me heen heb.

Je wordt er koud van als je het leest en helaas is dit niet de enige passage waarin hij zich zo uitlaat over dit soort onderwerpen. Het is verschrikkelijk en ook niet te relativeren door het in zijn tijd te plaatsen. Vergelijk dit eens met iemand als Slauerhoff, die in dezelfde tijd leefde als Nescio en bijna een tegenovergestelde houding had. Kennelijk is dit de keerzijde van de liefde van Nescio voor zijn thuisland en zit er ergens in die liefde een eng soort nationalisme verscholen dat andere culturen wantrouwt.

Lieneke Freriks schrijft na deze passage Dit is wel even schrikken en wijst erop dat er in de rest van Nescio’s nalatenschap in ieder geval geen andere vormen van antisemitisme zijn aan te wijzen. Dat scheelt, maar liever had ik dit soort dingen nooit geweten en zou ik het op een plek willen begraven waaruit het nooit meer tevoorschijn komt, omdat ik de Nescio van voordat ik dit las niet wil missen.

Escher in het paradijs

I usually just give up on a painting. I don’t finish it.” zei de Amerikaanse hyperrealist Richard Estes ooit. Als het doel van kunst de meest realistische weergave van de werkelijkheid zou zijn (is het natuurlijk niet) was hij misschien de beste schilder ter wereld, maar ook voor hem bleef perfectie dus onbereikbaar. Ik vind dit soort schilderijen (en andere realistische kunst, de boeken van Updike bijvoorbeeld) erg bevredigend en veel werk van andersoortige realisten (magisch realisten, surrealisten) als Willink en Escher eigenlijk ook nog steeds en het kan me niet schelen als echte kenners hier hun neus voor ophalen (waarom noem ik ze dan?) De ‘visie’ van Estes zit in zijn onderwerpkeuze, hij maakt snapshots van de werkelijkheid die hij ook eerst fotografisch vastlegt, waarna hij ze op zijn atelier naschildert, net als Breitner bleek te doen (die daar wél heel geheimzinnig over deed, maar Breitner is ook geen realist). Estes en Escher zijn allebei virtuoos ambachtelijk, Escher was echter geen schilder maar een speelse graficus wiens vondsten niet ‘resoneren’ zoals die van Magritte: hij was iemand wiens werk niet meer naar waarde kan worden geschat, omdat het alleen de eerste keer dat je ermee wordt geconfronteerd echt effect heeft. Daarom was ik ook zo blij dat ik erbij was toen mijn destijds achtjarige dochter ze voor de allereerste keer zag en er totaal verrukt over was. Want als ik schrijf dat ik dit soort werk ‘nog steeds’ mooi vind, is dat omdat je in het kijken naar dit soort schilderkunst de blik van een kind nodig hebt om weer de magie ervan te zien.

Effe krijten Marco

Die heerlijke omhaal van Van Basten die je nog steeds langs ziet komen in de overzichten van mooiste doelpunten aller tijden, die ene die nog steeds in de leader van Studio Sport zit, daar was ik bij. Sterker nog, ik stond er dichterbij dan wie dan ook in het stadion, op de spelers na. Mijn vriend Arie had een seizoenskaart voor de Meer in het schitterende seizoen ’86-’87, toen het allemaal weer begon en het Nederlandse voetbal uit zijn as herrees, wat voor een heel groot deel te danken was aan Johan Cruyff, die toen voor het tweede jaar trainer van Ajax was. Ik ging regelmatig met hem mee, voor tien gulden mocht je achter de afrastering achter een van de doelen staan. Door de radicale aanvalstactiek die Cruyff had verzonnen betekende dat dat je één helft lang de actie vlak voor je neus had en de andere helft alles van veraf moest bekijken. Het eenrichtingsvoetbal resulteerde doorgaans in een doelpuntenregen. Op die dag tegen Den Bosch moesten we echter met een schamele 3-1 genoegen nemen. In mijn herinnering ben ik dat seizoen getuige geweest van de debuten van een hele generatie geweldige voetballers, die daarbij in hun eerste wedstrijd ook nog allemaal scoorden, zoals dat in die tijd gebruikelijk was bij Ajax. Brian Roy, Johnny Bosman, Rob en Richard Witschge, Van ’t Schip, Dennis Bergkamp (toen nog rechtsbuiten), Aron Winter (ik kan uitzoeken of mijn herinneringen wel helemaal kloppen, maar dat ga ik niet doen).

Er hing een magische sfeer in het stadion en een enorme samenhorigheid, blijdschap ook nog steeds omdat Jopie terug was, al was het dan niet meer als voetballer. Die ene keer dat Cruyff een bal die over de zijlijn was gegaan terug het veld in trapte en het hele stadion juichte alsof hij een beslissend doelpunt had gescoord: voetbalhumor. Als Van Basten sporadisch een keer een kans miste: “Effe krijten Marco”. Het “Oeoeoeoe….” uit alle kelen als de reusachtige Ronald Spelbos – de enige verdediger die mocht meedoen van Cruyff – op de doorgebroken spits van de tegenpartij afstormde (ik zweer je dat de tegenstander uit pure angst de bal liet lopen en niet wist hoe snel hij weer terug moest rennen naar zijn eigen helft).

Het is een onbeschrijfelijk mooi doelpunt. Het leek wel alsof hij zweefde, alsof hij even stil hing in de lucht.

Ik ben één keer beelden tegengekomen waarop Arie en ik te zien zijn, zodat ik weet dat ik het niet gedroomd heb. Op de meeste staan we niet omdat de camera’s aan de kant van de dug-out stonden en wij op de rand van de zestien, exact ter hoogte van Marco. Het is vlak na het doelpunt. Een uitzinnig publiek springt en schreeuwt en danst van vreugde op de tribunes en daarvóór zie je vlak achter het hek twee heren staan met iets te hoge voorhoofden en lange zwarte jassen, die verder onbeweeglijk (maar verre van onbewogen) staan te applaudisseren, zoals het hoort bij ballet.

Carrière maken

Een vriendin maakte zich kwaad over de kansenongelijkheid tussen man en vrouw, met name die in het verleden, toen zijzelf nog een jonge moeder was. Niet omdat zij zich er zelf door van had laten weerhouden om naast het moederschap ook een professionele carrière te hebben en ook niet omdat haar man geen volwaardige rol had gespeeld in het grootbrengen van hun kinderen – er was bijvoorbeeld ook een periode in hun leven geweest dat hij voor de kinderen had gezorgd terwijl zij alleen voor het inkomen zorgde. Maar dat betekent natuurlijk niet dat die ongelijkheid er niet wel degelijk was: vrouwen werden ooit geacht thuis te blijven en voor de kinderen te zorgen. Ik reageer daar natuurlijk weer compleet fout op door er vrolijk uit te gooien dat het toch heerlijk is om de hele dag bij je kinderen te zijn en niet naar een kantoor of iets dergelijks te hoeven waar je je ziel moet verkopen aan een baas terwijl buiten de zon schijnt. Toen ik ook nog beweerde dat het huishouden ook weer niet zo veel voorstelt en in het niet valt bij die acht uur op dat k…kantoor waren de rapen gaar. Het probleem is dat ik bijna helemaal reageer vanuit mijn eigen situatie, waarin ik met plezier het carrière-maken heb opgegeven om voor mijn (enige) dochter te kunnen zorgen in de tijd dat ze bij me was (wat me tenminste nog vrijwaart van de beschuldiging van appropriation). Wat er mis was aan mijn reactie was ten eerste dat ik ook daarvoor nooit carrière had gemaakt en vergeet dat dat voor veel mensen een belangrijke mogelijkheid tot zelfontplooiing is en ten tweede dat er wel een verschil is tussen één kind grootbrengen, al is het dan grotendeels alleen, of drie, zoals mijn vriendin. Aan de andere kant is ook het ongetwijfeld tijdrovende concept van ‘een gezin draaiende houden’ – dat ik zelf alleen ken van horen zeggen – ook een keuze die zijn beloningen in zich bergt die offers rechtvaardigen (maar natuurlijk wel van beide partners).

Misschien ligt de oorzaak van ons wederzijds onbegrip in wat zij op het laatst zei en waarmee ze me de kans wilde geven weg te komen met mijn gebrek aan empathie (want zij is te beschaafd om mij op dezelfde manier in een hoek te drijven als ik haar), dat het vooral het gebrek aan erkenning was dat de maatschappelijke situatie voor vrouwen zo frustrerend maakte. Waar ik natuurlijk weer tegen inbracht dat je boven het streven naar erkenning moet uitstijgen, vergetend dat je niet kunt uitstijgen boven iets wat je door anderen wordt onthouden.

Wraak bestaat niet

Ik vraag me af of je pijn en verdriet kunt verwerken door er kunst van te maken. Het verbaasde me dat Philip Roth aan het eind van zijn leven – nadat hij al had aangekondigd met schrijven te stoppen – voor de zoveelste keer aan een verhaal over zijn relatie met Claire Bloom begon, deze keer niet in een literaire vorm maar een feitelijke beschrijving (van zijn versie) ervan, met de kennelijke bedoeling om die van haar in haar memoir Leaving a Doll’s House punt voor punt te weerleggen. Hij kon zich kennelijk maar niet neerleggen bij het onrecht dat hem (naar zijn mening) door haar was aangedaan. Gelukkig heeft zijn omgeving hem ervan kunnen overtuigen dit heilloze idee los te laten. Het lijkt vrij letterlijk deerniswekkend dat zo’n briljant iemand zich na zoveel jaren nog steeds niet heen kan zetten over het vermeende onrecht dat hem is aangedaan door iemand waar hij verder geen enkele emotionele band meer mee lijkt te hebben. En het gaat hem kennelijk niet om de reputatieschade die hij door haar geleden zou hebben. Hij wil simpelweg zijn gelijk halen, na al die jaren nog. Zijn obsessie kan terug te voeren zijn op het trauma van zijn eerste echtgenote en het onrecht dat die hem had aangedaan (toen hij er eindelijk in geslaagd was dit huwelijk in fictie om te zetten, barstte hij in tranen uit, “I did it, I did it” stamelend). Literatuur als kunstzinnige therapie.

Misschien ontstaat veel kunst uit leed en ontbering of machteloosheid, maar het lijkt me twijfelachtig dat je er persoonlijke rekeningen mee kunt vereffenen. Aan wraak heb je niks, het bestaat niet.

Theme Time Radio Hour

In de podcast Bobcast die Chris Kijne en Lars Hulshof een jaar lang in de aanloop naar Dylan’s tachtigste verjaardag (vandaag) hebben uitgezonden, wordt zijn radioprogramma maar een paar keer een beetje lacherig genoemd en je kunt je niet aan de indruk onttrekken dat ze niet zo goed weten wat ze ermee aan moeten. Dat is heel jammer, wat mij betreft hadden ze tenminste één hele aflevering mogen besteden. Misschien is het probleem dat het programma zich niet goed leent tot exegese, een aangenaam tijdverdrijf waar Dylan’s werk en persoon ongeveer evenveel aanleiding toe lijken te geven als de Bijbel.

Theme Time Radio Hour (‘with your host Bob Dylan’) is een radioshow die Dylan tussen 2006 en 2009 maakte. In 102 afleveringen van meestal een uur draaide hij daarin een uitermate gevarieerde en eclectische selectie liedjes uit de gehele muziekgeschiedenis. Elke aflevering was gegroepeerd rond een thema, zoals Food, Time, Sleep, Weather, Something, Nothing, en alle liedjes hadden het gekozen thema in hun titel. Dat klinkt ongelofelijk onbenullig en daar kwam nog bij dat Dylan in de verbindende teksten klonk als een radio-dj uit de jaren vijftig. Hij sprak met een soort southern slur – het was nog voor zijn raspfase, toen zijn stem niet aangenaam was om naar te luisteren –, articulerend alsof hij moeite had woorden met meer dan twee lettergrepen uit te spreken. De meeste liedjes dateerden nog van voor zijn eigen begin als folkzanger, hoewel er ook genoeg tussen zit van Tom Waits, The Clash of Elvis Costello, om wat te noemen. Bij mij zijn er best wat luikjes opengegaan tijdens het luisteren, want veel van de muziek die hij draait geeft zich pas prijs als je er bewust naar luistert, bevrijd van het patina van gedateerdheid waar ze na decennia van muzikale ontwikkelingen onder bedolven zijn geraakt. Maar wat de show vooral zo heerlijk maakt en waarom ik alle 102 afleveringen dit jaar voor een derde keer aan het beluisteren ben, zijn Dylan’s teksten. Nee, niet Visions of Johanna of The Times They Are a-Changing: de verbindende teksten tussen de nummers. Dylan vertelt daarin achtergrondverhalen over de liedjes en de teksten, en daarnaast geeft hij informatie. Die informatie kan bestaan uit weetjes of anekdotes rond het thema en ook leest hij heel veel opsommingen op: gaat de show over fruit, dan noemt hij een heleboel soorten fruit. Al die interessante informatie wordt vaak hoorbaar en schaamteloos ontleend aan Wikipedia. Daarnaast vertelt Bob anekdotes uit zijn eigen leven, vertelt moppen, deelt recepten en huishoudtips en declameert gedichten van anderen. Je krijgt een totaal onverwachte kant van Dylan te horen, een waarmee hij alle loodzware ernst waarmee zijn persoon wordt benaderd effectief onderuithaalt. Er is een aflevering waarin hij ons laat horen hoe een blokfluit klinkt door als een beginner stuntelend en vals een wijsje voor te spelen waarin je na enige tijd met moeite Blowin’ in the Wind herkent. Ik word er heel vrolijk van en je kunt het allemaal online beluisteren.