
Laatst zei een vrouw me dat ze ooit in de Van Swindenstraat in Den Haag had gewoond. Ik had haar tijdens een date verteld dat ik in Den Haag was geboren omdat we ons in die stad bevonden, in De Zwarte Ruiter om precies te zijn, en ze vroeg waar. Dit soort triviale data passeert soms de revue tijdens een eerste date, want dat was het.
De Van Swindenstraat is een straatje van niks en ik weet vrijwel zeker dat mijn ouders, mijn zus en ik de enigen zijn die er wat betekenis aan hechten dat ik daar ben geboren en dat vind ik begrijpelijk. Maar nu ik oog in oog bleek te zitten met iemand die er ook had gewoond (weliswaar in een geheel ander tijdperk want de vrouw was tien jaar jonger dan ik en ruimschoots volwassen toen ze er woonde, dus het zal ergens in de jaren negentig zijn geweest), deed me bijna achterovervallen van verbazing en nu zit ik me achteraf te verbazen over die verbazing.
“Maar daar ben ik geboren! Ik ben geboren in die straat! De Van Swindenstraat! Ben ik geboren! Van Swindenstraat!!!”
Ik weet niet helemaal zeker of ze mijn enthousiasme kon delen. Ik vermoed dat ze heel vriendelijk en met vanuit haar perspectief gepaste verrassing reageerde, maar ik was te opgewonden over de mededeling om haar reactie te registreren.
Maar waarom? Het was destijds een deprimerende achterbuurt en ik denk dat ik opgelucht was toen we op mijn zesde verhuisden naar een iets veiligere buurt. Het is niet zo dat ik er goede herinneringen aan heb.
Misschien was het het plotselinge besef dat er na mijn ouders, mijn zus en ikzelf nog andere mensen hebben gewoond op een plek waarvan ik dacht dat hij nog slechts bestond in mijn herinnering, waarvan ik dacht dat hij uit niets anders bestond dan herinneringen. Een plek die ik ondanks alles dolgraag weer even zou willen ervaren zoals het destijds vanuit mijn kleuterperspectief was.
Natuurlijk heb ik weleens uit nostalgische overwegingen door de buurt gelopen, ik woon er niet ver vandaan en als ik wil kan ik er binnen drie kwartier zijn. Want hij is er nog gewoon, opgeknapt en opgeruimd, maar verder niet heel anders. De laatste keer stond het huis leeg en kon ik vanaf het slopje naar binnen kijken in de kamer waar ik ooit ter wereld ben gekomen. Maar het voelde aan als decor: ik kon het letterlijk aanraken, maar ik kon het niet aanraken.
Dat ik nu voor het eerst werd geconfronteerd met iemand van buiten mijn gezin wier bestaan zich tegen dezelfde achtergrond had afgespeeld – die ooit mijn gehele universum was waarbuiten niets anders bestond – bood me op een of andere manier een blik in een andere dimensie waarin het feit dat ik daadwerkelijk ben geboren en een kind ben geweest opeens diepte kreeg. Niet dat ik twijfel aan mijn bestaan – althans niet meer dan the next guy – maar kennelijk doordat iemand anders het begrip Van Swindenstraat uitsprak als een reële entiteit, een ervaringsfeit, leek mijn eigen verhaal erover een stuk geloofwaardiger te worden.
De Van Swindenstraat is niet heel lang, maar bestaat wel uit meerdere blokken, en toen ik enigszins bekomen was, vertelde ik de vrouw waar ons huis precies had gestaan – en dus nog staat –, namelijk op de hoek van het slopje. Ze vroeg wat een slopje was en ik mansplainde haar dat slopje een oude benaming is voor een doodlopende steeg, wat deze echter niet deed omdat hij rondliep achter het huizenblok en weer terugkwam bij de straat (het was er wel vies en donker zoals het een steeg betaamt).
“Daar woonde ik,” zei ze, “aan dat steegje”. “Aan het slopje? Aan het slopje??? Ik ook! Daar ben ik geboren! Het slopje! Dáár ben ík gebóren! Aan het SLOPJE!!!”
Enfin, tussen ons is het uiteindelijk niks geworden. Maar ik schijn dus wel echt te bestaan.
