Vertaalprojecten

Henry Green – Party Going

Nathanael West – Miss Lonelyhearts

Malcolm Lowry – Letters

John Updike – My Father’s Tears

Zadie Smith – The Ambassador of Cambodja


Henry Green komt met een bijsluiter*. Een vertaling moet natuurlijk altijd op zichzelf kunnen staan, maar hier is een voorzichtige waarschuwing op zijn plaats, namelijk: in het origineel staat het er ook echt allemaal zo. Greens stijl is erg onorthodox en voor veel lezers te obscuur. Als je je echter niet laat afschrikken door zijn eigenaardigheden biedt hij je een unieke leeservaring. Zijn werk verdient het dan ook om eindelijk in Nederland opgemerkt te worden, maar dan wel uitdrukkelijk in de vorm die hij er zelf aan gegeven heeft. In mijn vertaling heb ik bewust elke verleiding weerstaan om zijn stijl te normaliseren of glad te strijken – een begrijpelijke aanvechting die de meeste eerdere pogingen om zijn werk in andere talen over te zetten tot dusverre mislukt en overbodig hebben gemaakt. In schrijver en vertaler Tim Parks’ essay Translating Style wordt een dergelijke mislukte poging op boeiende wijze vanuit het vertalersperspectief geanalyseerd. Dezelfde Tim Parks schreef mij toen ik hem had laten weten dat ik Party Going aan het vertalen was dat ‘getting Green’s Party Going into Dutch would be about as important as getting Reve’s Evenings into English´.

Dit is het eerste deel van Party Going.

Feesten

Mist was zo dicht, vogel die werd verstoord vloog pardoes tegen een balustrade en viel langzaam, dood, neer aan haar voeten.

Daar lag het en juffrouw Fellowes keek omhoog naar waar die nevelsluier zes meter hoger was en waaruit hij was gevallen en één keer om zijn as draaide. Ze boog voorover en pakte een vleugel, ging toen een tunnel in die voor haar lag en die had VERTREKKEND verlicht erboven, met haar dode duif in haar armen.

Niemand lette op haar, allen waren doelgericht op weg en iedereen haastte zich, niemand keek om. Haar dode duif lag toen opzij, met zijn vleugels gespreid hield ze hem vast, zijn dode kopje omlaag hangend naar de grond. Ze keerde om en ze ging terug naar waar hij was gevallen en keek weer omhoog naar waar hij moest zijn doodgegaan want hij was nog warm en keerde, alles onopgehelderd, weer terug de tunnel in naar het station.

Ze dacht dat hij wel vuil zou zijn met al die mist en vroeg zich af of het niet zou kunnen, nu hij dood was, dat hij vlooien had en dat die op de veren van zijn hoofd tevoorschijn zouden komen maar ze wilde liever niet kijken omdat er misschien bloed was. Ze herinnerde zich dat ze dat had gezien bij oren van konijnen als die waren doodgeschoten en ze herinnerde zich dat zwaluwen van alle vogels de meeste ongedierte hadden – waardoor zal hij zijn doodgegaan vroeg ze zich af en besloot toen dat hij moest worden gewassen.

Terwijl juffrouw Fellowes zich zonder haast een weg baande en uiteindelijk onder een enorm, glazen overwelfsel aankwam – en hier kruisten mensen gehaast haar pad en vlogen aan alle kanten langs haar heen – kwamen juffrouw Crevy en haar jongeman buiten aanrijden en werden bij het uitstappen ook meteen deel van al die beweging. En dat had zijn effect op hen, want als zij ook zo’n tunnel moesten trotseren om te komen waar ze moesten zijn dan zou je hen geen dode vogels zien oprapen en er vervolgens kalmpjes mee verder lopen. Juffrouw Crevy had hoedendozen en tassen en waar haar jongeman alleen maar mee was om haar weg te brengen en haar kwalijk te nemen dat ze ging en waar juffrouw Fellowes niets meer hoefde te doen dan haar nicht te kussen en uit te zwaaien, moest juffrouw Angela Crevy kruiers zoeken en Evelyn Henderson te pakken krijgen, die ook ging en die alle kaartjes bij zich had.

Mensen kwamen toen dus overal vandaan en waren onderweg naar het station.

Van hun gezelschap waren er nog twee aangekomen die net als juffrouw Fellowes alleen maar afscheid kwamen nemen; twee nanny’s gekleed in graniet met zwarte strohoeden en wit haar. Ze gingen net naar beneden in het midden van een open ruimte en die trap had DAMES verlicht erboven.

Ondertussen zei juffrouw Crevy’s jongeman:

‘Deze kruier hier zegt dat de mist buiten verschrikkelijk is, Angela schatje.’ Daarna zei hij dat alle kruiers het erover eens waren dat er die avond geen treinen meer zouden vertrekken, het was nu half vijf, het zou al snel donker worden, dan werd het nog slechter. Maar ze zei nu ze een kruier hadden zou het dom zijn om weer weg te gaan en ze moest sowieso nog eerst de anderen zien. Daarbij wist ze dat Robin niet wilde dat ze ging en hoewel haar dat niet interesseerde, vroeg ze zich af hoe graag hij wilde dat ze bleef. Hoe dan ook, niets op aarde zou haar kunnen tegenhouden. Hun kruier deed toen moeilijk en wilde niet meekomen; hij was slechts bereid haar spullen in de wachtruimte te zetten, dus moest haar jongeman, Robin, hem een fooitje vooraf geven en uiteindelijk gingen ook zij dus naar onder in een van die tunnels.

Terwijl zij ondergronds afdaalden, vijftig treden af, zagen die twee nanny’s onder zich een kwart-geopende deur en daarachter, in elektrisch licht, een andere oude vrouw die de beheerder van deze gelegenheid moet zijn; het had wel een zuster van hen kunnen zijn, die de trap opkeek naar hen. Toen zij beneden aankwamen, keek de vrouw over haar schouder achter zich en daarna weer terug naar hen.

Want juffrouw Fellowes, zoals zij al snel zagen, had haar mouwen opgestroopt en op het nu vuile water met een paar dunne sliertjes bloed erin, veren volgezogen en zijn kopje naar opzij, ondergedompeld langs een vleugel, lag haar dode duif. Lucht er vlak boven was warrelig met wat waterdamp, want zij deed wat zij vond dat zij moest doen met heet water, waardoor haar vingers dezelfde kleur kregen als zijn pootjes en bloed.

Geen woord werd gewisseld. De toiletjuffrouw keek naar de twee nanny’s die in een hoek stonden. In haar ene hand omklemde zij haar fles Lysol, haar andere zat in haar zak en bevatte een muntje van twee shilling dat juffrouw Fellowes haar had toegestoken. Zij fluisterde hen toe:

‘Ze is zo klaar,’ en keek weer om naar haar trap, bang dat er nog meer getuigen zouden aankomen. 

Op dit moment was de heer Wray aan het vertellen hoe zijn nicht juffrouw Julia Wray en gezelschap per boottrein zouden reizen en ‘Roberts,’ zei hij over de telefoon, ‘ga naar het kantoor van de stationschef, ok, en zeg hem naar haar uit te kijken.’ De heer Wray was een manager van het spoor. De heer Roberts zei dat zij heel graag naar juffrouw Wray zouden uitkijken en dat zij ten alle tijden met alle genoegen de heer Wray van dienst zouden zijn. De heer Wray zei ‘Dat komt dan in orde’ en verbrak de verbinding net toen meneer Roberts wilde gaan uitleggen hoe dicht de mist was, plaatselijk niet helemaal tot aan de grond maar een paar kilometer verderop was het erger dan ooit: ‘ondoordringbaar, meneer Wray – och, hij heeft blijkbaar opgehangen.’

‘Wat ik nu wil is wat bruin papier en een eindje touw,’ zei juffrouw Fellowes nogal resoluut en al wat die toiletjuffrouw kon uitbrengen was, ‘Mijn hemel.’ Niet zo hard genoeg dat juffrouw Fellowes het kon horen; het was vanwege die twee nanny’s dat zij bezwaar maakte, niet beseffend dat zij juffrouw Fellowes kenden, de zuster van een van hun werkgevers. Zij zeiden niets terug. Zij waren niet van plan weg te gaan omdat het dan net zou lijken alsof zij in verlegenheid waren gebracht door wat zij zagen, spreken konden zij niet omdat er niet tegen hen was gesproken, evenmin konden zij zich uitspreken tegenover deze toiletjuffrouw uit loyaliteit aan families waar zij voor hun levensonderhoud afhankelijk van waren en waar juffrouw Fellowes onderdeel van was.

En omdat juffrouw Fellowes vond dat het iets persoonlijks was wat zij deed en het vervelend was dat zij daar waren, want zij zag wie zij waren, negeerde zij hen toen zij naar buiten ging en het zou niet juist zijn voor hen om naar haar omhoog te kijken.

Nu voelde juffrouw Fellowes zich niet lekker, dus toen zij bij de bovenste van die traptreden aankwam, rustte zij daar uit tegen een trapleuning. Juffrouw Crevy en haar jongeman kwamen langs, juffrouw Fellowes zag hen en zij zagen haar, zij aarzelden en toen begroetten zij elkaar, juffrouw Crevy op bijzonder charmante wijze. Zou zij dan ook meegaan met deze reis, vroeg juffrouw Fellowes, zich ondertussen afvragend of zij niet alsnog zou flauwvallen, en juffrouw Crevy zei dat zij dat inderdaad zou doen en had juffrouw Fellowes de heer Robin Adams al ontmoet? Juffrouw Fellowes zei welk spoor was het, wist zij dat, waarop juffrouw Crevy’s jongeman hen onderbrak met ‘Daar zou ik me maar geen zorgen over maken, er zal de komende uren geen trein gaan met deze mist.’

‘Dus u gaat niet mee met het gezelschap?’ en terwijl zij dit zei klemde zij de leuning extra stevig vast en zei zij bij zichzelf dat zij het nu echt te pakken kreeg en als dat echt zo was zou zij dan achterover vallen en van die trap af en zij glimlachte flauwtjes terwijl zij op haar tanden beet. ‘Ach wat jammer,’ zei zij. Beneden staken die twee nanny’s samen hun hoofd naar voren om te zien of de kust vrij was maar toen zij zagen dat zij er nog steeds was, trokken zij die weer terug. En nu was juffrouw Crevy haar aan het vertellen wie er mee ging. ‘De Hignams,’ zij sprak het uit als Hinnem, ‘Robert en uw nicht Claire, Evelyn Henderson, die al onze kaartjes heeft, Julia, Alex Alexander en Max Adey.’

‘Is dat de jongeman waar ik de laatste tijd zoveel over hoor?’ zei zij en voelde zich toen nog beroerder. Zij bedacht dat als zij flauw zou vallen zij dat niet zou doen ten overstaan van deze onbeleefde jongeman en uit wanhoop keerde zij zich naar hem toe en zei zij: ‘Ik vraag me af, zou u zo vriendelijk willen zijn om dit pakket weg te gooien in de dichtstbijzijnde prullenbak.’ Hij pakte het aan en ging op weg. Zij voelde zich onmiddellijk wat beter, het begon wat te zakken en verlichting stroomde bij haar naar binnen met een gloed die haar onpasselijkheid verdreef.

‘Bedoelt u Max?’ vroeg juffrouw Crevy opgelaten.

‘Ja, hij lijkt wel overal te zijn, vindt u niet?’

Zij was weer bij haar positieven aan het komen en haar ogen maakten zich los van een vast punt net achter juffrouw Crevy en toen zij haar omgeving in zich opnam, merkte zij de heer Adams op, die terugkwam.

‘Wat vriendelijk van hem,’ zei zij en bij zichzelf dacht zij wat heerlijk dat het voorbij is, ik voel me weer best sterk, wat een afschuwelijke dag was dit en wat idioot om hier te zijn. ‘Dan zullen jullie niet met een even aantal zijn, toch, liefje?’

‘Nee, ziet u, niemand wist zeker of Max nu wel of niet zou meekomen.’

Daar zij hem nog niet had bedankt, bedacht Adams dat hij nog iets kon trachten te ontlokken aan deze oude vrouw, dus zei hij:

‘Ik heb uw pakket voor u weggebracht.’

‘Oh, heeft u er een bestemming voor gevonden, wat bijzonder vriendelijk van u. Zou u mij misschien willen aanwijzen waar u het heeft gelaten,’ en toen hij haar dit had aangewezen verontschuldigde zij zich en maakte zij zich van hen los met het verzoek aan juffrouw Crevy om Julia te zeggen dat zij later naar het perron zou komen. Toen zij eenmaal van hen af was, ging zij naar de plek die hij haar had gewezen en, deels omdat zij zich nu zoveel beter voelde, haalde ze haar dode duif ingepakt in bruin papier er weer uit.

Het voornaamste kantoordistrict van Londen lag om dit station heen en nu waren talloze mensen, mannen en vrouwen, nadat zij aan de weg naar huis hadden gedacht, begonnen te geeuwen, zich uitrekken, de zoveelste blik op hun horloge te werpen, dossiers op te bergen en registers af te sluiten, sommigen ondertekenden hun laatste brieven zonder terug te lezen wat zij hadden gedicteerd en likten enveloppen dicht waar zij daarvoor nog hun vingers zouden hebben bevochtigd en er de tijd voor zouden hebben genomen.

Nu kwamen zij naar buiten, alleen of in groepjes van drie, en nu kwam er een hele vloedgolf naar buiten en verspreidde zich her en der in de straten; maar waar het verkeer alle richtingen uit kon gaan, was er niemand op de been die niet op weg naar huis was en dat betekende voor de meesten naar het station. 

Terwijl de straten opzwollen onder deze donkere vloedgolf had je als je vanuit die mistsluier naar beneden had gekeken naar zes meter diepe nacht beschenen door straatlantaarns deze dichtbevolkte trottoirs evenzogoed voor kanalen kunnen aanzien. 

Terwijl die anderen allemaal in dezelfde richting liepen, stond het verkeer lange en vervolgens langere tijd bewegingloos. De mist kwam al tot aan de grond rondom Londen, er kwamen daar geen auto’s door zodat je als je je op twee kilometer hoogte had bevonden en er doorheen had kunnen kijken je je had kunnen verwonderen over verstopte hoofdwegen als dikke strepen en, op de trottoirs binnen een straal van drie kilometer rond dit station, voortkruipende wormen er aan beide kanten naast.

Alleen en in groepjes van drie kwamen zij het station binnen door die tunnels, waarna zij onder dat enorme glazen gewelf uitkwamen. Terwijl zij binnen dromden, dacht juffrouw Fellowes, die een kruier zocht om hem te vragen welk perron het hare was, dat alle kruiers waren vertrokken. Maar het geval wilde dat de paar die er nog waren zich net buiten haar gezichtsveld bevonden. 

Op dit moment was de heer Roberts, hoog en droog in zijn kantoor waar hij onder zich honderden kon zien, want zijn ramen zagen uit over het station, aan het telefoneren om politieversterking. ‘Er zijn hier nu enkele honderden, meneer Clarke,’ zei hij, ‘binnen een kwartier zullen het er van honderden duizenden zijn geworden. Men zei me dat er geen bussen rijden en dat “dit zo’n avond is dat u blij zult zijn dat u boven uw werkplek woont,” ‘ zei hij. Toen spraken zij een tijdje over wie dit allemaal moest betalen – daar spoorwegmaatschappijen hun eigen politiekorps moeten beheren – en vermaakten zij elkaar met het citeren van staatswetten.

Eén tussen talloze anderen dus toen zij haar ooms huis had verlaten, vertrok juffrouw Julia van waar zij woonde met de mededeling dat zij liever ging lopen. Met al die mist was zij er zeker van dat zij eerder bij het station zou zijn dan haar bagage.

Toen zij naar buiten stapte in deze duisternis van mist daarboven en zij warme kamers met schellen en bedienden achter zich liet en haar oom die een van meneer Roberts managers was – een rijke belangrijke man – verloor zij haar naam en werd zij in een klap anoniem; als zij niet haar dure jas aan had gehad, had zij net zo goed een van de vele typistes op weg naar huis kunnen zijn. 

Of zij had een gifmengster kunnen zijn, wie dan ook. Een enkeling passeerde en niemand keek op, alsof ook zij een schuldig geheim hadden. Terwijl iedereen zijn eigen pad volgde, werden zij van elkaar gescheiden door dit halfduister en waren gespannen en toen zijzelf Green Park inliep was het zo schemerig dat zij spijt had dat zij niet de auto had genomen.

Lucht die zij inademde was scherp en hier waar geen lampen waren of waar de paar die er wel waren verder van elkaar af hun licht verspreidden, was het alsof het nacht was met mist die als een plafond de hemel verborgen hield, hangend onder toppen van bomen. 

Terwijl honderdduizenden die zij niet kon zien nu op weg naar huis gingen, aan het eind van hun werkdag, was zij nu pas op weg gegaan en het was nu in die zin anders dat, hoewel zij had opgezien tegen haar reis en tegen vertrekken, waardoor zij had gezegd liever te voet naar het station te gaan om het eruit te lopen, zij nu bang was. Terwijl een pad dat zij volgde nu weer deze en dan weer die kant op meanderde langs bosjes en struiken die haar verborgen hielden wat zij tegen zou komen, dacht zij dat zij ieder moment op deze nevel zou kunnen stuiten die plotseling neergedaald zou zijn tot aan de grond, waardoor zij verloren zou zijn.

Bij een volgende bocht kwam zij toen op meer open terrein. Koplampen van auto’s boven haar die een weg in draaiden toeterend de bocht om zwaaiden, zwaaiden hun lichten rond boven waar zij liep, laaghangende takken van bomen in het licht zettend. Terwijl zij zich voort haastte schrok zij van iedere toeterende claxon en iedere keer weer keek zij dan omhoog om zich ervan te verzekeren dat dat geluid een licht aankondigde en werd zij gerustgesteld door bladeren glinsterend groen geaderd als marmer met natte aarde en zag zij deze aderen elk lichtschijnsel heel even terugkaatsen waarna het weer aan haar voorbijging en daarna helemaal weg was en er een volgende aankwam.

Deze lichten kwamen als gedachten in het donker, in een stroom; een flits en dan waren zij allemaal weer weg. Terwijl zij om zich heen keek, en zij keek de hele tijd achterom over haar schouder, zag zij nu en dan vagelijk liefkozende paartjes, twee bij twee; in korte flitsen pikten hun gezichten en al het wit van hun kleding het spaarzame licht op dat met tussenpozen op hen neer werd gereflecteerd.

Wat een toestand en gedoe was het allemaal geweest en hoe vreselijk allemaal hoe zij over Max dacht, en toen was het een waterloop waar zij langsging en lichten draaiden nog steeds rond daarboven en automobilisten toeterden en vogels, bedrogen door de duisternis, wakker gemaakt door deze lichten, bewogen in hun slaap, betoverd in duisternis.

Het was zo verkeerd, zo oneerlijk van Max om niet zeggen of hij echt mee zou gaan, niet thuis te zijn als zij opbelde, het aan dat mannetje van hem, Edwards, te laten om te zeggen dat hij uit was gegaan, het er daar verder zomaar bij te laten zodat niemand van hen wist of hij nu mee zou komen of niet. Zij stelde zich voor dat zij hem nu zou tegenkomen op dit pad dat er bijzonder duister uitzag en dat zij hem dan zou doen stilstaan en hem zou vragen wat hij hier deed, waarom was hij niet op het station? Hij zou haar slechts vragen wat zij zelf dan aan het doen was. En dan zou zij hem niet durven vertellen dat zij bang was omdat hij dat kinderachtig zou vinden. Zij durfde nauwelijks aan zichzelf toe te geven dat zij alleen maar was gaan lopen om wat te kalmeren, zo overtuigd was zij van het feit dat hij uiteindelijk toch niet mee zou komen.

Het was zo vreemd en vreselijk om hier te lopen in het donker terwijl het pas half vijf was, zo spijtig dat zij ooit het idee hadden gekregen om met zijn allen op reis te gaan hoewel het idee oorspronkelijk van hem kwam. Hoe kregen mensen het voor elkaar om eerst te zeggen dat zij iets gaan doen en het dan vervolgens niet te doen? Wat dom was het van haar geweest om ooit te zeggen dat zij van de partij zou zijn want nu moest zij wel met hen meegaan, zij kon niet terug naar huis gaan nu zij al gepakt had, zij zouden het niet begrijpen. Maar hoe konden mensen nou zo vaag doen over naar het buitenland gaan, met paspoorten en reisschema’s en dergelijke? Hij had haar volledig in zijn macht, hij kon zijn gang gaan in Londen als zij weg was en naar bed gaan met alle meisjes.

Zij realiseerde zich dat zij helemaal alleen was, er kwamen geen auto’s langs en onder het zwakke licht van een lamp waar zij dichtbij was kon zij geen minnepaartjes zien, zelfs, onder bomen.

Toen bedacht zij dat zij haar bedeltjes misschien niet had meegenomen, dat haar meid die niet had gepakt en dit zou verklaren waarom alles zo verkeerd voelde. Daar waren zij, zij kon hen zien, op het tafeltje naast haar bed, haar ei met de olifantjes erin, haar houten pistool en haar beschilderde tolletje. Zij kon zich niet herinneren dat zij in de koffer werden gestopt. Zij keerde zich om, stond de andere kant op. Zij keek in haar tas al deed zij hen daar nooit in. Het zou zinloos zijn zonder hen te gaan, zij moest snel teruggaan. Ach waarom was zij toch niet in de taxi met haar spullen meegegaan?

En terwijl zij terugliep passeerde Thomson met haar bagage, licht van zijn taxi afbuigend boven haar hoofd. Zij wist het niet, en hij wist niet dat zij daar was, hij werd in beslag genomen door gedachten over hoe lastig het voor hem zou zijn om juffrouw Henderson te vinden en dat hij waarschijnlijk wel zijn thee zou mislopen.

Op datzelfde moment overwoog Max, terwijl hij zijn flat binnenging, om misschien toch te gaan. Dat zou betekenen dat hij Amabel moest achterlaten. Jaloezieën waren neergelaten, er was een haardvuur. Hij kon Amabel niet achterlaten. Edwards, zijn knecht, kwam binnen om aan te kondigen dat juffrouw Hignam had opgebeld en of hij haar alstublieft terug wilde bellen. Hij wilde Amabel liever niet achterlaten. Hij vroeg Edwards of zijn spullen gepakt waren en kreeg te horen dat dat bijna het geval was. Nou als zijn koffers klaarstonden dan moest hij Amabel maar achterlaten. 

Julia, die over een voetbrug liep, voelde zich ineens zo ellendig dat zij moest stilhouden en zij keek onder zich naar stilstaand water. Toen vlogen drie zeemeeuwen door dat stukje waarop zij stond en dat is wat was gebeurd een van de eerste keren dat zij hem had gezien, duiven waren onder een brug door gevlogen waar zij had gestaan toen zij vorige zomer weg was geweest. Zij bedacht dat die meeuwen stonden voor de zee die zij die avond zouden oversteken.

De heer en mevrouw Hignam waren onderweg, voortdurend voortkruipend door verkeersopstoppingen zodat hun chauffeur steeds opnieuw zijn armen over het stuur vouwde en zijn hoofd erop liet rusten. 

Claire Hignam praatte hard en snel. Eerst zei zij tegen haar echtgenoot Robert dat zij Max had gebeld om te vertellen dat zij net waren vertrokken en om hem te vragen waarom hij nog niet op weg was gegaan. Hij had haar gezegd dat hij nog niet gepakt had maar zij had hem goed genoeg gekend om dat niet te geloven. Edwards was een te goede knecht om alles zo tot het laatste moment uit te stellen en Max kon sowieso nooit eens direct antwoord geven.

‘Denk jij dat we Nanny nog zullen zien op het perron, het is toch zo aandoenlijk dat ze me altijd komt uitzwaaien.’

Omdat hij geen antwoord gaf, vroeg zij hem toen of hij had gezien dat Edward Cumberland dood was, zo jong. Hij luisterde niet want hij dacht aan iets wat hij vergeten was. Zij vertelde dat zij zich te veel had moeten haasten om het hem eerder te vertellen en toen zei hij hem wat vertellen? Hierop zei zij dat hij om woest van te worden was, realiseerde hij zich niet dat deze jongen was overleden toen hij pas zesentwintig was? Hij zei waaraan? Zij wist het niet en wat maakte dat in vredesnaam uit, was het verschrikkelijke niet juist dat hij dood was en op zijn zesentwintigste? Zij vervolgde dat zij de vierentachtig zou halen. Hij gaf geen antwoord. Toen zei zij dat deze dode man een neef was van Embassy Richard, wat wist hij daarover?

(Het schijnt dat een jonge kerel, Richard Cumberland, zo dol was op uitgaan dat hij, als zovele anderen, vaak onuitgenodigd op feestjes verscheen. Een ambassade van een ander land ontving hun prins die in dit land ontvangsten afliep en iemand had wat vellen van Cumberland’s postpapier ontvreemd en had alle kranten in Londen verzocht het volgende in hun juridische sectie te plaatsen: Dhr. Richard Cumberland betreurt dat hij vanwege een hardnekkige ongesteldheid verhinderd was om de uitnodiging van Zijne Excellentie de Ambassadeur te honoreren om zijn kroonprins te ontmoeten. Deze annonce was daadwerkelijk geplaatst en de ambassadeur, die meende te moeten opkomen voor het recht van een gastheer om zelf zijn gasten te kiezen, had naar de Pers geschreven dat hij de heer Cumberland nooit had uitgenodigd en dat deze heer hem niet bekend was. Het hele geval werd op dit moment overal uitgebreid bediscussieerd alsmede binnen twee advocatenkantoren en in ingezonden brievenrubrieken in de kranten.)

Hij kon haar niets vertellen wat zij niet al wist maar hij dacht dat zij misschien wat nieuws zouden horen als zij bij het station aankwamen. 

‘Als we daar ooit aankomen,’ zei zij. ‘Echt het is een ramp om in Londen ergens te komen tegenwoordig. Dit duurt nu al vijftien minuten, blok voor blok het is gewoon te vreselijk.’

Zelfs toen had zij nog steeds geen last van reiskoorts, zij was er zeker van dat haar trein niet zonder haar zou vertrekken. Maar juffrouw Evelyn Henderson, die haar chauffeur tot spoed had gemaand en hem de hele tijd maar bleef uitleggen welke snellere routes hij kon nemen die naar hij wist alleen maar meer vertraging zouden opleveren, was erg gejaagd en geagiteerd toen zij op haar bestemming aankwam. Rondtastend om met hem af te rekenen in haar tas die bol stond van de tickets van de anderen zei zij tegen haar kruier dat zij elkaar ongetwijfeld zouden kwijtraken, dat zij moesten afspreken waar de bagage werd ingecheckt, onder de klok. Hij zei welke, er waren er drie. Onder de klok zei zij en toen waren zij weg.

Binnen, in vol ornaat met zijn hoge hoed op, kwam de stationschef tevoorschijn onder dat hoge gewelf van groen dat hij zijn plafond noemde, rook mist die al zijn treinen lamlegde, keek om zich heen naar mistkleurige mensen, zijn reizigers die zich repten hoewel zij af en toe ook weifelend halthielden en hij dacht dat de lucht, zijn atmosfeer, wonderbaarlijk helder was onder de omstandigheden, al leek iedereen bezoedeld door mist. En hoe moest hij juffrouw Julia Wray vinden vroeg hij, die hij niet van gezicht kende, en dat terwijl hij eigenlijk op zijn kantoor zou moeten zijn.

Juffrouw Fellowes vroeg zich ook af hoe zij haar nicht moest vinden. Zij voelde zich wel iets beter maar nog niet helemaal in orde, als haar flauwte haar al had verlaten dan was zij er nog steeds niet helemaal zeker van dat die niet zou terugkomen. Zij besloot dat het beter voor haar zou zijn om te gaan zitten.

Die twee nanny’s zaten al achter kopjes thee toen zij haar binnen zagen komen en zagen zoeken naar een plek om te gaan zitten. Zij zag een ovalen buffet waarachter twee zwetende vrouwspersonen bedienden en eromheen, een rij diep, stonden chroomkleurig beschilderde barkrukken, als chrysanten met verchroomde stelen. Stuk voor stuk waren zij bezet maar er waren wat andere stoelen van canvas ook al verchroomd zodat zij, doordat zij deze associeerde met dekstoelen, even wegdroomde bij plannetjes voor zeereizen en het zuiden van Frankrijk. Deze waren ook allemaal bezet op eentje na en op deze ging zij zitten, met haar dode duif ingepakt op haar schoot en wachtend tot zij bediend zou worden.

Terwijl tijd verstreek en er niemand kwam om haar bestelling op te nemen wist zij hoe moe zij was. Hoewel dit de eerste keer was dat zij vandaag buiten kwam, bedacht zij dat het net was alsof zij slepende ziektes had doorstaan zo zwak voelde zij zich. Zij zag dat er maar een serveerster was om klanten te bedienen die niet aan dat buffet zaten en omdat zij nog steeds wachtte, drong het uiteindelijk tot haar door dat zij zelf zou moeten halen wat zij wenste. Nadat zij de duif op haar stoel had gelegd en aan een man naast haar had gevraagd erop te letten, ging zij ernaartoe.

In eerste instantie zagen die twee nanny’s slechts dat juffrouw Fellowes naar het buffet was gegaan en zij betwijfelden niet dat het thee was wat zij bestelde. Zij waren niet verbaasd toen zij niet bediend werd omdat zijzelf ook hadden moeten wachten. Maar terwijl zij naar haar keken zagen zij al snel die dunlippige blos verschijnen die in hun ervaring betekende dat het geduld van juffrouw Fellowes aan het opraken was. Zij wisten wat dit inhield en zij hadden haar kunnen voorspellen dat het zinloos was dit soort meisjes een kans te geven een grote mond terug te geven. Je mocht blij zijn als je al werd bediend en klagen zoals zij nu maakte het alleen maar erger.

Toen constateerden zij dat er woorden werden gewisseld, maar wat hen nog het meest choqueerde, toen dit klaar was en juffrouw Fellowes terugliep naar haar stoel, was te zien dat het geen thee was wat zij had besteld, waar zij mee terugkwam was whisky. Zij betreurden dat zij haar hadden zien bestellen en zij betreurden het nog meer omdat zij met dit alles de aandacht had getrokken. Eén ruig-uitziende klant in het bijzonder bekeek haar nogal nadrukkelijk.

Juffrouw Fellowes kon het niets schelen, zij kon dit soort zaken uit haar bewustzijn bannen en elk onaangenaam voorval of wat zij noemde ruw gedrag als zij dit wenste volledig negeren, zo lang dit van ondergeschikten was. Het was een opwelling geweest om whisky te bestellen en zij probeerde zich te herinneren hoe haar vaders favoriete merk heette die altijd voor hen klaarstond als zij thuiskwamen van de jacht. Hij zei dat het goed voor iedereen was na een zware dag en je dronk het, trok je terug om je bad te nemen en zette je vervolgens aan de high tea. En wat bijzonder dat zij nu hier was, drinkend in tearooms met al deze bijzonder uitziende mensen. En dan was er nog die arme vogel. Je had er tijdens de jacht al zoveel doodgeschoten zien worden, maar in Londen schrok je van elk dood dier, zelfs vogels, hoewel die natuurlijk een gemakkelijk leventje hadden in de steden. Zij herinnerde zich hoe haar vader zijn hond had doodgeschoten toen zij klein was en hoe erg zij toen hadden moeten huilen. Dan had je die arme jongen Cumberland, zijn oom was nog een van haar danspartners geweest, waaraan was hij zo jong gestorven? Je was er gewoon niet op voorbereid te midden van de hectiek van Londen en dan zomaar dood voor haar voeten vallen. Het leek een vanzelfsprekende daad van barmhartigheid om het op te pakken, hoewel het wel een last zou worden zelfs nu het in papier was verpakt. Maar zij voelde dat zij juist had gehandeld, zij had het niet daar kunnen laten liggen en trouwens iemand had erop kunnen gaan staan en dat zou walgelijk zijn geweest. Zij was blij dat zij het had schoongemaakt.

De man die haar had zitten observeren, sprak.

‘Die meiden das waardeloos joh,’ zei hij. ‘Lastig genoeg voor de meesten om hier te kommen en dan willen ze je niet bedienen ook nog.’

‘Ja,’ zei zij, ‘het is al opgelost, dank u,’ en hoopte dat hij haar niet lastig ging vallen. Zij vroeg zich af of het verstandig was geweest om voor sterke drank te kiezen, zij voelde zich echt niet goed, het leek haar helemaal geen goed te hebben gedaan. 

Ondertussen hadden Claire en Evelyn elkaar getroffen en waren zij elkaar aan het begroeten in de bagage-incheckhal met kreten niet veel anders dan meer zeemeeuwen. Robert was zijn hoed aan het afnemen met de woorden, ‘Hullo daar Evelyna,’ en zij was hen aan het vragen waar iedereen was en aan het vertellen dat zij Thomson had gezien met Julia’s bagage die had gezegd dat Julia te voet was vertrokken, kon iemand iets verzinnen wat haar beter typeerde? Waar in godsnaam was Angela, of Max en Alex? Wist iemand of Max van plan was om mee te gaan? Claire zei dat zij had opgebeld en dat zij dacht dat hij dat wel was. ‘Hoe dan ook,’ zei Evelyn, ‘ik heb hun tickets hier. Robert, jij en Thomson moeten hen allemaal nu maar gaan zoeken, willen jullie dat alsjeblieft nu meteen gaan doen? Thomson ga met meneer Hignam mee en probeer juffrouw Crevy en de anderen bij ons te brengen ok? Je bent Edwards zeker niet tegengekomen? Nee, nou ga jij dan dat doen alsjeblieft Robert, we moeten allemaal samen zijn. Nou liefje,’ zei zij, terwijl zij zich tot Claire wendde, ‘we kunnen op onze spullen gaan zitten en even uitgebreid bijpraten.’ Zij namen vervolgens plaats op hun bagage om heel ontspannen uiterst onbelangrijke zaken te bespreken terwijl kruiers, leunend op hun rechtop gezette handkarretjes, staande in slaap vielen. Zo ontspannen was Evelyna dat je je afvroeg of zij zich, met deze twee mannen uit de weg, niet meer op haar gemak voelde. 

Zij waren toegesproken op het soort toon dat je in het leger zou verwachten en Robert Hignam merkte op tegen Thomson dat dit wel eens een loodzware klus zou kunnen worden. ‘Het zal niet makkelijk worden.’ ‘Nee meneer, zeker niet,’ en daarmee gingen zij uiteen en werden onmiddellijk omspoeld door rondzwermende scholen mensdom de meesten op dit precieze punt starend naar een enorm bord met VERTREKTIJDEN TREINEN in neon erboven. Deze gaf geen vertrekkende treinen aan na half drie, of twee uur eerder, ofwel, met andere woorden, verwarring.

Juffrouw Crevy en haar jongeman stonden tussen de grootste groep mensen. Zij was erg knap en zij kleedde zich met zorg, haar handen waren belachelijk wit en haar gezicht had een uitdrukking zo blanco, zo indrukwekkend onaangedaan en kalm dat het leek alsof zij nooit een sterkere emotie had gevoeld dan milde verwondering en alsof niets ooit erger was geweest dan vervelend. Zijn uitdrukking was er een van onverdraagzaamheid.

Als twee lelies in een vijver, er in romantisch opzicht deel van uitmakend maar er oneindig ver van verwijderd, omgeven, gedragen, erin drijvend zo men wil, maar op een ander plan getild door anders te zijn, hoewel er zoveel water was dat je deze bloemen niet kon zien of kans liep hen over het hoofd te zien, stonden juffrouw Crevy en haar jongeman, op het oog sereen, benijd vanwege hun kennelijke welstand en Angela vanwege haar verschijning begeerd door al die waterkevers zeg maar, door die mensen die om hen heen stonden.

Omgeven als zij werden aan alle kanten praatten zij toch zo luid dat het leek alsof zij alleen waren.

‘Nou, wat je ook zegt ik moet de anderen gaan vinden.’

‘Maar Angela, ik zeg je toch dat dat niet kan in deze mensenmassa.’

‘Dat weet ik, maar hoe kan ik anders aan mijn tickets komen?’

‘Waar heb je nou tickets voor nodig? Ik zeg je dat ze hier nooit treinen vandaan gaan krijgen.’

‘Maar Robin, ze zijn al betaald. En ik wil gaan, snap je dat dan niet.’

Op dit moment drong iemand zich langs hen waarbij hij zich verontschuldigde en daarmee was het klaar.

‘Nou,’ zei hij, ‘ik moet gaan, vaarwel, vermaak jezelf,’ en toen was het allemaal zo onrechtvaardig dat hij eraan toevoegde, hoewel hij zich er een idioot door voelde, ‘ik wil je nooit meer zien.’ Zij kuste hem op zijn neus terwijl hij zich van haar afkeerde, zich ervan bewust dat zij zich keurig gedroeg, en toen was hij weg.

Als die zwerm mensen vergeleken kon worden met een vijver vanwege haar lelie dan kon je nergens in haar omgeving een vergelijkbare treffen en zeker niet een gelijke en evenmin werd haar verschijning gespiegeld in hun gezichten. Elektrische lichten waren ondertussen ontstoken, mist kwam nog steeds binnen door de open zijde van dit station, onder die massieve groene boog van glazen dak met elke derde persoon rokend had het voor meneer Roberts, veilig weggestopt in zijn kantoor weg daarboven, kunnen schijnen alsof een novemberzon zijn stralen liet schieten door mist die boven water opstijgt.

De meesten gehuld in donkere kleding, de vrouwen in gedekte groene- of mosterdkleuren, waren hun gezichten bleek en toonden deze, mits niet al te moe, een vertwijfeld soort goede zin. Er was bijna geen geluid en toch als je jezelf verstaanbaar wilde maken, was het noodzakelijk je stem te verheffen, zoveel mensen bleken aan het praten te zijn. Omdat zij nooit eerder zo ingesloten was geweest, en gezien wat er in het verschiet lag, voelde zij zich opgewonden. Zij besloot dat zij naar de zijkant moest gaan en ontdekte tot haar verrassing dat zij zich in een vrij klein groepje mensen had bevonden want hier waren vrijwel meteen minder mensen. 

Naar haar toelopend vroeg de stationschef of zij wellicht juffrouw Julia Wray was en verrast als zij hierdoor was kon zij niets anders uitbrengen dan nee, zij had haar niet had gezien. Terwijl hij majesteitelijk verderliep, teleurgesteld voor zich uit mompelend, vroeg zij zich af of zij hem niet achterna moest gaan om te vertellen dat zij lid was van hetzelfde gezelschap, maar dat leek haar toch weer te absurd, Julia was vast daar waar zij hun bagage moesten inchecken, zij kon het haar dan wel vertellen. 

En terwijl juffrouw Crevy onderweg ging naar deze plek waren Claire en Evelyna aanbeland bij dat gedeelte van hun conversatie waarin zij bespraken welke kleding zij hadden meegenomen. Beiden staken uitgebreid de loftrompet over de schoonheid en de doeltreffendheid van de keuzes van de ander, maar het was alsof twee oude mannen moppen aan elkaar vertelden, zij luisterden niet naar elkaar zo graag wilden zijzelf aan het woord zijn. Nu al hadden zij allebei spijt gekregen dat zij die of die jurk niet hadden meegenomen en het was omdat hij het onmogelijk vond om de situatie zo te laten tussen hem en Angela, het was te belachelijk voor woorden dat hij haar na zo’n afscheid zou laten vertrekken, die kus op zijn neus, dat Robin terugkwam om zich te verontschuldigen.

Hij vond haar vrij snel en niet zo ver weg. Zij leek niet verrast dat hij er weer was en vertelde hem over de stationschef. Hij zag niet wat dit ermee te maken had en stak meteen van wal over dat het hem zo speet, het was een enorm gedoe geweest om haar weer te vinden, wilde zij het hem vergeven? Hij dacht waar het door kwam was haar stokoude vriendin die hem dat pakket had laten weggooien en toen, zo gauw hij dat had uitgevoerd, hem weer terug had gestuurd om het weer voor haar terug te halen. Dit maakte Angela nogal boos, zij zei tegen hem dat hij erg onbeleefd was geweest en dat hij beter weg kon blijven als hij vervelend ging doen.

Julia was terug op haar kamer geweest en had haar bedeltjes niet gevonden. Hij was leeg alsof zij er nooit had gewoond. Haar gordijnen waren afgenomen, die zouden naar de stomerij worden gebracht, haar matras was weg en haar kussenslopen waren bobbels onder stoflakens in het midden van haar bed. Omdat zij dacht dat het ongeluk zou brengen om te blijven en meer te bekijken en trouwens Jemima zwoor dat alles in de hutkoffer was gepakt, zij noemde hen haar speeltjes, was Julia deze keer een taxi ingevlucht.

Met een wee gevoel haastte zij zich door tunnels, baande zich als verdoofd een pad door de mensenmassa die zij nauwelijks opmerkte om zich af te vragen wat zij kon doen als zij de anderen niet kon vinden en was verrast om Claire en Evelyn aan te treffen waar zij op hun bagage zaten.

Zij vroeg hoe het met hen ging, lieverds, en zij vroegen haar hetzelfde, en zij kusten elkaar en gingen allemaal weer zitten. Zij wilde weten waar iedereen was gebleven en zag dat arme Evelyna zich vreselijk druk maakte waardoor zij zich kalmer ging voelen op een berustende manier. En inderdaad vond Evelyna dat zij iets moest doen, zij zei tegen zichzelf dat als zij deze situatie niet zou oplossen dat zij hier dan met sint-juttemis nog zouden zitten en dat zonder haar geen enkel lid van deze groep de trein zou halen. Dus zei zij dat het zonde van de tijd zou zijn om hun bagage te proberen in te checken gezien de stapels die voor die van hen behandeld moesten worden en dat zij informatie zou proberen in te winnen over hun trein. Daarop verdween zij.

Eraan gewend dat alles altijd voor hen werd gedaan, wachtten Julia en Claire het vervolg rustig af. Al snel vroeg Julia of Claire Max had gezien en vernam zij van hun telefoongesprek. Zij probeerde te achterhalen of dit had plaatsgevonden voordat zij zich had ingebeeld hem in het Green Park te zien en troostte zichzelf een beetje met de gedachte dat dit waarschijnlijk het geval was geweest. Maar zij voelde zich niet gerustgesteld. Zij probeerde te bediscussiëren hoe andere reizigers waren gekleed, voor zover je hen in plukjes her en der kon zien staan, velen onder hen praktisch schuilgaand achter hun bagage. Zij zei helemaal niets over Max. Er viel een stilte en toen kuchte zij en zei zij:

‘Hij is eigenlijk hopeloos, hè, vind je niet?’

Max was nog steeds op zijn appartement. Ook was hij nog steeds whisky-soda’s aan het drinken.  Zijn leunstoel was bekleed met dik quasi-Spaans imitatiebrokaat, alle bekleding was gemaakt van dit materiaal met bijpassende muurbekleding, quasi-Spaanse tafels met ijzerbeslag, zilveren asbakken, alles zwaar en massief, alles nep, al dacht hij dat het authentiek was, en het was allemaal navenant geprijsd geweest. Dat wil zeggen dat als al deze dingen authentiek waren geweest hij niet meer had hoeven betalen, iedereen die minder goed in de slappe was zat dan hij had museumstukken voor minder geld kunnen aanschaffen.

Hij nam de telefoon van de haak nadat hij hem een tijdje had laten rinkelen.

Amabel zei:

‘Ben jij dat, Max?’

‘Met wie spreek ik?’

‘Oh, Max, ga je echt?’

‘Hoezo?’ zie hij.

‘Ik bedoel moet je echt gaan?’

‘Blijf even hangen wil je, er is iets,’ en hij legde de hoorn ernaast en greep zijn glas en wierp zijn whisky-soda in het vuur. Het verdampte met een sissend geluid. Hij stond twintig seconden stil toen ging hij een nieuwe mixen. Toen hij weer aan de telefoon kwam zei zij:

‘Is er iemand anders bij je?’

‘Nee. Hoezo?’

‘Ik dacht dat ik je sst hoorde zeggen tegen iemand. Wat deed je dan?’

‘Ik gooide wat water op het haardvuur. Spuitwater als je het precies wilt weten.’

‘Mensen gooien geen spuitwater op haardvuur.’

‘Ik wel. Mijn krant vloog in de fik en ik moest hem doven.’

‘Max, ik moet je zien. Wat als ik nu langskom als ik beloof me te gedragen.’

‘Wat?’

‘Ik zei dat ik nu langs kan komen als ik je beloof dat ik me niet aanstel? Oh, Max.’

‘Maar waar gaat het over?’

‘Ik kan je niet laten gaan, dat is alles. Ik kan het niet verdragen.’

‘Ik heb niet gezegd dat ik ga.’

‘Het is niet eerlijk, we hebben het zo heerlijk gehad samen, ik ben zo gek op je, mijn liefste schat. Waarom kan het niet weer zijn zoals eerst? Ik bezweer je dat ik me niet meer vervelend zal gedragen. Je moet me geloven, schat.’

‘Ik heb je gisteren gebeld.’

‘Echt waar?’

‘Je was niet thuis.’

‘Ik denk dat ik toen bij de kapper zat. Ik zat daar de hele middag. Max, wie heb je daar bij je, ik hoorde hen net fluisteren?’

‘En waar was je gisteravond mee bezig?’

‘Waar was ik mee bezig? Hoe kun je dat soort dingen zeggen? Max, schat, wat is er toch met je aan de hand de laatste tijd?’

‘Ik belde je rond half tien.’

‘Ik was even gaan liggen, je weet dat dit alles me vrij beroerd heeft gemaakt en het was zo’n gedoe om dokter Godley te pakken te krijgen, zijn telefoon was de hele tijd in gesprek, ik vermoed dat ik hem probeerde te bellen.’

‘Ik kreeg geen ingesprektoon.’

‘Max, mijn schat, ik ga hier niet over in discussie, je hoeft het maar aan Marjorie te vragen, ze is later nog bij me geweest. Ik wou dat je haar kon spreken, mijn liefste, zij zou je wel vertellen hoe ik eraan toe was. Ze schrok zich rot.’

‘Het spijt me.’

‘Max, mijn schat, ik ben zo in de war en verdrietig dat ik echt niet meer weet waar ik het moet zoeken. Wat is er gebeurd dat alles anders is geworden, het was allemaal zo perfect vroeger en moet je ons nu zien, als een stelletje ouwe viswijven iedere keer dat we elkaar zien dat gekijf over en weer? Schat, ik word echt niet goed van dit gedoe. Dokter Godley zegt dat het het beste voor me zou zijn om de zon op te zoeken weg uit deze afschuwelijke mist voor een maand of twee om mijn gestel de tijd te geven om te herstellen. Hij zegt dat mijn gestel compleet van slag is en weer krachten moet opdoen.’

‘Nou goed, luister, heb je vanavond iets?’

En terwijl zij zei nee zij had niets, kwam Edwards, zijn knecht, binnen om hem te zeggen dat zijn koffers gepakt waren.

‘Momentje, Am,’ zei hij. ‘Wat zei je?’

‘Uw koffers staan klaar, meneer.’

‘Wie was dat, schat?’

‘Het is Edwards maar, die wil weten of ik nog thee wens.’

‘Vraag hem voor mij of zijn kleine jongen al beter is, wil je?’

‘Zal ik doen.’

‘Wat wilde je zeggen?’

‘Luister, ik stel voor dat je rond half tien hiernaartoe komt, dan kunnen we ergens iets gaan eten.’

‘Oh, schat, dat zou perfect zijn, je bent een engel, dus je gaat toch maar niet?’

Hij zei, ‘Dat is dan afgesproken,’ en verbrak de verbinding.

‘Staat de auto voor?’

‘Ja, meneer.’

‘Mijn koffers erin? Ja, kom op dan, ik heb haast.’ Edwards zette een zwarte bolhoed op, Max had helemaal geen hoed op en hij reed zijn luxe automobiel met grote snelheid de weg op.

Hij reed hard, door achterafstraatjes om verkeersopstoppingen te mijden, zijn grote auto om bochten slingerend die daar eigenlijk te scherp voor waren en met te grote snelheid. Edwards zei dat het slecht weer was om er op uit te gaan, was er geen enkele vlucht beschikbaar en hij zei nee, en die zou er niet zijn uitgerekend vandaag.

‘Ik betwijfel of uw boottrein zal rijden, meneer.’

‘Dat doet niet ter zake, ik moet gaan.’

Dus wat hem sneller deed rijden, en taxichauffeurs en anderen zetten hun auto’s stil en riepen hem na, was dat hij vond dat hij haar slecht behandelde. Als hij weg moest gaan dan was het niet correct haar te verlaten door haar te vragen langs te komen en er dan zelf niet te zijn. Hij was er doodziek van. In ieder geval was het kwalijk haar te vragen langs te komen en dan zelf weg te zijn, zo simpel was het.

Dus toen zij voor het station kwamen aanrijden, waar meteen een groepje mensen bewonderend rond zijn auto dromde, zei hij tegen zichzelf dat hij wel een drankje kon gebruiken, dus droeg hij Edwards op zijn bagage in te checken, juffrouw Henderson zou de kaartjes bij zich hebben, en dat hij wat later zou komen. Toen ging hij naar onderen in een grotere tunnel waarboven een lichtbord met ENTREE HOTEL hing.

Hij boekte een zitkamer met een slaapkamer erbij, want toen hij hen vertelde wat hij wenste, zeiden zij hem dat zij geen zitkamers zonder slaapkamers hadden en dat hij deze tezamen zou moeten boeken. Dit was typerend voor zijn hele levensstijl, er werd hem altijd meer aangesmeerd dan hij nodig had en hij trad nooit in discussie over prijzen. In deze kamer aangekomen, nadat hij zijn drankje had besteld, belde hij Amabel. Zijn probleem was onervarenheid, hij kon nooit eens een prima leugen volhouden.

‘Maar, schatje, jij bent het weer,’ zei zij.

‘Wat betreft vanavond. Luister, kom toch maar niet.’

‘Waarom in godsnaam niet?’

‘Het wordt niks.’

‘Maar je zei dat ik kon komen.’

‘Ik zal er niet zijn.’

Omdat zij hierop niet antwoordde, zei hij dat hij er niet kon zijn.

‘Je wilt zeggen dat je toch gaat?’

‘Ja, ik ben nu op het vliegveld,’ zei hij, en omdat zij hem hier niet mocht vinden, zij zou een scene schoppen, verbrak hij de verbinding voordat zij iets terug had kunnen zeggen. Hij checkte onmiddellijk uit.

Ondertussen was Alexander onderweg, voortrollend in zijn taxi over afstandjes niet groter dan een cricketpitch, blok voor blok, van het ene rode licht naar het volgende, of wazige politieagenten in rubberen pakken. Neuriënd associeerde hij wat hij zag met dood zijn en beeldde hij zich in dat hij een geest was die door de straten van de levenden reed, deze duisternis of die sluier tussen hem en wat hij zag een verschil tussen levend zijn en de dood. Straten waar hij doorheen ging waren nat alsof die mist zes meter hoger water had laten vallen en reflecties die lichten over de wegen sloegen, lieten hem fantaseren dat hij een Zoeloe was, in de Zoeloe’s hel van ijs, zittend in zijn taxi in de rol van Umslopogaas met zijn bijl, huid kloppend boven het gat in zijn slaap, op weg om Zij te zien, of beter nog Leo.*

Hij wist niet waar hij was, het was onmogelijk straten te herkennen, mist kwam telkens vanuit de hoogte neervallen op het verkeer. Het ene moment zat je in vuile katoenwatten doordrenkt met ijzig water en er dan weer uit en in ravijnen van koud zwetend graniet met vensters en ingangen voor de holbewoners  – waarvan sommige hem het gevoel gaven dat hij hen eerder had gezien tot hij besefte dat hij in Max’ straat was.

Hij dacht dat hij zijn chauffeur opdracht had gegeven naar het station te rijden maar toen zij voor Max’ appartementencomplex stilhielden realiseerde hij zich dat hij dit adres moest hebben opgegeven, waarschijnlijk omdat hij zich had afgevraagd of Max wel zou komen. Toen werd hij opeens gegrepen door de vrees zijn trein te missen, zijn chauffeur wist niet hoe laat het was, hij rende de lift in, belde aan bij Max, vroeg Franklin hoe laat het was, zag dat Max al vertrokken was en dat het veel later was dan hij dacht, rende naar beneden omdat hij dacht dat het sneller zou zijn, en, hijgend achterover ploffend, trillend, zei hij tegen zijn chauffeur,

‘Snel, snel.’

‘Waar naartoe?’

‘Naar het station natuurlijk.’

‘Welk station?’

‘Naar Frankrijk, idioot.’

Terwijl hij in zijn taxi klom, zei zijn chauffeur:

‘Verdomme weer zo eentje.’

Al die tijd hadden Julia en Claire bij hun koffers gezeten. Zij hadden niet meer over Max gesproken, en dit is waar Edwards, die achter Max’ bagage aanliep, hen trof. Julia sprong op.

‘Oh, Edwards, daar ben je,’ zei zij. ‘Waar is meneer Adey?’

‘Dat weet ik niet, juffrouw.’

‘Is hij niet met jou meegekomen?’

‘Ja, juffrouw.’

(Edwards had geleerd nooit informatie over zijn broodheer te verstrekken aan dames.)

‘Is hij dan niet op het station?’

‘Dat weet ik niet, juffrouw.’

Toen was het Claire’s beurt, ‘Waar ging hij heen toen hij bij je wegging?’ vroeg zij hem.

‘Hij zei dat ik hem hier moest ontmoeten, mevrouw.’

Beide meisjes, als bij afspraak, lieten het onderwerp verder rusten. Zij hadden allebei bedacht dat waar hij nu was natuurlijk het toilet moest zijn.

Alex kwam aanrijden, nog steeds gejaagd door hoe laat hij was. Uit de auto komend schreeuwde hij om kruiers en, toen hij er een had gevonden, zei hij hem dat zij elkaar weer bij de registratieplek moesten treffen, hij had geen tijd, hij moest rennen en hij haastte zich ervandoor, zonder zijn taxi te betalen. De chauffeur werd onmiddellijk hysterisch kwaad, iedereen in zijn buurt waarschuwend tegen Alex, zei tegen die kruier, ‘Wacht op mij, vriend,’ reed zijn taxi drie meter naar voren naar waar hij dacht dat hij meer in de weg zou staan, zei, ‘Waar is er ergens een smeris, verdomme?’ en verdween met Alex’ bagage, en zijn kruier, ook naar onderen in een van die tunnels en was weg.

Eindelijk dus is dit complete gezelschap op een plek verzameld en, ook al hebben ze elkaar nog niet allemaal gezien, is al hun bagage aangekomen in de Incheckhal. Waar, eerder, honderden naar dit station op weg waren gegaan, arriveerden er nu duizenden, het was het eind van een dag voor hen, het begin van een tijd voor ons gezelschap. 

Niemand die met Julia alleen kwam te zitten kon ontsnappen aan het gevoel zich over haar te moeten ontfermen. Nog steeds stonden om hen heen zoveel stapels bagage dat het net een karikaturaal kerkhof leek met de bezitters ervan en hun kruiers als de rouwdragers en de kraaien, en zoveel agitatie enerzijds met anderzijds ook ingetogen, afstandelijke kalmte dat deze ongemakkelijkheid uiteindelijk zelfs Claire had besmet. Veel andere reizigers zaten dicht tegen een zenuweninzinking aan. En omdat zij gewend was alles wat haar dwarszat in handen van haar echtgenoot te leggen, die alles voor haar moest doen, was dit zo’n moment dat zij hem miste. Zij voelde zich bijna boos op Julia vanwege haar hulpeloosheid.

Zij zei tegen Julia dat het niet veel zin leek te hebben om op Evelyns terugkomst te wachten, zij konden proberen om nu al wat bagage in te checken, het zou een drukte van jewelste worden als zij eenmaal zouden beginnen met alle bergen spullen die er al stonden. Omhoogkijkend van haar zitplaats zei zij dit tegen haar kruier die lusteloos over zijn handkar hing. Hij zei haar dat er niks zou worden ingecheckt vanwege het feit dat er geen treinen reden zoals zij zelf ook kon zien; hij leek hiermee tevreden, hij spoog op de grond en zakte toen nog iets verder in.

Toen zij haar vrees eenmaal had uitgesproken, voelde het alsof zij had geschreeuwd na een tijdje geprobeerd te hebben dit niet te doen terwijl zij pijn leed. Zij stond op het punt in dezelfde staat te raken als die vrouw daar, wiens hoed bijna helemaal over haar gezicht was geschoven, toen zij Alex zag zwaaien, zwaaien en naar hen lachen terwijl hij naar hen toe kwam lopen. Hij kuste hen allebei al terwijl zij nog sputterde ‘nou ja, daar heb je Alex.’ Hij vroeg waar was Max, niet hier nam hij aan, en zij zeiden nee natuurlijk niet. Claire vertelde hoe waardeloos het was dat zij geen bagage wilden inchecken, maar haar angsten waren meteen opgelost en zij maakte grapjes en hij lachte en zei dat zij dat ook niet van plan waren als zij dit ook maar enigszins konden vermijden, en zij lachten allemaal, ook, en spraken allemaal tegelijk. ‘Hoe dan ook,’ zei hij, ‘ze zullen toch niet van ons verwachten dat we hier gaan overnachten.’

‘Alex, liefje, wat is er dan met die mist, er is bij ons helemaal geen mist, is het nou niet een beetje irritant wat ze doen?’

‘Ze zeggen dat hij tot aan de grond komt buiten Londen, snap je, Julia, en ze komen er niet doorheen, geen idee waarom niet.’

‘Maar denk je dat ze het wel echt proberen?’

Hij zei vast wel en beschreef vervolgens zijn avonturen onderweg naar hen. Zij lachten weer. Toen vroeg hij of zij het laatste nieuws over Embassy Richard al hadden gehoord, hij had vernomen dat het poststempel op die brief van St John’s Wood was, wat zou betekenen dat Charlie Troupe hem had verzonden. Claire zei dat als hij de brief bedoelde waarin zijn advertentie voor The Times had gezeten, dan had zij van iemand op dat postkantoor gehoord dat er helemaal geen poststempel was geweest, dat hij ongestempeld was aangekomen. Alex zei dat als er geen stempel op zat dat het dan zo’n ding zou hebben waarop je kunt zien wat je moet betalen, en deze had dan gestempeld moeten zijn. Normaal gesproken zat alles waar geen postzegel op was geplakt onder de poststempels, zelfs met de tijd dat de brief gepost was erop, en zij belden dan bij je aan om je te verwittigen. ‘Het is net als wanneer je in de trein zit,’ zei hij, ‘zonder je kaartje. Ze laten je betalen en schrijven er een voor je uit, ze schrijven erop waar je bent ingestapt en waar je naartoe gaat.’ Claire zei ja, maar je kon aan een brief niet vragen waar hij was gepost, en zo had deze discussie verder kunnen gaan als juffrouw Henderson niet was teruggekomen. Zij was er zeker van dat iedere brief waar geen postzegel opzat twee poststempels zou dragen.

Edwards vroeg aan Julia, die niet had meegeluisterd, wat er moest gebeuren met al deze bagage. Zij zei dat zij het niet wist en was het niet vreselijk. ‘Je kunt het beter aan juffrouw Henderson vragen, ze is net wezen proberen het uit te zoeken.’

Wat Evelyn Henderson namelijk van plan was, was dit: zij had de meeste leden van haar gezelschap bij elkaar op één plek en het zou het beste zijn hen hier te houden tot iedereen bij elkaar was, los van de vraag of zij later nog een trein zouden kunnen krijgen. Zij was er niet zeker van of er ooit nog treinen zouden rijden, maar sinds zij had gezegd dat zij meeging en haar flat had afgesloten moest zij ook alles op alles zetten om te gaan. Zij was bang dat sommigen naar huis zouden gaan en haar zouden opzadelen met de taak om hen allemaal te gaan opbellen als er een mogelijkheid zou komen om toch te vertrekken en dat zou allerlei verwarring geven en obstakels en het zou erop uitdraaien dat zij helemaal niet zouden vertrekken. Dus zei zij:

‘Het kan nooit Charlie Troupe zijn, het hele idee is absurd, hij zou zoiets nooit doen, hij is een oude vriend van me. Wat betreft die rottrein begrijp ik niet waarom ze ons hier laten zitten als een stel schapen op een veemarkt. Eén spoorbeambte was erg vriendelijk en vertelde me dat de mist aan het optrekken was buiten, dus ik denk niet dat het nog heel lang zal duren.’

‘Maar, schat, vind je dan niet dat we nu meteen Max moeten gaan zoeken?’

‘Ik weet het, Julia, maar Robert en Thomson zijn hem gaan zoeken.’

‘Nee, dat is het nou juist, die zijn op zoek naar Angela. Denk je niet dat we Edwards erop moeten zetten?’

Alex verklaarde dat hij Angela zag lopen en vervolgens dat zij ook hem zag. ‘Zie je haar dan niet, daar, achter die dikke man, kijk ze zwaait, wie is die persoon bij haar?’

 De persoon bij juffrouw Angela Crevy was haar jongeman, de heer Robin Adams, die er zo tegen gekant was dat zij op reis ging met hen, zo hartgrondig haatte hij hen.

‘Daar zijn ze allemaal,’ zei Angela tegen hem, ‘alleen zie ik Max niet.’

Ja, dacht de heer Adams bij zichzelf, typisch Max, het arrogante zwijn, typisch voor hem om niet op te komen dagen terwijl dit bij wijze van spreken zijn feestje was, daar hij alles zou betalen. Het was onacceptabel dat zo’n soort man voor Angela ging betalen. Het viel haar niet te verwijten, zij snapte dit niet, maar als zij eenmaal wat meer levenservaring had opgedaan zou zij het nog wel betreuren dat zij zich dit niet had gerealiseerd.

Heel even was de heer Adams zelfs een beetje jaloers op Alex.

Zij waren dichterbij gekomen, nu waren zij allemaal aan het zwaaien naar elkaar, of eigenlijk Angela was aan het zwaaien naar hen en zij waren allemaal aan het terugzwaaien. Naar hen kijkend bedacht de heer Adams wat een stelletje zwijnen het toch was. Zijn enige troost was dat hij een weerzinwekkend vertoon van affectie verwachtte als zij binnen gehoorsafstand van elkaar zouden zijn. Hij werd niet teleurgesteld. Alex’ stem bereikte hen, op schelle toon:

‘Heb je je bed meegenomen, schat? Ik weet niet meer of ik meneer Crump heb gezegd het mijne mee te brengen, want we gaan hier nooit meer wegkomen,’ en hij voorvoelde, ‘Evelyna zal dat nooit goedvinden.’

Angela antwoordde, ‘maar schat, heb je dan geen tweepersoonsbed voor ons meegenomen?’ Haar jongeman vroeg zich af of het mogelijk was een nog smakelozer opmerking dan deze te maken en voelde zich hier vervolgens in bevestigd toen hij de afkeuring van de anderen zag. Zij kende hen natuurlijk niet goed genoeg om dat soort dingen te kunnen zeggen dacht hij, en hij had ongelijk. Zij hadden in het verleden al te veel van dit soort grapjes gemaakt, zij konden er niet meer om lachen, dus zij reageerden er hetzelfde op als hij om een andere reden.

Zij schudden elkaars handen en Angela vertelde Claire dat zij haar tante had gezien, ‘een eeuwigheid geleden daar tussen al die mensen. Je kunt je niet voorstellen wat een gedoe het was om je te vinden, hè Robin? Het is zo’n enorm complex, we konden niet vinden waar we heen moesten en ik zat me vreselijk op te winden.’

Het gedempte geluid van gejuich kwam daar uit de richting van de achterkant van dit station. Hoofden keerden zich ernaartoe en Julia zag een kelner die uit een van de hotelramen keek en die kilometers ver weg leek, zo piepklein leek hij en nog iemand kwam bij hem aan dit raam staan en allebei leunden ze naar buiten om iets te bekijken dat onder hen gebeurde.

‘Wat kan het zijn?’ zei zij fluisterend, ‘ik voel me toch zó nerveus.’

Zij dacht hier was haar gezelschap lachend en gillend alsof niemand van plan was af te reizen; ook leek het niemand behalve haarzelf iets te kunnen schelen waar Max was; waar zouden haar bedeltjes zijn? Jemima zei dat zij hen in de hutkoffer had gedaan maar zij zou in haar reistas kijken, het was logischer dat zij daarin zaten.

Op een afstandje hurkte zij neer en opende zij deze tas. Alles was verpakt in verschillende kleuren vloeipapier. Het waren haar zomerdingen en terwijl zij hen oppakte en herkende dacht zij terug aan waar zij hen allemaal voor het laatst met Max had gedragen. Zij ging vaak in het weekend naar houseparty’s en hij was er dan ook vaak. Hoewel zij dan wel geen geheugen had voor woorden zij wist altijd wel wat zij had gedragen de keren dat zij hem had ontmoet. Terwijl zij haar kleren oppakte en weer neerlegde in dezelfde volgorde als waarin zij in de koffer hadden gelegen, was zij dagen aan het oppakken en weer neerleggen.

Haar kruier zuchtte. Hij had genoten van wat hij had gezien van haar spullen.

Denkend dat zij misschien overstuur was geraakt door hun gesprek over Embassy Richard en omdat hij zijn betrokkenheid wilde tonen, kwam Alex naar haar toe en vroeg hij haar of zij hun discussie over al die onzin en die postzegels en zo misschien helemaal zat was. Hij ontdekte, wat hij zich niet had gerealiseerd, dat er zoveel herrie rondom was dat zij niet kon horen wat hij zei. Of misschien zat zij te huilen. Julia hield nog steeds haar hoofd afgewend dus hij kon het niet zien maar toen hij zijn woorden herhaalde zei zij ja, het was toch eigenlijk belachelijk? Hij boog zich om haar heen en zag dat zij niet zat te huilen en toen wist zij dat hij keek of zij huilde.

‘O jeetje,’ zei zij, ‘er zijn zo veel – te veel mensen, vind je niet?’

Alex zei haar dat hij dacht dat er weldra nog veel meer zouden zijn en dat hij het verwarrend vond.

Dat dacht ook de heer Hignam, terwijl hij zich door de menigte worstelde, alleen was zijn woord ervoor verschrikkelijk. Hij dacht dat zij Angela waarschijnlijk zelf al hadden gevonden, je zou eigenlijk honden moeten hebben, dacht hij, die mensen voor je konden zoeken. Maar hij zou wel medelijden hebben met honden tussen al die mensen, het was een ellendige toestand, vochtig en koud, iedereen liep erbij alsof zij niet meer verder konden. Hoe wie dan ook ooit aan een trein zou kunnen komen ging het voorstellingsvermogen van het spoorwegpersoneel kennelijk te boven. Hij kwam bij een bar en dat was een idee. Zij konden toch niet van je verwachten dat je eeuwig rond bleef lopen roepen Angela waar ben je? Het was druk maar hij zou zich er een weg doorheen worstelen en er een nemen.

Max zat al te drinken in deze bar. Nadat hij Amabel had gebeld had hij zich afgevraagd of zij hem misschien via de telefooncentrale zou weten te traceren, dus had hij zijn rekening betaald en was vertrokken. Toen was hij er nog niet aan toe geweest om de anderen op te zoeken en het interesseerde hem sowieso niet waar zij zaten. Zijn gevoel zei hem dat hij het Kanaal over moest steken en het was beter om met mensen te gaan dan alleen. 

Zich erdoorheen vechtend, overal milde weerstand krijgend en die hete geur van thee, kopjes beschut door ellebogen en half weggedraaide lichamen met ‘pas op voor mijn thee,’ worstelde Robert zich gestaag verder. Toen hij nog klein was, had hij bamboestruiken ontdekt in de tuin van zijn ouderlijk huis en het was destijds een spel van hem om zich hier doorheen te worstelen; zij woekerden zo welig dat je niet kon zien wat voor tempelruïne er misschien wel achter verscholen lag. Zo was het nu ook, deze lichamen zo massief dat het net een winkel met paspoppen leek, met waterverwarming. Zij waren zo onbuigzaam dat het voor hem net bossen zachte, dikke bamboestammen waren, omdat hij daar ooit doorheen had geklauterd, vochtig en warm.

Toen verscheen zijn tempelruïne, nog steeds aan de whisky, gezeten op zo’n chrysant met verchroomde stengel die juffrouw Fellowes had opgemerkt. En zij was er nog steeds, zich weer niet erg lekker voelend, alles aan haar naar binnen gekeerd, voortploeterend met haar last van duisternis.

Robert was niet bijzonder blij om Max te zien, maar zij waren allebei beleefd genoeg om hallo te zeggen. Robert vroeg hem of hij misschien Claire’s tante was tegengekomen. Max hoorde het niet, dus reageerde hij niet. Robert vroeg het opnieuw, deze keer formuleerde hij het anders, dat Claire hem eropuit had gestuurd om haar tante te zoeken. Er was te veel geluid rondom, het kwam niet aan bij Max. Hij schreeuwde terug, ‘wat wil je drinken?’

‘Ik heb al besteld, bedankt.’

‘Ik neem aan dat ze je hebben gestuurd om me te zoeken,’ zei Max en nu hij was begonnen te praten leek het gemakkelijker om elkaar te horen. Robert antwoordde nee, het was Claire’s tante die zoek was. Oh, zei Max, en zou zij dan ook meegaan, en weer bedacht Richard zich hoe eigenaardig hij toch was, het was feitelijk zijn feestje en toch leek hij niet te weten wie erop zou komen en leek hij het best te vinden als Claire’s tante ook mee zou gaan, hoewel zij toch voor drie weken weg zouden gaan. Hij vertelde dat zij slechts was gekomen om hen uit te zwaaien. ‘Ken het gezelschap niet,’ zei Max.

Robert zei hem dat alle anderen met hun bagage zaten te wachten op het moment dat deze ingecheckt kon worden en Max vroeg waar Edwards was. Max zei toen dat zij misschien beter samen terug naar de meisjes konden gaan. Robert zei tegen hem dat dat geen haast had, er reden nog geen treinen.

‘Ik weet het, ouwe jongen, maar we kunnen je vrouw en de meisjes niet zomaar alleen laten zitten.’

‘Nou, Edwards is erbij en ze hebben de kruiers erbij, dat komt wel goed.’

‘Natuurlijk komt het wel goed, maar wat we niet willen is dat ze terug naar huis gaan, we moeten echt vandaag vertrekken.’

Weer bedacht Robert dat het niks voor Max was om zoiets te zeggen. Niemand wist zeker of hij überhaupt naar het station zou komen en toch leek hij er nu op gebrand dat iedereen met hem mee zou gaan. 

‘Laten ze maar een keertje op ons wachten,’ zei Robert, ‘en trouwens ik kan niet teruggaan zonder haar te hebben gevonden. Heb je Alex gezien? Ik moest hem ook zoeken.’ En toen bedacht hij zich opeens dat hij er helemaal niet op uit was gestuurd om Claire’s tante te zoeken, Evelyn wilde dat hij Alex en Angela en Max ging zoeken, maar zij had niets gezegd over juffrouw Fellowes. Waarom had hij dan naar de tante lopen zoeken? Op dat moment ontwaarde hij juffrouw Fellowes. 

‘Maar, goeie God, Max, daar is ze.’ Max leek het niet te horen en daar was hij blij om, het zou te ingewikkeld zijn geweest om uit te leggen.

‘En, mijn God, daar is Claire’s nanny.’

‘Nog eentje, Robert?’

‘Nee, dank je. Zeg Max, de beste vrouw ziet er niet al te gezond uit, vind je niet?’

‘Ik heb haar nog niet kunnen onderscheiden. Nou, nu je haar hebt gevonden, kunnen we weer verder.’

‘Je begrijpt het verkeerd, ik ben niet gestuurd om haar te vinden, maar het bevalt me niks hoe ze erbij loopt, ouwe jongen. Zie je haar daar?’

‘Bedoel je die vrouw met het pakket?’

‘Ja, met dat glas whisky in haar hand. Kijk nou toch, Max, ze zit helemaal scheef.’

‘Misschien moet je even gaan vragen wat er aan de hand is.’

‘Dat kan ik niet. Zeg, vind je het goed om zolang een oogje op haar te houden dat ik even Claire ga halen?’

Max vond het goed en bestelde nog een drankje. Zij waren allebei de nanny’s vergeten die er in gespannen zwijgen bijzaten. En die man, die juffrouw Fellowes eerder had aangesproken, bleef haar in de gaten houden, een paar anderen keken toe en iedere keer dat deze man zijn ogen van haar losmaakte, knipoogde hij. 

Terwijl Hignam zich weer op de terugweg had begeven, verscheen Alexander’s taxichauffeur. Hij kwam op Alex af en zei ‘wat krijgen we nou.’ Toen vertelde hij welke straten zij tijdens hun rit hadden genomen en wat er op zijn meter stond toen hij zijn taxi had achtergelaten. Hij zei dat het pure diefstal was om een taxichauffeur niet te betalen. Alex vroeg hoe hij het in zijn hoofd kon halen dat hij er vandoor had willen gaan zonder te betalen, er konden eenvoudigweg geen treinen vertrekken die avond of middag en trouwens, hij had wel betaald, zei hij. Zijn kruier werd erbij gehaald om te getuigen, hij had geen betaling zien plaatsvinden. Alex’ stem werd steeds scheller. Evelyn zei dat het inderdaad belachelijk zou zijn om twee keer te moeten betalen zeker nu taxi’s tegenwoordig al negen penny rekenden voor de eerste mijl. Toen maakte Julia hier een eind aan door te verklaren dat dit allemaal meer was dan zij kon verdragen en smeekte zij Alex om niet zo moeilijk te doen. Hij reageerde hierop door met de taxichauffeur buiten gehoorsafstand te gaan staan, waar zij de discussie met veel gebaren voortzetten, al kon je nu duidelijk zien dat zij het opeens uitstekend met elkaar konden vinden.

‘Het ging toch allemaal nergens over?’ zei Julia. ‘Vinden jullie niet, lieverds?’

‘Och, ik weet het niet, arme Alex, maar ze lijken nu prima met elkaar overweg te kunnen,’ zei Evelyna, en vervolgde met ‘hier komt Robert, Claire.’

‘Nou,’ zei zijn vrouw, terwijl hij op hen af kwam lopen, hem onmiddellijk koeionerend, ‘ik zie dat je hen niet hebt gevonden. Angela is hier al een eeuwigheid, en Alex ook.’

‘Zeg, Claire, er is iets heel vreemds gebeurd,’ zei Robert en nam haar apart. ‘Je weet dat ik Alex en Max was gaan zoeken zoals je me had gezegd. Ik kwam bij de bar en ik dacht ik ga even naar binnen voor een drankje. Nou, daar zat Max die er ook een nam en wat doe ik, ik vraag hem of hij je tante ergens had gezien.’

‘Maar sufferdje toch, daarvoor was je niet gestuurd. Niemand heeft het over haar gehad.’

‘Ja, jij wel, Claire. Maar wacht even. Het vreemde was dat net nadat ik Max naar haar had gevraagd ik haar daar ook echt zag zitten.’

‘Daar zie ik helemaal niets raars in. Jij hebt nog nooit iets kunnen onthouden. Maar je hebt toch Max gevonden, ook al schijn je dan niet naar hem te hebben gezocht. Waarom doe jij dit nou altijd? Gisteren vroeg ik je om meer kolen op het vuur te leggen en toen gaf je me een ei.’

Robert dacht dat niemand dit zou kunnen begrijpen, het had hem een schok gegeven, hij had de anderen in zijn gedachten gehad en toen had hij toevallig haar naam genoemd en op datzelfde moment ziet hij haar daar zitten. Misschien betekende het niets maar hij vroeg het zich af.

‘Luister nou, ze zag er absoluut niet gezond uit, er is iets aan de hand, ik vind dat jij even een kijkje moet gaan nemen, ik kan niet zeggen dat ik er gerust op ben. Wat als jij en de anderen er even naartoe gaan? Ik heb aan Max gevraagd een oogje in het zeil te houden.’

‘Doe niet zo belachelijk, ze zit gewoon uit te rusten.’

‘Ze had een glas whisky.’

‘Oh, Robert, liefje, jij maakt me echt aan het lachen. Wie heeft er nou ooit gehoord van een dronken tante May en wie zou zich iets dergelijks zelfs maar voor kunnen stellen?’

‘Ik heb niet beweerd dat ze hem om had, het enige wat ik heb gezegd, of liever voorgesteld, is dat jullie daarnaartoe moeten gaan waar Max zit en dat je tante er slecht aan toe was en waarschijnlijk je hulp nodig heeft. Mij maakt het allemaal niet uit. Waar is Angela?’

‘O, die heeft een aanbidder, ze zijn ervandoor gegaan. Goed, schat, dan ga ik wel, maar ik wil niet dat de anderen het weten, hoor je me, geen woord hierover. Als tante May ziek is, zal ik er wat aan doen. Jij blijft hier.’

‘Waar moet ik zeggen dat je bent?’

‘Ik ben over tien minuten terug.’

Julia kwam met juffrouw Henderson bij Robert staan en zei dat hij dus geen goeie beurt had gemaakt, zij hadden Alex en Angela helemaal zelf gevonden. Toen vroeg zij hem waar Claire was gebleven. Hij zei, o, zij moest ergens zijn en dat hij Max had gevonden, die zat nu in de bar en, hij flapte het er min of meer uit, dat was waar Claire naartoe was.

‘Zit hij daar? Is Claire hem gaan halen?’ vroeg Evelyna.

‘Nee, het was voor iets anders, ik weet echt niet waar ze naartoe ging.’

Julia zei dat zij vond dat zij beter Edwards op Max af konden sturen. Juffrouw Henderson zei dat Claire weer terug zou komen en dat nu zij elkaar allemaal hadden gevonden het waanzin zou zijn om weer uit elkaar te gaan. Julia zei weer, maar zou het niet beter zijn om Edwards Max te laten halen. Hier kwam Edwards ertussen en zei dat de heer Adey hem had gezegd te blijven waar hij was en dat hij zelf iets later zou komen.

Julia zei: ‘O, ik vind het schandalig,’ en iedereen geneerde zich en viel stil.

Hierop gebeurden drie dingen. Een omvangrijk contingent politieagenten marcheerde naar binnen, gevolgd door een gedeelte van de mensen die buiten hadden staan wachten, Alex kwam terug zonder zijn taxichauffeur en de stationschef herkende hen als het gezelschap van juffrouw Wray en kwam op hen af. Dat contingent politieagenten stampte naar binnen en hun voetstappen klonken weergalmend alsof zij op holle grond vielen. De menigte volgde hen en stelde zich op bij waar zij hadden haltgehouden zodat je alleen nog de bovenkant van hun helmen kon zien. Alex zei dat het best zuur zou zijn als zij nu allemaal gearresteerd zouden worden, zeker nu hij voor zijn taxi had betaald. Juffrouw Henderson zei dat zij vond dat zij je een kwitantie zouden moeten geven voor dit soort transacties en de stationschef zei:

‘Spreek ik wellicht tegen juffrouw Julia Wray?’

‘Ja.’

‘Juffrouw Wray, uw oom belde mij om te vertellen dat wij bijzonder goed voor u en uw gezelschap dienen te zorgen. Welnu, ik wil niet dat u hier tussen deze menigte mensen moet staan wachten, zou ik u kunnen overhalen om in het Hotel te wachten? Het is eigendom van de Spoorwegen en ik verzeker u dat het daar heel gerieflijk voor u zal zijn.’

‘Dat is erg vriendelijk van u, ja, ik denk dat we dat heel aangenaam zouden vinden, maar het probleem is dat we nog niet allemaal bijeen zijn ziet u, niet alle leden van ons gezelschap zijn er namelijk.’

Alex bemoeide zich ermee, ‘Mijn lieve Angela is hier vlakbij en we weten waar Max zich bevindt, ik vind het een geweldig idee, we zouden bij de haard kunnen gaan zitten.’

‘Maar Max dan?’ zei Evelyn.

Alex voelde hierdoor ergernis opkomen, hij was bang dat hij de beloofde gerieflijkheid zou mislopen.

‘Hoezo nou Max,’ zei hij, ‘wanneer heeft hij dan rekening met ons gehouden? Hij maakte mij wijs dat hij in zijn flat op me zou wachten’ (dit was niet waar) ‘dat hij met me mee naar het station zou komen, maar toen ik daar aankwam was hij al weg.’

Julia vroeg waarom zij niet op hun trein konden stappen en vertrekken. Zij sprak vinnig voor haar doen. En toen gingen zij allemaal op pad zonder verder te discussiëren over dat hotel, met de stationschef die vertelde hoe  deze mist alles in de war had gestuurd. Edwards voegde zich onderweg bij hen en Alex bracht Angela en haar jongeman mee. Edwards vroeg wat hij moest doen en Julia zei: ‘Je kunt op meneer Adey wachten, Edwards, zoals hij je heeft gezegd.’ Robert zei dat hij het aan Claire moest gaan vertellen en dat hij Max ook op de hoogte zou brengen en dat hij hen in het hotel weer zou treffen.

*Henry Green wordt wel een writer’s writer’s writer genoemd. Schrijvers als T.S. Eliot, Eudora Welty, W.H. Auden, Rebecca West, Christopher Isherwood, V.S. Pritchett, Anthony Burgess., Sebastian Faulks, Tim Parks en John Updike hebben in het verleden hun schatplichtigheid aan zijn werk uitgesproken. Updike noemde Green ‘een heilige van het alledaagse, dat hij omhelst met zijn gehele wezen’ en beschreef zijn eigen ontdekking van Greens (en Prousts) werk als ‘openbaringen van stijl, van proza niet als het kleurloze gereedschap van mimesis, maar als een rijkgeschakeerd instrument dat in zichzelf dynamisch is, de dode huid wegkrabbend van gemakzuchtige oppervlaktebeschrijving, steeds dieper doordringend in de werkelijkheid, zoals men binnen de wetenschap een stelling steeds verder verfijnt. Mijn verliefde imitaties van deze twee schrijvers markeerden het begin van mijn eigen stijl’. Tim Parks meende dat Green ‘de meest bewonderde en zeker de meest talentrijke is onder de schrijvers van de twintigste eeuw, die desondanks nooit zijn vaste plek in de literaire canon heeft gekregen’. Maar Greens status als writer’s writer’s writer heeft niet verhinderd dat er nog steeds heruitgaven van zijn werk verschijnen. Loving, Living en Party Going worden als zijn meesterwerken beschouwd en deze worden nog regelmatig – doorgaans gezamenlijk – gepubliceerd, meest recentelijk in 2005. 

Henry Vincent Yorke leefde van 1905 tot 1973, hij groeide op in het Engelse Gloucestershire als zoon van een rijke industrieel en een adellijke moeder. Hij bezocht Eton – waar hij zijn debuut Blindness schreef – en studeerde in Oxford, maar brak zijn studie af om te gaan werken in het familiebedrijf. Begonnen als gewoon werkman – in welke hoedanigheid hij stof opdeed voor het latere Living – klom hij op tot directeur van H. Pontifex & Sons Ltd., dat loodgietersbenodigdheden en bierbottelarij-apparatuur produceerde. Blindness werd gepubliceerd in 1926 onder het neutrale pseudoniem Henry Green, dat hij aannam om zijn schrijverschap verborgen te houden voor collega´s en zakenpartners. Omdat hij vreesde de Tweede Wereldoorlog niet te overleven, schreef hij reeds in 1940 zijn autobiografie, Pack My Bag. Hij diende in de oorlog als brandweerman, overleefde, en beschreef zijn ervaringen in Caught. In 1952 verscheen Doting, dat zijn laatste publicatie zou zijn. De laatste twee decennia van zijn leven leidde hij een steeds teruggetrokkener bestaan waarin hij niet meer schreef, aan de drank raakte en langzaam doof werd. 

Wat is er zo uniek aan Greens stijl en wat maakt het zo uitdagend om te vertalen? Allereerst de vrijheid die hij neemt om zich te onttrekken aan bepaalde taalconventies. Het eerste voorbeeld hiervan is Living, waarin hij bijna alle lidwoorden weglaat. In het enige interview dat ooit met hem is afgenomen, door de Paris Review in 1958, zei hij hierover: ´Ik wilde dat boek zo strak en sober mogelijk maken, zodat het paste bij het proletarische leven dat ik toen leidde.´ Opvallend is ook Greens bijzondere voorkeur voor het aanwijzend voornaamwoord op momenten dat je het niet verwacht. In Party Going (1939) wordt de lezer – en de vertaler – door dit soort stijlingrepen direct vanaf de eerste alinea op het verkeerde been gezet: 

‘Fog was dense, bird that had been disturbed went flat into a balustrade and slowly fell, dead, at her feet.

There it lay and Miss Fellowes looked up to where that pall of fog was twenty foot above and out of which it had fallen, turning over once. She bent down and took a wing then entered a tunnel in front of her, and this had DEPARTURES lit up over it, carrying her dead pigeon.’ 

Hoe vertaal je zulk eigenaardig proza? Recht doen aan elke schijnbare ongerijmdheid en elke afwijking van de syntaxis een op een overzetten in het Nederlands werkt vaak niet en zou de leesbaarheid te veel hinderen. Want wat voor de Engelse lezer nog een vreemde maar acceptabele wending kan zijn – mits ook hij of zij bereid is zich voor dit boek open te stellen – kan voor zijn of haar Nederlandse evenknie onnodig duister blijven. Daarom ontkomt de vertaler er niet aan zichzelf af en toe grotere vrijheden te permitteren dan gebruikelijk is. En waar veel andere modernistische schrijvers uit Greens tijd hun vertalers nog een zeker houvast bieden in de relatieve vrijheid die de stream of consciousness biedt, waarin taalregels worden losgelaten met een in wezen helder doel – de innerlijke stem van de personages weer te geven –, gebruikt Green andere en meer ongrijpbare methodes om ons in de belevingswereld van zijn personages te trekken. In deze wereld, waarin gebeurtenissen en locaties soms op bijna surrealistische wijze lijken te transformeren, dwingt Green je als vertaler met ontregelende, verschuivende perspectieven tot ver buiten je comfort zone en word je voor keuzes gesteld waar geen enkele andere schrijver toe aanzet, soms zelfs in die mate dat je er niet aan ontkomt hele passages van de grond af te reconstrueren in je vertaling. Het doel blijft daarbij uiteraard altijd de grootst mogelijke trouw aan het origineel, die dan echter soms pas op alineaniveau bereikt kan worden. Soms word je gedwongen een zin logischer, conventioneler te maken dan je zou wensen, maar kun je het door Green beoogde effect in een andere zin alsnog aan de Nederlandse lezer meegeven. Waarbij het proces nog iets verder gecompliceerd wordt door het gegeven dat iedereen die ontvankelijk is voor Greens taalesthetiek – en ontroerd wordt door zijn verhalen – het in de meeste gevallen lastig zal vinden om te benoemen hoe en waartoe hij zijn effecten precies inzet en hoe het komt dat deze syntactische aberratie dit lyrische effect teweegbrengt. Maar de poëtische beeldenrijkdom en de verrassende, bijna zinsbegoochelende wendingen die sommige van Greens zinnen nemen, dienen niet slechts een esthetisch of artistiek doel. Green gebruikt die stijl om de lezer naar binnen te voeren in de uiterst particuliere en vaak kinderlijke gevoelswereld van zijn personages, wier hulpeloze egocentrisme hij schetst door niet alleen hun eigen taalgebruik, maar ook de taal waarmee hij hun verhaal beschrijft een zekere naïeve primitiviteit mee te geven. 

In zijn essay The Genesis of Secrecy breekt literatuurcriticus Frank Kermode een lans voor een sterk symbolistische interpretatie van Party Going. Green zou er volgens hem talloze mythische thema’s in verwerkt hebben: Victoria Station zou een voorportaal van het hiernamaals zijn, waarbij het gesleep met de meeuw van juffrouw Fellowes dan weer zou verwijzen naar bepaalde reinigings- en begrafenisrituelen. Interessant is ook Tim Parks’ theorie dat Green de mist gebruikt als zowel verbeelding als veroorzaker van het gevoel van desoriëntatie dat je als lezer van dit boek geen moment loslaat, en dat dit gevoel van desoriëntatie dient om je ontvankelijk te maken voor de schoonheid ervan en dat dit misschien zelfs een voorwaarde is om deze te kunnen waarnemen. Gelukkig heb je geen metalaag nodig om te worden gegrepen door dit verhaal: ondanks Greens afkeer van psychologisering word je vanaf de eerste pagina meegesleept in de belevenissen van de personages. Belevenissen die op zichzelf verre van opzienbarend zijn en zelfs triviaal: een aantal leden van de idle rich met aanhang is onderweg naar een feest in Frankrijk, strandt vanwege hardnekkige mist op Victoria Station en brengt vervolgens de nacht door in een hotel bij het station. Wij volgen de interactie tussen de verschillende leden van deze groep, terwijl zich buiten het hotel een menigte eveneens gestrande reizigers ophoudt. De volgende ochtend is de mist opgetrokken en maakt de groep zich op om alsnog de overtocht te maken. Einde. Het hele verloop strekt zich uit over een tijdsbestek van niet meer dan vier uur. Green deed er overigens zeven jaar over om Party Going te schrijven.

Green betoont zich in al zijn werk een opmerkelijk empathisch observator van menselijk gedrag en taalgebruik, waarbij hij zich altijd onthoudt van een moreel oordeel. Hij stelt überhaupt geen morele vraagstukken aan de orde in zijn werk, welk gebrek aan grote ideeën volgens sommigen een verdere verklaring vormt voor de relatief bescheiden aantrekkingskracht die het oeuvre tijdens zijn leven op het grote publiek uitoefende. Zijn werk laat weinig ruimte voor illusies over de menselijke beweegredenen en toch verliest hij nergens de kwetsbaarheid van zijn personages uit het oog: hij kijkt even cynisch als teder en even meedogenloos als begripvol naar zijn personages. Tegelijkertijd –  en wellicht paradoxaal gezien zijn vermogen ons in het bewustzijn van die personages te verplaatsen – ziet hij er vanaf om psychologiserend tussen zijn personages en de lezer te gaan staan, maar kiest hij ervoor ten opzichte van beiden een respectvolle afstand aan te houden. In een praatje voor de BBC-radio stelde hij dat onmogelijk is te weten wat mensen werkelijk denken en voelen, en dat schrijvers zich daarom grotendeels dienen te beperken tot wat hun personages hardop uitspreken. Hij gaf toe dat het niet mogelijk was om in het geheel af te zien van beschrijving – de lezer dient tenslotte te weten wie er iets uitspreekt en hoe deze zich in verband hiermee gedraagt – maar Green wilde verder niets weten van ‘uiterst zorgvuldig gearrangeerde, beschrijvende passages’, noch van ‘te directe communicatie vanuit de auteur’, die hij in diens veronderstelde alwetendheid een ‘betweter’ noemde.

In zijn interview met de Paris Review zei Green over zijn ars poetica: ‘Proza dient uitsluitend hardop gelezen te worden als men ‘s avonds alleen is met zichzelf en het is niet snel als poëzie, maar eerder een aangroeiend web van insinuaties die verder gaan dan namen die toevallig gedeeld worden ooit zouden kunnen gaan. Proza moet een langdurige intimiteit tussen vreemden zijn zonder concrete verwijzing naar eventuele gedeelde ervaringen. Het moet langzaam raken aan onuitgesproken gevoelens, het moet uiteindelijk tranen ontlokken aan een steen…’ Hij sprak kennelijk ongeveer zoals hij schreef.

Als titel heb ik voor Feesten gekozen, al wordt er nauwelijks gefeest in dit verhaal. Onder meer omdat Green zelf zijn romantitels altijd uiterst kort hield, waarbij hij overigens een bijzondere voorkeur aan de dag legde voor het gerundium: naast Loving, Living, Party Going en Doting publiceerde hij ook nog Concluding en, bij wijze van variant, Nothing. Hierop geïnspireerd kreeg de biografie van Green de titel Romancing en verscheen het nagelaten werk als Surviving. Feestend leek mij minder geschikt. 

Bronnen:

Sebastian Faulks – Caught in the Web (2005)

Frank Kermode – The Genesis of Secrecy (1979)

Leo Robson – The Novelist of Human Unknowability (2016)

Tim Parks – Party Going (2001); Art That Stays Home, Writing without Style (2014)

John Updike – Introduction to Party Going (1978)

Paris Review interview met Terry Southern (1958)

*Umslopogaas, Zij, Leo – Personages in de semi-historische avonturenverhalen Allan Quartermain, Nada the Lily en She and Allan van de Engelse schrijver H. Rider Haggard (1856-1925).


De naam Nathanael West* hoorde ik voor het eerst in een interview van Michael Zeeman met Ian McEwan. Uit bewondering voor McEwan ben ik zijn werk gaan lezen. West is niet oud geworden en zijn verzameld werk past in één deel Library of America. The Day of the Locust vond ik minder interessant, maar Miss Lonelyhearts was een openbaring. Bijna in letterlijke zin, want ergens is het een diep-religieuze vertelling, die echter het tegendeel van verlossing biedt. Ik ken weinig boeken die zo beklemmend en vreemd zijn.

Dit is wat ik gemaakt heb van de eerste hoofdstukken. 

Miss Lonelyhearts

Miss Lonelyhearts, help me, help me

De Miss Lonelyhearts van de New Yorkse Post-Dispatch (Heeft-u-problemen? – Heeft-u-advies-nodig? – Schrijf-naar-Miss-Lonelyhearts-en-zij-zal-u-helpen) zat achter zijn bureau en staarde naar een stuk wit karton. Erop had Shrike*, de redacteur achtergrondreportages, de tekst van een gebed gekalkt.

‘Ziel van Miss L, aanbid mij.

Lichaam van Miss L, voed mij

Bloed van Miss L, bedwelm mij.

Tranen van Miss L, was mij;

Oh goede Miss L, vergeef mijn smeekbede,

En verlos mij van mijn vijanden.

Help me, Miss L, help me, help me.

In saecula saecolorum*. Amen.’

Hoewel hij nog maar een kwartier had tot zijn deadline was hij nog steeds met de aanhef bezig. Hij was gekomen tot: ‘Het leven is de moeite waard want het is gevuld met dromen en vredigheid, tederheid en extase en geloof dat brandt als een heldere witte vlam op een somber, duister altaar.’ Maar hij vond het onmogelijk om verder te gaan. De brieven waren niet meer grappig. Hij kon niet dezelfde grap leuk blijven vinden, dertig keer per dag, maandenlang. En op de meeste dagen ontving hij meer dan dertig brieven die allemaal op elkaar leken, gesneden uit hetzelfde lijdensdeeg met een hartvormig koekjesmes.

Op zijn bureau lag de stapel die hij die ochtend had ontvangen. Hij begon er weer in te lezen, op zoek naar een of ander element waarop hij een oprecht antwoord kon geven.

Lieve Miss Lonelyhearts, 

Ik heb zoveel pijn dat ik niet weet wat ik moet doen soms denk ik dat ik mezelf van kant wil maken ik heb zo’n vreselijke pijn aan mijn nieren. Mijn man vindt dat geen enkele vrouw een goede katholiek kan zijn en toch geen kinderen kan krijgen ondanks de pijn. Ik ben netjes in onze kerk getrouwd maar heb nooit geweten wat het getrouwde leven inhoudt omdat me nooit iets over man en vrouw was verteld. Mijn oma heeft het me nooit verteld en zij was de enige moeder die ik heb gehad maar maakte een grote fout door het niet te vertellen omdat je er niets aan hebt om dom te worden gehouden en het alleen maar een grote teleurstelling is. Ik heb 7 kinderen gekregen in 12 jr en sinds de laatste 2 ben ik al ziek. Ik ben tweemaal geopereerd en mijn man beloofde me geen kinderen meer op advies van de dokters omdat hij zei dat ik anders misschien wel dood zou gaan maar toen ik terugkwam uit het ziekenhuis brak hij zijn belofte en nu krijg ik een kind en ik denk niet dat ik het kan mijn nieren doen zo pijn. Ik ben zo ziek en bang omdat ik geen abortus kan nemen omdat ik een katholiek ben en mijn man zo gelovig. Ik huil de hele tijd het doet zo pijn en ik weet niet wat ik moet doen.

Met vriendelijke groeten,

Er-helemaal-ziek-van

Miss Lonelyhearts gooide de brief in een openstaande la en stak een sigaret op.

Lieve Miss Lonelyhearts, 

Ik ben nu zestien jaar oud en ik weet niet wat ik moet doen en zou het op prijs stellen als u me kunt vertellen wat ik moet doen. Toen ik nog een klein meisje was, was het niet zo erg omdat ik wel gewend was dat de kinderen in de buurt me pesten, maar nu wil ik graag vriendjes hebben net als de andere meisjes en uitgaan op zaterdag avond, maar er zijn geen jongens die me willen omdat ik zonder neus ben geboren – hoewel ik goed kan dansen en een goed figuur heb en mijn vader altijd leuke kleren voor me koopt.

Ik zit de hele dag naar mezelf te kijken en te huilen. Ik heb een groot gat in het midden van mijn gezicht waar mensen van schrikken zelfs ikzelf dus ik kan het de jongens niet kwalijk nemen dat ze me niet mee uit willen nemen. Mijn moeder houdt van me, maar ze moet altijd heel erg huilen als ze naar me kijkt.

Wat heb ik misdaan om zo’n droevig lot te verdienen? Zelfs al had ik wel slechte dingen gedaan dan heb ik ze niet gedaan voordat ik een jaar oud was en ik ben zo geboren. Ik heb het aan Papa gevraagd en hij zegt dat hij het niet weet, maar dat ik misschien iets heb gedaan in een ander leven voordat ik was geboren of dat ik misschien gestraft wordt voor zijn zonden. Dat geloof ik niet omdat hij een heel aardige man is. Moet ik misschien zelfmoord plegen?

Met vriendelijke groet,

Wanhopige

De sigaret was niet goed, hij trok niet. Miss Lonelyhearts nam hem uit zijn mond en keek er woedend naar. Hij bracht zichzelf tot kalmte en stak een nieuwe op.

Lieve Miss Lonelyhearts, 

Ik schrijf u namens mijn zus Gracie omdat er iets verschrikkelijks met haar is gebeurd en ik het niet aan moeder durf te vertellen. Ik ben 15 jaar oud en Gracie is 13 en we wonen in Brooklyn. Gracie is doofstom en groter dan ik maar niet erg slim omdat ze doofstom is. Ze speelt op het dak van ons huis en gaat niet naar school behalve twee keer per week op dinsdag en donderdag naar de school voor doofstommen. Moeder laat haar op het dak spelen omdat we niet willen dat ze wordt overreden en ze is niet erg slim. Vorige week is er een man op het dak gekomen en die heeft iets vies met haar gedaan. Ze heeft het aan mij verteld en ik weet niet wat ik moet doen want ik ben bang om het aan moeder te vertellen omdat ze in staat is om Gracie een aframmeling te geven. Ik ben bang dat Gracie een baby gaat krijgen en ik heb gisteren een hele tijd naar haar maag geluisterd om te zien of ik de baby kon horen maar ik hoorde niks. Als ik het tegen moeder zeg zal ze Gracie een hele erge aframmeling geven omdat ik de enige ben die van haar houd en de vorige keer toen ze een scheur had in haar jurk hadden ze haar 2 dagen lang in de kast opgesloten en als de jongens uit de buurd het horen zullen ze vieze dingen gaan zeggen net zoals ze hebben gedaan met Peewee Conors zus toen ze betrapt werd op het bouwterrein. Dus alstublieft wat zou u doen als zoiets in uw familie zou gebeuren.

Met hartelijke groet,

Harold S.

Hij stopte met lezen. Jezus was het antwoord maar als hij niet ziek wilde worden kon hij maar beter ver wegblijven van dat jezusgedoe. Daarbij was Jezus Shrike’s vaste grap. ‘Ziel van Miss L, aanbid mij. Lichaam van Miss L, red mij. Bloed van …’ Hij nam weer plaats achter zijn typemachine.

Hoewel de goedkope kleren die hij aanhad er iets te modieus voor waren zag hij er nog steeds uit als de zoon van een doopsgezinde predikant. Een baard zou goed bij zijn uiterlijk passen, het zou zijn oudtestamentische uitstraling versterken. Maar zelfs zonder baard was hij al duidelijk herkenbaar als de archetypische puritein uit New England. Zijn voorhoofd was hoog en smal. Zijn neus was lang en vleesloos. Zijn beenachtige kin was gekliefd als een hoef. Toen hij hem voor het eerst zag had Shrike met een glimlach gezegd: ‘De Susan Chesters, de Beatrice Fairfaxes en de Miss Lonelyheartsen* zijn de priesters van het twintigste-eeuwse Amerika.’

Een loopjongen kwam hem zeggen dat Shrike wilde weten of het materiaal al klaar was. Hij boog zich over de typemachine en begon op de toetsen te hameren.

Maar nog voordat hij tien woorden had kunnen schrijven kwam Shrike over zijn schouder leunen. ‘Altijd hetzelfde,’ zei Shrike. ‘Waarom geef je ze niet eens iets nieuws en hoopgevends? Zeg eens iets over kunst. Hier, ik dicteer wel:

Kunst is de uitweg.

‘Laat je niet door het leven overweldigen. Als de oude wegen versperd worden door het puin van eerdere mislukkingen, kijk dan uit naar frisse, nieuwe wegen. Kunst is zo’n weg. Kunst wordt gewrocht uit lijden. Zoals dhr. Polnikoff al mompelde in zijn prachtige Russische baard toen hij op zesentachtigjarige leeftijd zijn pogingen staakte om Chinees te leren: ‘We staan op dit moment nog maar aan het begin …’

Kunst is een van de rijkste giften die het leven te bieden heeft.

‘Voor hen die niet het talent hebben om iets te creëren, is er waardering. Voor hen …’

‘Vul zelf maar aan.’

Miss Lonelyhearts en het pokergezicht

Toen Miss Lonelyhearts wegging van zijn werk merkte hij dat het buiten warm was geworden en het rook alsof de lucht kunstmatig werd verwarmd. Hij besloot naar Delehanty’s speakeasy te gaan om iets te drinken. Om daar te komen moest hij een parkje doorkruisen. 

Hij ging het parkje in via de Noordelijke Poort en inhaleerde mondenvol van de zware schaduw die van de overkapping neerviel. Hij liep de schaduw van een lantaarnpaal in die op het pad lag als een speer. Hij doorboorde hem als een speer.

Voor zover hij kon zien waren er nog geen tekenen van naderende lente. De verrotting die het oppervlak van de vlekkerige grond bedekte was niet van het soort waarin leven tot bloei kon komen. Vorig jaar, herinnerde hij zich, was het de maand mei niet gelukt om deze besmeurde velden opnieuw tot leven te wekken. Het had al het geweld van juli gekost om een paar groene sprietjes te ontworstelen aan de uitgeputte grond.

Wat het parkje nodig had, zelfs nog meer dan hij, was vocht. Alcohol noch regen zouden afdoende zijn. Morgen zou hij in zijn column Gebroken-hart, Er-helemaal-ziek-van, Wanhopige, Ontgoocheld-met-tuberculeuze-echtgenoot en de rest van zijn correspondenten voorstellen hier naartoe te komen en de grond met hun tranen te besprenkelen. Hierdoor zouden bloemen opschieten, bloemen die naar voeten roken.

‘O, mensheid …’ Maar de schaduw lag zwaar op hem en de grap viel dood. Hij probeerde zijn val te breken door zichzelf uit te lachen. 

Maar waarom zou hij zichzelf uitlachen als Shrike al in de speakeasy klaarstond om dit nog veel onverbiddelijker te doen? ‘Miss Lonelyhearts, mijn vriend, ik adviseer je om je lezers stenen te geven. Als ze om brood vragen moet je ze geen crackers geven zoals de kerk doet en evenmin moet je ze dan, zoals de staat, cake te eten geven. Leg uit dat je niet bij brood alleen kunt leven en geef stenen. Leer hen elke ochtend te bidden: “Geef ons heden onze dagelijkse stenen.”’

Hij had zijn lezers veel stenen gegeven; zoveel zelfs dat hij er nog maar een overhad – de steen die in zijn maag was gegroeid.

Plotseling door vermoeidheid overvallen nam hij op een bank plaats. Als hij die steen toch maar kon gooien. Hij zocht de hemel af naar een mikpunt. Maar de grijze lucht zag eruit alsof iemand er met een vuile gum overheen had gewreven. Hij bevatte geen engelen, brandende kruizen, olijftakdragende duiven, wielen in wielen. Slechts een krant wapperde door de lucht als een vlieger met een gebroken ruggengraat. Hij stond op en vervolgde zijn weg naar de speakeasy.

Delehanty’s bevond zich in de kelder van een patriciërshuis dat zich van zijn meer respectabele buren onderscheidde doordat het een gepantserde deur had. Hij drukte op een verborgen knop, waarna een rond raampje in het midden van de deur zich opende. Een bloeddoorlopen oog verscheen dat glom als een robijn in een antieke ijzeren ring. 

De bar was slechts voor de helft gevuld. Miss Lonelyhearts keek nerveus om zich heen of Shrike er niet was en stelde opgelucht vast dat dit niet het geval was. Maar bij zijn derde drankje, net toen hij begon weg te zakken in de warme modder van de alcoholroes, greep Shrike zijn arm vast. 

‘Ha, mijn jonge vriend!’ riep hij. ‘Hoe tref ik je nu weer aan? Weer aan het broeden, zeker?’

‘In godsnaam, hou je kop.’

Shrike negeerde het verzoek. ‘Je bent morbide, vriend, morbide. Vergeet de kruisiging, denk aan de renaissance. Toen waren er geen broedende zielen.’ Hij hief zijn glas en betrok de gehele familie Borgia in zijn gebaar. ‘Ik geef u de renaissance. Wat een tijdperk! Wat een pracht en praal! Dronken pausen … Prachtige courtisanes … Bastaardkinderen …’

Hoewel zijn gebaren groots waren bleef zijn gezicht uitdrukkingloos. Hij paste een trucje toe dat veel door filmkomieken wordt gebruikt – het pokergezicht. Zijn gezichtsuitdrukking veranderde geen seconde, hoe fantastisch en opgewonden zijn toespraak ook was. Onder de glimmende, witte bol die zijn voorhoofd vormde vormden zijn gelaatstrekken een doodse, grijze driehoek. 

‘Op de renaissance!’ riep hij telkens. ‘Op de renaissance! Op de bruine Griekse manuscripten en die prachtige, gladde, gemarmerde ledematen … Dat doet me eraan denken, ik verwacht hier straks een van mijn bewonderaarsters – een kalf van een meid van hoge intelligentie.’ Hij illustreerde het woord intelligentie door met zijn handen twee enorme borsten aan te geven. ‘Ze werkt bij een boekhandel, maar een achterwerk …’

Miss Lonelyhearts was zo stom zijn ergernis te tonen.

‘Oh, dus jij geeft niet om vrouwen, hè? JC is jouw enige schatje, hè? Jezus Christus, de Koning der koningen, de Miss Lonelyhearts der Miss Lonelyheartsen …’

Op dat moment kwam, gelukkig voor Miss Lonelyhearts, de jonge vrouw waar Shrike op wachtte naar de bar toe lopen. Ze had lange benen, stevige enkels, grote handen, een krachtig lichaam, een ranke nek en een kinderlijk gezicht dat een kleine indruk maakte vanwege haar mannelijke kapsel.

 ‘Juffrouw Farkis,’ zei Shrike, terwijl hij naar haar overboog als een buikspreker naar zijn pop, ‘Juffrouw Farkis, mag ik u voorstellen aan Miss Lonelyhearts. Toon hem hetzelfde respect als u mij getoond heeft. Ook hij is in zijn ziel een trooster der armen en een aanbidder van God.’

Ze bezegelde de introductie met een mannelijke handdruk.

‘Juffrouw Farkis,’ zei Shrike, ‘Juffrouw Farkis werkt bij een boekhandel en daarnaast schrijft ze.’ Hij gaf een tikje op haar derrière.

‘Waarover stonden jullie zo opgewonden te praten?’ vroeg ze.

‘Religie.’

‘Geef me iets te drinken en ga alsjeblieft verder. Ik ben erg geïnteresseerd in de nieuwe thomistische synthese.’

Dat was precies het soort opmerking waar Shrike op zat te wachten. ‘Sint Thomas!’ riep hij uit. ‘Wat denk je dat we zijn – een stelletje vuile intellectuelen? We zijn geen nep-Europeanen. We hadden het over Jezus, de Miss Lonelyhearts der Miss Lonelyheartsen. Amerika kent zijn eigen religies. Als je op zoek bent naar synthese, dan moet je dit soort materiaal hebben.’ Hij pakte een krantenknipsel uit zijn portefeuille en legde het met een klap op tafel.

‘REKENMACHINE WERD GEBRUIKT BIJ RITUEEL VAN WESTERSE SEKTE … Uitkomsten zullen worden gebruikt voor gebeden voor veroordeelde moordenaar van bejaarde kluizenaar … DENVER, COLO., 2 feb. (A.P.) Frank H. Rice, de aartsbisschop van de Liberale Kerk van Amerika, heeft aangekondigd dat hij zijn voornemen om een ‘geit-en-rekenmachine’-ritueel uit te voeren voor de veroordeelde moordenaar William Moya wenst door te zetten, ondanks de bezwaren die hiertegen werden geuit door een kardinaal van deze sekte. Rice verklaarde dat de geit zal worden ingezet bij een ‘zak-en-as’-dienst die vlak voor en na afloop van Moya’s terechtstelling (die dient plaats te vinden in de week van 20 juni) zal worden opgedragen. Gebeden voor de ziel van de veroordeelde man zullen worden ingevoerd in een rekenmachine. Cijfers, zo verklaarde hij, zijn de enige universele taal. Moya vermoordde Joseph Zemp, een bejaarde kluizenaar, vanwege een ruzie over een klein geldbedrag.’

Juffrouw Farkis lachte en Shrike hief zijn vuist op alsof hij haar ging slaan. Zijn gedrag trok de aandacht van de barkeeper, die het gezelschap vroeg naar de achterkamer te verhuizen. Miss Lonelyhearts wilde niet meegaan, maar Shrike stond erop en hij was te moe om te protesteren. 

Ze namen plaats rond een tafel in een van de zitjes. Shrike hief wederom zijn vuist op maar toen juffrouw Farkis achteruit deinsde liet hij het gebaar overgaan in een liefkozing. Het trucje werkte. Ze liet zijn hand begaan totdat hij te brutaal werd en ze hem van zich afduwde.

Shrike begon weer te schreeuwen en deze keer begreep Miss Lonelyhearts dat hij een verleidingspraatje aan het ophangen was. 

‘Ik ben een groot heilige,’ riep Shrike, ‘ik kan op mijn eigen water lopen. Heb je nooit gehoord van het verhaal van het Lijden van Shrike in de Lunchroom, of van de Doodsstrijd bij de Fristap? Daar vergeleek ik de wonden op Christus’ lichaam met de monden van een wonderbaarlijke portemonnee waarin we het kleingeld van onze zonden storten. Met recht een treffende beeldspraak. Maar laten we nu eens kijken naar de gaten in onze eigen lichamen en ons afvragen wat het is waar deze aangeboren wonden toegang toe geven. Onder de menselijke huid bevindt zich een betoverende jungle waarin aderen als weelderige tropische groeisels hangen naast overrijpe organen en onkruidachtige ingewanden zich in een krioelende kluwen van rood en geel hebben gewrongen. In deze jungle leeft, fladderend van rotsgrijze long naar gouden darm, van lever naar geest en weer terug naar lever, een vogel genaamd ziel. De katholiek jaagt op deze vogel met brood en wijn, de Hebreeuw met een gouden liniaal, de protestant op loden voeten met loden woorden, de boeddhist met gebaren, de neger met bloed. Ik spuug op hen allemaal! Phah! En ik verzoek jullie om ook te spugen. Phah! Moeten we vogels opzetten? Nee, mijn schatjes, taxidermie is iets heel anders dan religie. Nee! Duizendmaal nee. Het is beter, zeg ik jullie, om een levende vogel te hebben in de jungle van het lichaam dan twee opgezette vogels op de tafel in de bibliotheek.’

Zijn liefkozingen begeleidden zijn preek. Toen hij aan het eind ervan was gekomen, begroef hij zijn driehoekige gezicht in haar nek als het blad van een hakbijl.

Miss Lonelyhearts en het Lam Gods

Miss Lonelyhearts nam een taxi naar huis. Hij woonde alleen in een kamer die even vol van schaduwen was als een oude staalgravure. Er stonden een bed, een tafel en twee stoelen in. De wanden waren kaal, op een ivoren Christusfiguur na die boven het voeteneinde van het bed hing. Hij had het beeldje losgewerkt van het kruis waaraan het had vastgezeten en had het met grote spijkers tegen de muur getimmerd. Maar het door hem beoogde effect werd hiermee niet bereikt. In plaats van te kronkelen van de pijn bleef de Christus sereen en decoratief.

Hij kleedde zich meteen uit en ging met een sigaret en De gebroeders Karamazov in bed liggen. Zijn boekenlegger lag bij een hoofdstuk dat gewijd was aan de starets Zosima.

‘Vrees niet de zonde der mensen, houd ook van de mens in zijn zonde, want dit staat al bijna gelijk aan de goddelijke liefde en is hoger dan de liefde op aarde. Houd van heel Gods schepping, in haar geheel en van elk zandkorreltje apart. Houd van elk blaadje, van elk straaltje Gods. Heb de dieren lief, houd van de planten, houd van alle dingen. Als je van alle dingen houdt, dan doorgrond je het mysterie Gods in de dingen. Als je dat hebt doorgrond, dan zul je onvermoeibaar beginnen het steeds meer en vaker te zien, elke dag. Tot je ten slotte de hele wereld liefkrijgt met een totale, wereldwijde liefde.’*

Het was uitstekend advies. Als hij het zou opvolgen, zou hij veel succes hebben. Zijn rubriek zou landelijk verspreid worden en de hele wereld zou leren liefhebben. Het koninkrijk der hemelen zou aanbreken. Hij zou aan de rechterkant van het Lam Gods plaatsnemen.

Maar in alle ernst realiseerde hij zich wel dat niet erg zinvol zou zijn om zichzelf voor de gek te houden, zelfs als Shrike het niet al lang onmogelijk had gemaakt het christusaspect nog serieus te nemen. Zijn roeping was van een andere aard. Toen hij nog een jongen was had hij in zijn vaders kerk ontdekt dat er iets wakker in hem werd als hij de naam van Jezus uitriep, iets geheims en ongelofelijk krachtigs. Hij had ermee gespeeld maar had het nooit toegestaan tot wasdom te komen.

Hij wist nu wat dit was geweest – hysterie, een slang met schubben als minispiegeltjes waarin de dode wereld zich als levend voordoet. En dood is de wereld … een wereld van deurknoppen. Hij vroeg zich af of hysterie werkelijk een te hoge prijs zou zijn om te betalen om het tot wasdom te laten komen.

Jezus was voor hem de meest natuurlijke van alle sensaties. Terwijl hij zijn blik fixeerde op het figuurtje dat aan de muur hing begon hij te psalmodiëren: ‘Christus, Christus, Jezus Christus. Christus, Christus, Jezus Christus.’ Maar op het moment dat de slang zich in zijn hoofd begon te ontrollen werd hij bang en sloot hij zijn ogen.

De slaap bracht een droom waarin hij zich op het podium van een vol theater bevond. Hij was een goochelaar die goochelde met deurknoppen. Hij liet ze bloeden, bloeien, spreken. Toen zijn act voorbij was probeerde hij zijn publiek voor te gaan in gebed. Maar hoe hij ook probeerde, zijn gebed was er een dat Shrike hem had geleerd en zijn stem was die van een treinconducteur die de stations omroept.

‘O Heer, wij zijn niet zij die zich wassen in wijn, water, urine, azijn, vuur, aardolie, pimentolie, melk, brandy of boorzuur. O Heer, wij zijn zij die zich uitsluitend wassen in het Bloed van het Lam Gods.’

De droom verplaatste zich naar een andere plek. Hij bevond zich nu in zijn oude studentenflat. Bij hem waren Steve Garvey en Jud Hume. Ze hadden van middernacht tot het ochtendgloren zitten discussiëren over het bestaan van God en toen de whisky op was hadden ze besloten op de markt wat appelbrandewijn te gaan halen. 

Ze volgden de straten van de slapende stad naar het open veld dat erbuiten lag. Het was lente. De zon en de geur van pas ontsproten groente versterkte hun dronkenschap en ze waggelden rond tussen de afgeladen handkarren. De boeren reageerden vriendelijk op hun gedol. Jongens van de universiteit die aan de rol waren.

Ze vonden de bootlegger en kochten een kruik appelbrandewijn, waarna ze naar een veldje liepen waar vee werd verhandeld. Ze stopten om even te dollen met een paar lammeren. Jud stelde voor om er een te kopen en in het bos te roosteren boven een kampvuur. Miss Lonelyhearts stemde in, op voorwaarde dat ze het aan God zouden offeren voordat ze het zouden barbecueën. 

Steve werd naar het messenkraampje gestuurd om een slagersmes te kopen, terwijl de andere twee achterbleven om te onderhandelen over de prijs van een lammetje. Na een langdurige, Armeens aandoende woordenwisseling waarbij Juds boerse achtergrond goed van pas kwam werd het jongste exemplaar uitgekozen, een klein mormel met stramme pootjes en een naar verhouding grote kop.

Ze voerden het lam in processie over de markt. Miss Lonelyhearts ging voorop met het mes en de anderen volgden, Steve met de kruik en Jud met het beest. Tijdens de mars zongen ze een obscene versie van ‘Mary had a little lamb’.

Tussen de markt en de heuvel waarop ze hun offer wilden volbrengen lag een weitje. Tijdens het oversteken ervan plukten ze madeliefjes en boterbloemen. Halverwege de heuvel vonden ze een grote steen en bedekten deze met de bloemen. Miss Lonelyhearts werd als priester aangewezen, met Steve en Jud als zijn dienaars. Terwijl zij het lam vasthielden boog Miss Lonelyhearts zich eroverheen en begon te psalmodiëren. 

‘Christus, Christus, Jezus Christus. Christus, Christus, Jezus Christus.’

Toen ze zichzelf voldoende hadden opgezweept, stootte hij met kracht op het lam in. Het mes belandde niet op de juiste plaats en veroorzaakte een vleeswond. Hij hief het mes nogmaals op en deze keer leidde het heftige tegenstribbelen van het lam ertoe dat hij het helemaal miste. Het mes brak op het altaar. Steve en Jud trokken de kop van het beest naar achteren om Miss Lonelyhearts in de gelegenheid te stellen het de keel door te snijden, maar er was nog maar een klein stukje van het blad aan het heft overgebleven en het lukte hem niet door de dichte wol heen te dringen.

Hun handen zaten onder het glibberige bloed en het lam ontsnapte. Het vluchtte in het struikgewas. 

De felle zon omlijstte het altaar met scherpe schaduwlijnen en het toneel leek zich klaar te maken voor nog meer geweld. Ze namen de benen. Ze renden de heuvel af tot ze het weitje bereikten, waar ze uitgeput in het hoge gras neervielen. 

Nadat er wat tijd was verstreken smeekte Miss Lonelyhearts de anderen om terug te gaan en het lam uit zijn lijden te verlossen. Ze weigerden. Hij ging alleen en vond het onder een struik. Hij sloeg het met een steen de hersens in en liet het karkas achter voor de vliegen die rond het bloederige altaar zwermden.

Miss Lonelyhearts en de dikke duim

Miss Lonelyhearts begon een welhaast waanzinnige gevoeligheid voor orde te ontwikkelen. Alles moest volgens een bepaald patroon gebeuren: de schoenen onder het bed, de stropdassen tussen de klem, de pennen op tafel. Als hij uit het raam keek componeerde hij de skyline door de gebouwen een denkbeeldige balans toe te kennen. Als er een vogel door zijn constructie heen vloog, kneep hij zijn ogen boos dicht tot hij verdwenen was. 

Een tijdlang leek hij redelijk in evenwicht maar op een dag stelde hij vast dat hij met zijn rug tegen de muur stond. Op die dag kwamen alle levenloze objecten waar hij controle over had proberen uit te oefenen tegen hem in opstand. Als hij iets aanraakte viel het om of rolde het weg. De boordenknoopjes verdwenen onder het bed, de punt van zijn potlood brak af, het rolgordijn weigerde van onder vast te blijven zitten. Hij vocht terug maar met te veel geweld en werd overtuigend verslagen door het springveertje van de wekker.

Hij vluchtte de straat op maar daar was de chaos menigvuldig. Onsamenhangende groepjes mensen haastten zich voort en weigerden hierbij de vorm van sterren of vierkanten aan te nemen. De lantaarnpalen waren onregelmatig geplaatst en de verkeersborden hadden verschillende formaten. Ook kon hij niet overweg met het scherpe, rinkelende geluid van trams en met de ruwe kreten van straatventers. Geen enkele herhaald uitgesproken woordenreeks paste bij hun ritme en geen toonladder kon er betekenis aan verlenen.

Hij stond stil tegen een muur geleund en probeerde niets te zien of te horen. Toen dacht hij aan Betty. Ze had hem vaak het gevoel gegeven dat ze, als ze zijn stropdas rechttrok, nog veel meer rechttrok. En hij had weleens gedacht dat als haar wereld groter was, als die de wereld zou zijn, ze er evenveel orde in zou kunnen aanbrengen als in de objecten op haar kaptafel. 

Hij gaf de taxichauffeur Betty’s adres op en vroeg hem snel te zijn. Maar ze woonde aan de andere kant van de stad en tegen de tijd dat ze daar aankwamen was zijn paniek omgeslagen in irritatie.

Ze deed de deur van haar appartement open, gekleed in een helderwit, linnen peignoir dat aan de randen gelig bruin was verkleurd. Ze stak haar beide handen naar hem uit en haar armen zagen er rond en glad uit als hout dat is afgesleten door de zee. 

Nu zijn bewustzijn weer was teruggekeerd besefte hij dat alleen geweld zijn geest weer soepel zou kunnen maken. Maar hij richtte zijn verwijten op Betty. Haar wereld was niet de echte wereld en zou nooit de lezers van zijn rubriek kunnen omvatten. Haar zekerheid was gegrondvest op het vermogen om ervaringen bewust onder controle te houden. Daar kwam nog bij dat zijn verwarring betekenisvol was en haar orde niet.

Hij probeerde haar begroeting te beantwoorden maar ontdekte dat zijn tong een dikke duim was geworden. Om niet te hoeven praten probeerde hij haar op onhandige wijze een kus te geven, waarna hij zich trachtte te verontschuldigen voor zijn gedrag.

‘Te veel de-terugkeer-van-de-geliefde-gedoe, ik weet het, en ik …’ Hij stamelde met opzet, zodat ze zijn verwarring voor oprecht gevoel zou aanzien. Maar de truc werkte niet en ze wachtte de rest van zijn verhaal af:

‘Ga wat met me eten, alsjeblieft.’

‘Ik vrees dat ik verhinderd ben.’

Haar glimlach ging over in een lach.

Ze lachte hem uit. In het defensief gedrongen onderzocht hij haar lach op ‘bitterheid’, ‘zure-druiven’, ‘een-gebroken-hart’, ‘kan-mij-het-schelen’. Maar tot zijn verwarring zag hij geen aanleiding om terug te lachen. Haar glimlach had zich op natuurlijke wijze verwijd – niet als een paraplu – en terwijl hij toekeek klapte de lach in en werd weer een glimlach, een glimlach die noch ‘wrang’, noch ‘ironisch’, noch ‘mysterieus’ was.

Terwijl ze de woonkamer inliepen verdiepte zijn irritatie zich. Ze ging zitten op een divan met haar blote benen onder zich en haar rug recht. Achter haar bloeide een zilveren boom in het citroenkleurige behang. Hij bleef staan.

‘Betty de boeddha,’ zei hij. ‘Betty de boeddha. Het zelfingenomen lachje heb je al; nu alleen nog de dikke buik.’

Zijn stem was zo vol haat dat hij het hem zelf verbaasde. Hij stond een tijdje zijn gewicht van de ene naar de andere voet te verplaatsen, waarna hij uiteindelijk naast haar op het divanbed ging zitten en haar hand in de zijne nam. 

Er waren meer dan twee maanden verstreken sinds hij hier met haar op deze zelfde divan had gezeten en haar had gevraagd met hem te trouwen. Ze had toen ja gezegd en ze hadden hun leven na het huwelijk gepland, zijn baan en haar gingangen schort, zijn pantoffels bij de open haard en haar keukentalenten. Sindsdien was hij haar uit de weg gegaan. Hij voelde zich niet schuldig; hij was alleen maar geïrriteerd dat hij zichzelf had wijsgemaakt dat zo’n oplossing mogelijk zou zijn.

Hij was het hand in hand zitten al snel zat en werd alweer onrustig. Hij herinnerde zich dat hij aan het eind van zijn laatste bezoek zijn hand tussen haar kleren had gewrongen. Niet in staat om iets anders te bedenken herhaalde hij dit gebaar. Ze was naakt onder haar peignoir en hij vond haar borsten.

Ze liet niet blijken zich bewust te zijn van zijn hand. Hij had graag een klap gekregen, maar zelfs toen hij een tepel tussen zijn vingers nam bleef ze stil.

‘Laat me deze roos plukken,’ zei hij, terwijl hij er een krachtige ruk aan gaf. ‘Ik wil hem in mijn knoopsgat dragen.’

Betty legde haar hand op zijn voorhoofd. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ze. ‘Ben je ziek?’

Hij begon tegen haar te schreeuwen, wat hij begeleidde met overdreven toepasselijke gebaren, als die van een ouderwetse acteur.

‘Wat een vriendelijk kreng ben je toch. Zo gauw iemand zich vervelend begint te gedragen zeg je dat hij ziek is. Vrouwenmartelaars, verkrachters van kleine kinderen, volgens jou zijn ze allemaal ziek. Geen moraal, slechts medicijnen. Nou, ik ben niet ziek. Ik heb je verdomde aspirine niet nodig. Ik heb een jezuscomplex. De mensheid … ik ben een liefhebber van de mensheid. Al die geknakte ellendelingen …’ Hij besloot zijn speech met een kort lachje dat klonk als een blaf.

Ze had de divan verruild voor een rode stoel die dik was van het vulsel en waarvan de springveren op het punt leken te staan eruit te barsten. In de schoot van dit lederen monster verdween ieder spoor van de serene boeddha. 

Maar zijn woede was nog niet bekoeld. ‘Wat is er aan de hand, liefje?’ vroeg hij, terwijl hij haar dreigend op haar schouder tikte. ‘Vond je de voorstelling niet mooi?’

In plaats van hierop te antwoorden hief ze haar arm op alsof ze een klap afweerde. Ze leek door haar zachtmoedige hulpeloosheid op een poesje dat je handen deed jeuken om het pijn te doen.

‘Wat is er aan de hand?’ vroeg hij telkens weer. ‘Wat is er aan de hand? Wat is er aan de hand?’

Haar gezicht nam de uitdrukking aan van een onervaren gokker die zich voorneemt in een keer alles in te zetten. Hij was al op zoek gegaan naar zijn hoed toen ze eindelijk sprak.

‘Ik hou van je.’

‘Je wat?’

Het bracht haar in verwarring haar woorden te moeten herhalen, maar ze slaagde erin niet dramatisch te klinken.

‘Ik hou van je.’

‘En ik hou van jou,’ zei hij. ‘Van jou en van je verdomde geglimlach door je tranen heen.’

‘Waarom laat je me niet met rust?’ Ze was begonnen te huilen. ‘Ik voelde me prima voordat jij kwam en nu voel ik me belabberd. Ga weg. Ga alsjeblieft weg.’

*Nathanael West’s in 1933 gepubliceerde Amerikaanse klassieker Miss Lonelyhearts wordt als het hoogtepunt van zijn oeuvre beschouwd en telde onder zijn bewonderaars naast tijdgenoten als William Carlos Williams en F. Scott Fitzgerald ook latere pleitbezorgers als W.H. Auden en recentelijk dus Ian McEwan. 

De jonggestorven Amerikaanse schrijver beschreef in zwartgallig doch humoristisch proza de onttakeling van de sociale en morele orde van zijn vaderland en de bitterheid en woede die de grote depressie in het Amerika van de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw veroorzaakte. 

Nathanael West werd in 1903 onder de naam Nathan Weinstein geboren in New York City, als eerste en enige kind van Litouwse joden die in de jaren negentig van de 19e eeuw naar Amerika waren geëmigreerd. Zowel op de lagere en de middelbare school als later op de universiteit zijn Nathan’s studieresultaten nooit beter dan matig te noemen, maar wel is hij al op jonge leeftijd een fanatieke veellezer en hij leert al jong het werk van veel klassieke en toentertijd moderne schrijvers kennen. 

Op een zomerkamp voor joden in het Adirondackgebergte verricht hij voor het kampblaadje zijn eerste journalistieke werk, over het leven op het kamp. Hij maakt de middelbare school niet af maar weet desalniettemin tot Tufts University te worden toegelaten door gefingeerde schoolresultaten te overleggen aan de toelatingscommissie. Het zal niet zijn laatste zwendeltje zijn. 

In zijn eerste jaar op Tufts boekt hij weer de gebruikelijke slechte resultaten en ziet hij zich gedwongen om nog voor het einde van het semester de universiteit te verlaten. Wederom voor geen gat te vangen doet hij zich vervolgens voor als een andere Nathan Weinstein, een medestudent wiens resultaten wel goed genoeg zijn om als tweedejaars te worden toegelaten tot een andere universiteit, Brown. 

Op Brown vestigt Nathan een reputatie als dandy en raakt hij bevriend met de humoristische schrijver S.J. Perelman. Als West wordt uitgesloten van de studentensociëteiten vanwege zijn joods-zijn richt hij zijn eigen sociëteit op. Op de traditionele Class Day provoceert hij de leden van de universiteit met een toespraak over het leven van St. Puce, een vlo die in de oksel van Jezus Christus ter wereld komt. 

In 1924 lukt het West zowaar om af te studeren, waarna hij voor zijn vaders bouwfirma gaat werken. Hij schrijft nu onder andere poëzie en maakt tekeningen voor literaire tijdschriften. Tijdens een lang verblijf in Parijs komt hij in contact met mensen als Henry Miller en Max Ernst en verandert hij zijn naam in Nathanael West. 

In 1927 wordt hij nachtportier in een New Yorks hotel, waar hij ’s nachts werkt aan zijn eerste novelle. (Ondertussen probeert hij ook een snoepje dat hij heeft uitgevonden en dat de eigenaardige naam ‘Cactus Candy’ draagt op de markt te brengen, maar deze Pythoneske onderneming komt niet van de grond.) In het hotel laat hij Dashiell Hammett gratis verblijven, die er The Maltese Falcon voltooit. Het is de tijd van de drooglegging en de speakeasy’s. 

Via Perelman komt West in contact met mensen van The New Yorker, onder wie Dorothy Parker. Dezelfde Perelman stelt hem ook voor aan de schrijfster van een adviesrubriek voor de Brooklyn Eagle, die  hen de lezersbrieven die ze ontvangt laat lezen. Dit brengt West op het idee voor Miss Lonelyhearts

Hij schrijft nu ook artikelen voor communistische periodieken en korte verhalen, die hij echter niet weet te slijten aan tijdschriften. In een volgend hotel wordt hij als manager aangesteld, van welke functie hij gebruikmaakt om er zijn vele literaire vrienden gratis onderdak te geven. 

Op voorspraak van W. C. Williams wordt in 1931 Wests eerste novelle, het sterk door de Franse surrealisten geïnspireerde, nihilistische The Dream Life of Balso Snell gepubliceerd, in een zeer kleine oplage. West beschrijft het boek als een ‘protest tegen het schrijven van boeken’, de critici beschrijven het op hun beurt als smerig, weerzinwekkend, obscuur en hysterisch, ‘een zelfbevlekkende lange neus naar de Kunst’. 

West wordt mede-redacteur van Williams’ literaire tijdschrift Contact, waarin hij hoofdstukken van Miss Lonelyhearts publiceert en in 1933, het hoogtepunt van de crisisjaren, verschijnt het boek als zelfstandige uitgave. 

In Miss Lonelyhearts wordt de worsteling beschreven die de redacteur van een brievenrubriek levert om moreel overeind te blijven in het desolate menselijke en economische landschap van de grote depressie. 

De novelle rekent op sardonische wijze af met alle heilige huisjes van de Amerikaanse droom, waarbij met name de religie het moet ontgelden, maar ook de politiek, de romantische en lichamelijke liefde, de filosofie of de drank geen verlossing blijken te kunnen bieden. Het christuscomplex waar Miss Lonelyhearts naar eigen zeggen aan lijdt, leidt niet tot verlossing en zelfs niet tot een uitgesproken catharsis, maar – in weerwil van Miss Lonelyhearts’ wanhopige pogingen iets te voelen door middel van drank, geweld en seks – tot desillusie. 

Miss Lonelyhearts grijpt je niet alleen aan door de op ware gebeurtenissen gebaseerde lijdensverhalen die Miss Lonelyhearts van zijn lezers toegezonden krijgt – en die zijn verlangen naar religieuze verlossing ook voor niet-gelovigen invoelbaar maken – maar ook door de sterk door ideeën gemotiveerde en toch realistisch aanvoelende mise-en-scène. De vertelstijl doet in zijn gebruik van symboliek en realisme soms aan Kafka denken: het gezicht van Shrike dat zich ‘als het blad van een hakbijl’ in de nek van juffrouw Farkis plant, de terloops aangeduide vallei der schaduwen waar Miss Lonelyhearts doorheen loopt als hij het parkje binnengaat, de krant die door de lucht wappert ‘als een vlieger met een gebroken ruggengraat’: krachtige poëtische beelden die het proza een expressionistisch karakter geven.

Het grafische effect van de vertelling heeft veel te maken met het feit dat West van mening was dat psychologie en werkelijkheid twee zeer verschillende entiteiten waren en psychologische elementen dus ook nooit als motivatie voor literaire personages gebruikt mochten worden. Hij zette de novelle daarom op als een stripverhaal waarin de verschillende hoofdstukken een soort plaatjesreeksen vormen waarin alle gebeurtenissen zich, net als in een strip, op het platte vlak afspelen. Hieraan is ook de vrijheid te danken waarmee Wests ‘camera’ als het ware heen en weer, op en neer, en voor- en achterwaarts beweegt. 

Het boek werd slecht ontvangen. Zelfs de linkse pers (aan wiens kant West meende te staan) houdt niet van zijn werk en vindt dat er fascistische aspecten aan zitten. Ook de literati verafschuwen hem. Het behoeft geen betoog dat ook uitgevers niet voor hem in de rij stonden, ‘omdat er niets toe te juichen valt in mijn boeken, en wat erger is, er geen toejuichers zijn. Mijn boeken vervullen geen behoefte, alleen de mijne.’ 

West zag de idealen van de Amerikaanse droom materieel en spiritueel gecorrumpeerd raken maar vond in zijn werk geen plaats voor een positieve benadering van het politieke idealisme waaraan hij in zijn persoonlijke bestaan wel uitdrukking gaf. Hij beweerde met zijn proza echter geen boodschap te verkondigen voor de wereld waarin hij leefde – ‘behalve misschien: pas op’ – en zag zichzelf bovenal als een humoristische schrijver. 

De uitgever van Miss Lonelyhearts gaat failliet tijdens het proces van publicatie en de drukker weigert de resterende 1400 exemplaren vrij te geven, wat de verkoop van het boek niet ten goede komt. Later wordt het door een andere uitgever opnieuw op de markt gebracht, maar met de verkoop van zijn belangrijkste werk komt het tijdens Wests leven niet meer goed. 

Darryl F. Zanuck koopt desalniettemin de filmrechten en wordt hier vanwege de vermeende vulgariteit van het boek zwaar op aangevallen: een filmtijdschrift organiseert zelfs een brievencampagne om verfilming te voorkomen. De film komt toch uit, onder de titel Advice to the Lovelorn, maar het uiteindelijke product heeft hoegenaamd niets meer met het scandaleuze boek te maken. 

West heeft geld nodig en gaat, zoals veel Amerikaanse schrijvers in die tijd, als scenarioschrijver werken in Hollywood, een bezigheid die hem zwaar valt. Geen van de scripts die hij voor Samuel Goldwyn en Columbia Pictures schrijft, zal worden geproduceerd. 

In 1934 publiceert hij een nieuwe novelle, A Cool Million, een cynische satire op het soort optimistische rags-to-riches-verhalen waar Amerikaanse schrijvers als Horatio Alger destijds in gespecialiseerd waren. Ook deze novelle wordt slecht besproken en bereikt weinig lezers. 

Om te ontkomen aan een affaire keert hij voor enige tijd terug naar New York, waar hij van zich doet spreken als politiek activist. Terug in Hollywood verblijft hij enige tijd in een appartementencomplex waar verder vooral figuranten, stuntmannen en ‘dwergen’ wonen, en hier vindt hij de inspiratie voor The Day of the Locust

Voor Republic Productions werkt hij samen met andere schrijvers aan films als It Could Happen to You, Ladies in Distress en Ticket to Paradise. Daarnaast werkt hij voor R.K.O. Pictures aan een scenario dat radicaal herschreven onder de naam Suspicion door Alfred Hitchcock verfilmd zou worden, met Joan Fontaine in een van de hoofdrollen. Tevens werkt hij mee aan het succesvolle Five Came Back en schrijft hij voor Columbia in zijn eentje I Stole a Million

In Europa wordt ondertussen gemarcheerd in de straten en West wordt lid van de Anti-Nazi League, maar hij probeert afstand te bewaren ten opzichte van zijn communistische vrienden. Nadat een eerder toneelstuk over de Eerste Wereldoorlog met de curieuze naam Gentleman, the War! de theaters niet haalt, lukt dit met Good Hunting wel. Dit wordt echter al na twee uitvoeringen van de planken gehaald. 

In 1939 verschijnt The Day of the Locust, dat de lotgevallen beschrijft van een groep min of meer groteske karakters die het proberen te maken in Hollywood. In 1940 trouwt hij met Eileen McKenney, wiens zuster Ruth hun beider belevenissen beschrijft in een column in The New Yorker en in een toneelstuk. 

Zoals al in zijn schooltijd is gebleken, heeft West geen enkel bezwaar tegen wat profijtelijke zwendel als het zo uitkomt, dus gebruikt hij de titel A Cool Million voor een scenario dat met de gelijknamige novelle niets te maken heeft, in de hoop dat de studio meer neer zal willen tellen voor een script dat zogenaamd is gebaseerd op een reeds gepubliceerd boek dat de studiobazen – naar hij terecht verwacht – toch niet zullen lezen. Hij weet hiervoor inderdaad $ 10.000 los te peuteren maar het project zal nooit worden gerealiseerd.

Het is niet duidelijk of het kwam door het feit dat West overstuur was door het overlijden van zijn goede vriend F. Scott Fitzgerald of dat het ongeluk aan Wests legendarisch belabberde stuurmanskunsten te wijten was, maar op 21 december 1940 negeert West onderweg naar de begrafenis van Fitzgerald een rood licht en rijdt hij met hoge snelheid tegen een andere auto op. Zijn vrouw Eileen, die naast hem zat, overlijdt al in de ambulance onderweg naar het ziekenhuis waar diezelfde middag ook West zelf op 37-jarige leeftijd bezwijkt aan zijn verwondingen. 

In 1957 werd zijn verzameld werk herdrukt en in 2001 werd het opgenomen in The Library of America

*Shrike – Engels voor klauwier, een zangvogel die zich gedraagt als een roofvogel.

*In saecula saecolorum  – Voor altijd en eeuwig.

*De Susan Chesters… – Beatrice Fairfax begon in 1898 in de New York World de eerste adviesrubriek (‘Dear Beatrice Fairfax’) en kreeg hierin veel navolging, onder andere van Susan Chester in de Brooklyn Daily Times (‘Susan Chester Heart-to-Heart Letters’). Marion Meade – Lonelyhearts: The Screwball World of Nathanael West and Eileen McKenney (Houghton, Mifflin, Harcourt, 2010).

*Vrees niet de zonde… – Uit de gesprekken en vermaningen van de starets Zosima. F.M. Dostojevski – De broers Karamazov (Uitgeverij Van Oorschot, 2005. Vertaling Arthur Langeveld).


Malcolm Lowry (1909–1957) is vooral bekend als de schrijver van Under the Volcano. Lowry werkte tien jaar aan deze roman en zag hem vervolgens door twaalf uitgevers afgewezen worden. Toen ook uitgever Jonathan Cape het manuscript retourneerde, vergezeld van een negatief lezersrapport, reageerde Lowry hierop met de beroemd geworden brief waarin hij zijn meesterwerk op briljante en overtuigende wijze toelicht. Cape publiceerde het boek in 1947 en het geldt sindsdien als een van de literaire meesterwerken van de 20e eeuw. De brief aan Cape is tot nu toe de enige brief van Lowry die in het Nederlands is vertaald. Het mengsel van – doorgaans door grote hoeveelheden alcohol aangedreven – brille, humor, artistieke gedrevenheid, eruditie en existentiële wanhoop dat Lowry’s talent als brievenschrijver kenmerkt, maakt dit tot een gemis voor het Nederlandse lezerspubliek. In zijn eigen woorden: ‘Ik heb eigenhandig mijn leven-in-de-dood omgezet in leven… nog geen uur, geen moment van mijn dronkenschap, mijn onophoudelijke dood, was het niet waard: er is geen droesem van zelfs de ergste van deze uren, geen druppel mescaline die ik niet heb omgetoverd in puur goud, er is geen glas dat ik niet heb laten zingen.’

In de volgende brief aan zijn vriend en mentor, de schrijver Conrad Aiken, doet Lowry verslag van wat dramatische wederwaardigheden die hij en zijn vrouw Margerie hebben doorstaan en geeft hij op verzoek van Aiken advies over een op handen zijnde uitgave van Aikens poëzie. 

Aan Conrad Aiken*

[Dollarton, najaar 1945]

Goeie ouwe Conrad,

Dank voor je brief en was van plan zelf een hele lijvige informatieve en vermakelijke te schrijven – heb zelfs alle aantekeningen gemaakt voor dezelve, maar ik wil deze brief nu de deur uit hebben zodat hij op tijd komt om je een bon voyage te wensen, daarom moet ik de andere voorlopig opofferen. Ja, de feniks klapwiekte inderdaad inderdaad, hij maakte zelfs zo’n verdomd daverend harde klap dat de arme vogel zowat z’n nek brak en bijna helemaal opnieuw uit zijn as moest herrijzen. Zoals je weet zijn we na de brand oostwaarts gegaan. Maar het noodlot was ons al vooruit gereisd. De oneindige gouden bitterzoete ontzettend prachtige Oostelijke Herfst (die ik nooit eerder had meegemaakt) bracht Margie, die in Michigan is opgegroeid, enigszins op de been, maar zelf ging ik er bijna aan kapot. Het had op mij eigenlijk een nog kwalijker uitwerking dan op Henry Adams*, al is het Niagara-on-the-Lake van de Noxons* het bezichtigen waard: echt prachtig. Ik was er vreselijk slecht aan toe en ik was nog slechter gezelschap dus welbeschouwd was het, al was ik erg teleurgesteld je niet te zien – hoewel ik je wel heb gehoord -, misschien maar beter dat het er niet van gekomen is. Hoe de Noxons het met me konden uithouden – als ze dat tenminste konden – weet ik niet. Eigenlijk dreigde het gedoe met de brand ons allebei lichtelijk getikt te maken. Het traumatische effect ervan was op zichzelf al afmattend. Elke nacht opnieuw moesten we door dat verdomde vuur heen. De ene keer schrok ik wakker van Margie’s gegil, en de andere keer zij van mijn geschreeuw en tandenknarsen. Nog afgezien van deze vermakelijkheden (gelukkig waren de Noxons vaste slapers maar toen we verkasten naar een huis voor ons alleen werd het nog veel erger) leek het alsof we werden achtervolgd door vuur, op een manier die niet anders dan diabolisch genoemd kan worden. Betty had een schilderij gemaakt van een huis van één van de buren in Oakville dat Margie en ik hadden overwogen voor de winter te huren omdat het een vage gelijkenis vertoonde met ons oude huis, en op een dag toen iedereen weg was zat ik op zolder aandachtig dit schilderij te bekijken, dat ik erg mooi vond. Mijn aandacht werd enigszins afgeleid door het feit dat het huis in mijn verbeelding steeds in brand vloog en jawel, ongeveer een week later deed het dat dan ook, ze konden niet door het bos heen met de brandweerwagens, in geen vijftig jaar was zoiets voorgevallen in die regio, en het was een enorme toestand, waar Margie en ik bij wijze van uitzondering rustig doorheen sliepen. Toen we daarna naar Niagara-on-the-Lake gingen, ging op een avond dat we bij de Noxons op bezoek waren het huis naast het onze in vlammen op. We hoorden de kreten en het gebel en zagen de verschrikkelijke zon, (E.D. weer) – ik weet niet waarom zoveel Emily Dickinson dezer dagen* – en dachten natuurlijk dat het ons huis was en renden ernaartoe in een dusdanige paniek dat Margie er, toen we eenmaal ter plekke waren, zelfs niet zeker van was dat het niet ons huis was, en al onze manuscripten het huis uit begon te dragen. En bij wijze van klap op de vuurpijl bleek, toen we hier weer terugkwamen, dat het huis waar iemand zo goed was geweest ons toe te staan er ons beddengoed en het weinige dat ons restte na onze brand op te slaan, in onze afwezigheid tot aan de grond was afgebrand, met ons beddengoed en onze spullen erbij, klaarblijkelijk op mysterieuze wijze vlamvattend zonder enige aanwijsbare oorzaak tijdens een rustige milde avond terwijl de bewoners niet eens thuis waren. Margie en ik hadden een griezelverhaal bedacht, een moordenaar, een beoefenaar van zwarte kunst, die onder meer de vaardigheid bezat door middel van duistere talismans dingen vlam te laten vatten. De naam van deze fictieve heer luidde Pell en de betreffende MSS had ik toevallig uit onze brand kunnen redden. Goddastniewaaris dat de eigenaars van dit huis ook de naam Pell blijken te dragen, terwijl er oorspronkelijk geen enkel verband tussen de twee had bestaan. En zo maar door; alles bij elkaar nog een stuk of vijftig andere vreemde idiote trieste beangstigende en eigenaardig samenhangende zaken die me soms doen denken (alles bij elkaar gezien) dat ik de door God of de duivel uitverkoren kerel ben die de Seriële Wetten dient te verklaren. Helaas schijnt men zich daarvoor met zulke slechte kunst te moeten bezighouden: of is dat niet persé noodzakelijk? Hoe dan ook, ik ben Kant’s Kritiek der zuivere Rede aan het lezen, misschien helpt ‘t. 

En wat we aantroffen toen we hier weer terugkwamen: iemand, onbekenden en aasgieren, had onze verbrande afpalingen en bordjes genegeerd en pontificaal ons uitzicht naar het zuiden geblokkeerd door op half ons oude terrein een groot hoog lelijk bouwsel neer te zetten dat in de zomer vol zou zitten met luidruchtige rachitische kinderen en hysterische dikke vrouwen die alvast de vlaggen hadden neergehaald die we – misschien te theatraal – op onze armzalige oude ruïne hadden laten wapperen, die dode muizen in onze waterput hadden gegooid en die – tot aan de muren – ons hele toilet hadden ondergescheten. Dit is uiteraard een misdaad, naar de maatstaven van de plaatselijke volksgebruiken, de zeden, of weet ik het, al hadden we juridisch gezien geen poot om op te staan, omdat de pioniers- en kolonistenrechten zijn  afgeschaft: de paar vissers waar we mee bevriend zijn – buiten onszelf de enige permanente bewoners – kwamen te laat terug uit Alaska om er een stokje voor te steken, en onze Manxe scheepsbouwer hier uit de buurt werd alleen maar uitgelachen en bijna in elkaar geslagen toen hij ze tegen probeerde te houden. Ze wisten heel goed wat ze deden; dat we terug zouden komen. We hadden zelf hun huis tegen de grond kunnen gooien en hadden daarvoor zelfs de steun gekregen van het grootste gedeelte van de seizoensgasten, maar stom genoeg misschien besloot ik een Christusachtige houding aan te nemen met als gevolg dat ze ons de hele zomer in de haren hebben gezeten terwijl we aan het bouwen waren op het stukje grond dat ons restte, waarbij onze nieuwe buren het zelfs bestonden ons voor hebzuchtig uit te maken omdat we daar dan maar het beste van probeerden te maken, waarna de eigenaar op een dag langskwam en vroeg waarom we niet vaker met ze spraken en me ervan beschuldigde een vloek op hen en op hun huis gelegd te hebben, dat ze er niet gelukkig konden zijn, dat hun jongste kind de dag ervoor bijna verdronken was, en zo voort, en dat ze de ene tegenslag na de andere te verduren hadden gekregen, vanaf het moment dat ze hun huis hadden gebouwd, waarop ik antwoordde dat hoewel we ze het gebeurde weliswaar hadden vergeven, zij nooit welwillend genoeg waren geweest om toe te geven dat er überhaupt iets te vergeven viel, en dat je bovendien als je boven op iemands ziel gaat bouwen je nooit kan voorspellen wat er kan gebeuren, en dat het als er dan iets vervelends gebeurt geen zin heeft bij ons te komen klagen en net te doen alsof je zojuist de geit van Paddy Murphy hebt ingeslikt en z’n horens uit je aars steken. Al met al een behoorlijk ethisch probleem.

Eerlijk gezegd hebben we zelf nog het grootste aandeel gehad in de tegenslagen. Margie trapte de dag dat het timmerhout binnenkwam op een spijker – er ontstond wondroos op, gevolgd door bloedvergiftiging, tekort aan dokters, en uiteindelijk ziekenhuis, en onderzoeken, en dat was een afschuwelijke vreselijke angstige tijd. In die tijd ontving ze ook het eerste gedeelte van de drukproeven voor haar roman maar we wachten nog steeds op het beloofde exemplaar van het tweede gedeelte van de corrector, terwijl haar eerste roman nu al meer dan vier jaar (het gaat nu zijn vijfde jaar in) bij Sribners op publicatie ligt te wachten, en hoewel ze een contract voor een tweede roman hebben getekend met een tijdslimiet voor publicatie die dit najaar afloopt zitten we nu al midden in het najaar en heeft Margie nog geen glimp opgevangen van de drukproeven voor deze tweede roman, die eigenlijk vorig jaar Kerst bij de drukker had moeten liggen, dus lijkt het erop dat we contractbreuk kunnen gaan claimen, een schrale troost voor de arme auteur. Vervolgens zaagde ik het puntje van mijn duim eraf toen ik een gewone zaag als trekzaag probeerde te gebruiken, wat weer een vertraging betekende van onze bouwactiviteiten en de laatste twee maanden heb ik in bed doorgebracht bijna niet in staat tot bewegen als gevolg van een toxemie die voortkwam uit een osteomyelitis vanwege een abces aan een kies die getrokken moest worden. Er is een tekort aan tandartsen – ze nemen geen nieuwe patiënten aan, zelfs niet als je staat te dansen van de pijn zoals in mijn geval, en dat ook nog op V.J. Day*, als alle drugstores gesloten zijn. Maar anderzijds schijnen er ook weer te veel tandartsen te zijn: ze hebben gedreigd op straat praktijk te gaan houden in verband met de woningnood. Maar zelf heb ik deze tandartsen nog nergens kunnen ontdekken. Ondertussen hebben hier de laatste tijd gemiddeld twee moorden per week plaatsgevonden, de meesten door of op kinderen: ook waart er een dierenbeul rond die dertien geiten, verscheidene aapjes van zeelui, en twaalf konijnen die als huisdier gehouden werden van de ingewanden heeft ontdaan en die ongetwijfeld op één of andere wijze verantwoordelijk is voor de verschijning van een halve cocker spaniel in een laantje in de buurt van West Vancouver. Desondanks hebben we ons huis gebouwd en is het paradijs weer teruggewonnen. Ik vergat te zeggen dat net toen het paradijs was teruggewonnen wij de mededeling ontvingen dat er een nieuwe wet was aangenomen en dat al ons mooie bos binnen een jaar gerooid zou gaan worden met onszelf erbij teneinde plaats te maken voor ‘hoogwaardige autokampeerplaatsen’. Voor ons huis – dat zich er overigens op kan beroemen het laatste exemplaar van een pioniersvestiging in het kustgebied van Vancouver te zijn – betekende dit een doodvonnis dat uiteindelijk te veel was voor ons gevoel voor humor en mijn temperatuur liep binnen een kwartier op naar 39,4. Een triest verhaal, zou je zeggen, bijna net zo schrijnend als de Triumph of the Egg*. In het geheel niet. Er is gratie verleend. Er zullen geen hoogwaardige kampeerplaatsen komen, en ook geen minderwaardige buren. We mogen hier in ieder geval nog drie jaar blijven wonen onder dezelfde voorwaarden, ongehinderd en vrij van huur, en dan mogen we het perceel kopen, dat wil zeggen het gedeelte dat we willen hebben en we krijgen eerste keus – tegen een redelijke prijs. Aldus voegt je oude Malc zich, al blijft hij in zijn hart nog steeds een conservatieve Christelijke Anarchist, eindelijk bij het leger der lagere middenstanders. Ik voel me een beetje als een Prometheus die in onroerend goed gaat en z’n Kaukasische ravijn besluit op te kopen. 

Op het moment bewonen we het huis zonder binnenmuren, het regent dat het giet, en er komt geen druppel binnen. Wat een triomf. Ziehier het resultaat van onze inspanningen – naast de pier die we zelf gebouwd hebben, het enige dat is blijven staan van ons oude huis – vroeger liep hij tot aan onze voordeur: de aasgieren hebben zich er pal naast ingenesteld, in de hoop ook onze pier in gebruik te nemen, of dan toch op z’n minst onze waterput.

Mijn roman – de Volcano – lijkt in een vacuüm geslingerd te zijn, tot nu toe geen intelligente of bemoedigende reacties. Ik vind hem zelf erg goed, al is het shockeffect ervan misschien kleiner geweest vanwege The Lost Weekend* – eilaas, prozaïsche gerechtigheid? – niet te verwarren met The Last Week End* van John Summerfield, waarin het daadwerkelijk de oude Malc is die al te herkenbaar te gronde gaat, en nogal zwakjes ook. Ik was van plan je de Volcano toe te zenden, met enige schroom maar toch ook met enige trots, maar ik wil je liever niet opzadelen met het enige exemplaar dat ik ervan bezit en ik zie op dit moment geen mogelijkheid het enige andere terug te krijgen voor je afvaart. Neem dus alsjeblieft voorlopig de wil voor de daad. Ik zal ‘t nog wel zien, zoals de heer Wolfe ooit zei, nietwaar?

De enige verandering sinds ik het bovenstaande schreef is dat we weliswaar nog steeds zonder binnenmuren in het huis wonen maar dat het dak nu op zes verschillende plaatsen lekt. Maar ik heb ondertussen wel je brief over de Collected Poems ontvangen en ik wil hem snel nog even beantwoorden, al moet je het me niet kwalijk nemen als mijn opmerkingen niet grondig doordacht lijken. Dit zijn, in het kort, de gedachten die onmiddellijk bij me opkomen en ik hoop dat ze niet slechts verwarrend zijn. Ik vind het een zeer goed idee om de chronologische volgorde om te draaien, beter kan het eigenlijk niet – al denk ik dat ‘The Soldier’ misschien beter tot zijn recht komt als je het uit de nieuwe indeling licht en het, zoniet tussen de symfonieën, dan toch ergens in buurt daarvan plaatst, in het tweede gedeelte. De gedachte hierachter is dat, hoewel ‘The Soldier’ weliswaar niet tot de symfonieën gerekend kan worden, het wel bij het thema van de Heilige Pelgrim aansluit. Het was geloof ik Houston Peterson* die mij, mogelijk onterecht, het idee gaf dat je ooit van plan was geweest ook ‘Tetélestai’ bij de Heilige Pelgrim-sectie onder te brengen, en zelfs als dit onjuist is en ‘Tetélestai’ geen symfonie, is het de moeite waard erover na te denken als je het niet al verworpen hebt. Wat de vroegere gedichten betreft zou ik er absoluut alles in opnemen dat mogelijkerwijs bruikbaar kan zijn voor collega-dichters en bewonderaars van je werk – ‘Discordants with Youth that’s now so bravely spending’ en zoveel van het ‘Cats and Rats’-gedeelte uit Turns and Movies als je maar kwijt kunt. Die zijn me tot op de dag van vandaag zonder meer bijgebleven als unieke, indrukwekkende stukken, wat jij er zelf ook van moge denken. Ik zou ook de mogelijkheid aangrijpen stukken als ‘Red petals in the dust under a tree’, ‘Asphalt’, ‘Tossing our tortured hands to no Escape’ (weliswaar niet heel vroeg, 1925? modelletje maar erg mooi) en zelfs de ‘Succubus you kissed’-satire die je schreef tegen de Imagisten en die van historisch belang is, aan de onverdiende vergetelheid te ontrukken, en al deze stukken te dateren. 

Ik weet niet of er een selectie uit Earth Triumphant moet worden opgenomen, maar ik zou een korte toch wel overwegen – misschien neem je er terecht afstand van, maar persoonlijk zal ik nooit de ‘ongebruikelijke nattigheid in mijn broek’ vergeten waarmee ik het las in het huis van je oom Potter. Voor zover ik nu kan bedenken zou het enige wat ik verder nog anders zou doen er uit bestaan de hele gedichtenverzameling te beginnen met ‘The Morning Song of Senlin’ en te eindigen met ‘The Coming Forth by Day of Osiris Jones.’ Ik moet zeggen dat dit idee als zodanig me buitengewoon bevalt, vooropgesteld dat het je omgekeerde chronologische volgorde niet te veel in de war stuurt. Wat je ook beslist, ik ben erg blij dat er een Collected Poems aankomt en ik wens je er veel succes mee.

Mocht je trouwens nog oude Harper’s Bazaars, Vice Versas, Southern Reviews en dergelijke hebben liggen die je overweegt weg te gooien – eilaas, geen oude Dials? – dan zouden we enorm dankbaar zijn als je er een papiertje omheen zou willen doen en ze onder rembours of zo deze kant op lanceert, want we zijn hier volslagen ontstoken van dit soort leesvoer, omdat alle intelligente Amerikaanse tijdschriften hier al een eeuwigheid onverkrijgbaar zijn: aan de andere kant bedenk ik me nu dat het waarschijnlijk het verkeerde moment is om dit te vragen, net nu je aan het pakken bent: dus als het teveel gedoe betekent laat maar zitten. 

Nou, bon voyage, mijn beste, en heel veel liefs voor jullie allebei en we wensen Mary veel succes en nogmaals het allerbeste namens ons voor haar en jou en ook voor Jeakes*.

Malc

Noten

Voor de vertaling van deze brief heb ik gebruikgemaakt van Selected Letters uit 1967, geredigeerd door Harvey Breit en Margerie Bonner Lowry. Omdat Sursum Corda! uit 1996, geredigeerd door Sherril E. Grace – de semi-wetenschappelijke uitgave van de brieven in twee delen – alle varianten en elk – vaak onleesbaar of onbegrijpelijk – krabbeltje van Lowry bevat, leek het mij met het oog op de leesbaarheid verkieslijk de vertaling niet op deze uitgave te baseren.

*Conrad Aiken – Amerikaans schrijver. Vriend en mentor van Lowry.

*Henry Adams – Amerikaans historicus, filosoof en schrijver.

*De Noxons – Bevriend echtpaar.

*Emily Dickinson – Referentie aan een brief waarin zij beschrijft hoe zij wakker schrikt door een brand die naast haar huis uitbreekt: ‘We were waked by the ticking of bells, … I sprang to the window, and each side of the curtain saw that awful sun.’

*V.J. Day – Victory over Japan Day.

*Triumph of the Egg  – Verhalen- en gedichtenbundel van Sherwood Anderson.

*The Lost Week End – In 1944 gepubliceerde roman van Charles Jackson over een alcoholische schrijver.

*The Last Week End – Waarschijnlijk nooit gepubliceerd verhaal, geschreven door een oude vriend van Lowry.

*Houston Peterson – Schrijver van de eerste kritische studie over Aiken.

*Jeakes House – Aikens huis in Rye, Sussex.


De sterren staan niet meer zo gunstig voor John Updike en het is de vraag of ze dat ooit weer zullen doen. Al bij voorbaat verdacht als blanke, kerkgaande republikein is ook de beschuldiging van seksisme niet makkelijk te weerleggen. Updike was in de jaren zestig een van de eersten die binnen de mainstream literatuur realistisch en openhartig over seks schreef en hij deed dit vanuit een uitgesproken mannelijk, heteroseksueel gezichtspunt, simpelweg omdat dat zijn eigen gezichtspunt was en er destijds nog weinig andere voorhanden waren. Ik vermoed dat hij hierom in de vergetelheid is geraakt, relatief snel na zijn dood in 2009. Dat hiermee het kind met het badwater wordt weggegooid lijkt me evident en betreurenswaardig (overigens vind ik zelf dat badwater van een zelfde niveau als het overige werk, in weerwil van zijn Lifetime Achievement Bad Sex in Fiction Award), daarvoor hoef je maar een paar pagina’s te lezen van zijn geniale Rabbit-tetralogie, zijn Elckerlyc voor de twintigste eeuw. 

Als schrijver van korte verhalen was Updike op zijn hoogtepunt in de jaren zeventig, maar ook in zijn latere werk zijn briljantjes te vinden, getuige deze autobiografische schets uit zijn laatste, naar dit verhaal vernoemde bundel.

Mijn vaders tranen

Ik heb mijn vader maar een keer zien huilen. Het was op het treinstation van Alton, toen dat nog in gebruik was. Ik was op weg naar Philadelphia – een rit van een uur naar de eindhalte op 30th Street – om daar, op station Market Street, de trein te pakken die me terug zou brengen naar Boston en naar de universiteit waar ik studeerde. Ik kon haast niet wachten om te vertrekken, omdat mijn ouders en mijn ouderlijk huis toen al op een bepaalde manier onwerkelijk voor me waren geworden, waar Harvard, met zijn colleges en de toekomstdromen die deze opriepen en het meisje waarmee ik verkering had gekregen in mijn eerste jaar, elk semester werkelijker was geworden; het choqueerde me – ik was bij wijze van spreken het spoor even bijster – toen ik zag dat er in mijn vaders ogen, toen hij mij ten afscheid de hand drukte, tranen blonken. 

Ik weet het aan onze handdruk: achttien jaar lang hadden we deze omgangsvorm, dit mannelijke gebaar, niet nodig gehad en we waren er dan ook pas sinds kort al grabbelend onze weg in begonnen te vinden. Hij was langer dan ik, al was ik zelf niet klein, en ik realiseerde me, terwijl ik zijn warme hand in de mijne voelde en zag hoe hij een glimlach tevoorschijn trachtte te toveren, dat zijn perspectief anders was dan het mijne. Ik ging ergens naar toe en hij zag me vertrekken. Ik rees op naar mijn eigen perceptie van mezelf, maar voor hem werd ik kleiner. Hij had van me gehouden, ik realiseerde me dat als nooit tevoren. Het was iets wat nooit eerder gezegd had hoeven worden, en nu zeiden zijn tranen het. Daarvoor, in al die jaren tijdens alle kleine avonturen die we samen hadden gedeeld, was er altijd het gevoel geweest, dat hij me gaf, dat het leven een moeilijk parket was waar hij en ik ons samen, voor zolang als het duurde, in bevonden.

Het oude station van Alton was het soort plek dat hem op het lijf was geschreven: hij was altijd graag onderweg en was gehecht aan de kleine, vluchtige pleziertjes die het stadsleven te bieden heeft. Hier had ik mijn eerste pakje sigaretten gekocht, die de kioskbeheerder me zonder protest overhandigde, ondanks het feit dat ik een vijftienjarige was die er jonger uitzag dan zijn leeftijd. Hij gaf me gewoon mijn wisselgeld en een luciferboekje met daarop een advertentie voor Sunshine bier, gebrouwen in Altons eigen brouwerij. Alton was een middelgrote industriestad die in een economische malaise was beland sinds de migratie van de textielfabrieken naar het zuiden. Met zijn regelmatige stratenplan en zijn degelijke keuken kon het zijn bewoners echter nog steeds alle traditionele gemakken bieden en een illusie van welvarendheid scheppen. Voor zover ik me kan herinneren stak ik één blok nadat ik het station had verlaten mijn eerste sigaret op en hoewel ik nog niet wist hoe ik moest inhaleren, kreeg mijn gestel er een behoorlijke optater van; het trottoir leek op me af te komen en de hele wereld voelde opeens lichter. Vanaf die dag begon ik in sociaal opzicht meer in de pas te lopen met mijn wat hippere leeftijdgenoten, die ook al rookten. 

Zelfs mijn meer sedentair ingestelde moeder, die eerder een lezer was dan een reiziger, had een relatie met het station: het was de enige plek in de stad waar je haar favoriete tijdschriften kon kopen, Harper’s en The New Yorker. Net als de door de Carnegie Stichting geschonken, imposante bibliotheek twee blokken verderop in Franklin Street was het een gebouw waarin je je veilig voelde. Allebei waren ze neergezet met het oog op de eeuwigheid, in een tijd dat treinen en boeken voor altijd bij ons leken te zullen blijven. Het station was een vierkante, granieten tempel met marmeren vloeren en een hoog plafond waarvan de vergulde panelen lagen te blinken onder een laag roet. De hooggerugde wachtbanken zagen er even statig uit als kerkbanken. De radiators ratelden en de karamelkleurige muren kreunden alsof ze de menselijke geluiden terugkaatsten die ze dag en nacht absorbeerden. Bij de kiosk en de cafetaria was het meestal druk en in de wachtruimte was het altijd warm, zoals mijn vader en ik op meer dan een winteravond hadden kunnen vaststellen. We waren forensen geweest naar dezelfde middelbare school, hij als docent en ik als student, in tweedehands auto’s die regelmatig weigerden te starten of strandden in sneeuwstormen. Dan zochten we onze weg steevast naar die ene plek waarvan we zeker wisten dat hij open zou zijn, het treinstation.

Toen we daar op dat perron stonden en vanaf een kilometer verderop de belsignalen hoorden die de komst van mijn trein aankondigden, konden we niet voorzien dat het passagiersvervoer naar Philadelphia binnen een tiental jaren zou worden stopgezet en dat het station uiteindelijk, net als zoveel andere treinstations in het oosten van de VS, zou worden opgeheven en dichtgetimmerd. Het prachtige oude gebouw zou daarna temidden van zijn acre leeg parkeerasfalt achterblijven als een bovenmaats praalgraf. Al het leven dat het ooit had bevat was het zwijgen opgelegd en de rest van de eeuw zou het, in deze stad waarin de vooruitgang tot stilstand was gekomen, eerloos moeten wachten op het tijdstip dat het met de grond gelijk gemaakt zou worden.

Maar mijn vader voorzag wel, vertelde de glinstering in zijn ogen me, dat de tijd ons zou wegvreten – dat de jongen die ik was geweest stervende was, misschien zelfs al dood, en dat we steeds minder met elkaar te maken zouden hebben. Mijn leven was uit het zijne voortgekomen en nu ging ik ermee vandoor. De trein verscheen, met zijn locomotief die met zijn hoge stalen wielen en lange koppelstangen en zijn immense, cilindervormige boiler totaal uit proportie leek met de kleine, zachte lichamen die hij met zich meevoerde. Ik stapte in. Mijn ouders leken kleiner geworden, vertekend door het perspectief. We wuifden schaapachtig naar elkaar door het beroete treinkozijn. Ik sloeg mijn boek open – The Complete Poetical Works of John Milton – nog voordat de zanderige buitenwijken van Alton uit het zicht waren verdwenen.

Aan het eind van mijn lange dag reizen haalde mijn vriendin me niet af van Bostons South Station maar van een halte daarvoor, station Back Bay, dat dichter bij Cambridge lag. Wat voelde ik me elegant, de hele dag Milton te lezen, die relatief kleurloze en moeilijk uit het hoofd te leren pentameters van Paradise Regained, en dan ten overstaan van de andere studenten die uit de trein kwamen op het perron afgehaald en omhelsd te worden door een meisje – nee, door een vrouw – in een grijze lakense jas, op canvasgympen en met een paardenstaart. Het moet in de voorjaarsvakantie zijn geweest, want het feit dat Deb me kwam afhalen betekent dat de vakantie voor haar te kort was geweest om op en neer te reizen naar St. Louis, waar ze vandaan kwam. In plaats daarvan had ze een week lang op mijn terugkomst gewacht. Ze had de neiging om zich niet dik genoeg te kleden voor de lange New Englandse winter, terwijl ik de zware winterjas met riem en gesp en wolachtige voering droeg die mijn ouders tot mijn gêne voor me hadden gekocht om me voor een longontsteking te behoeden in dat verre, koude New England. 

Ze vertelde me, terwijl we eerst de groene metrolijn en vervolgens de rode volgden richting Harvard Square, wat ze die week had meegemaakt. Er was een niet-voorspelde sneeuwstorm geweest, waarvan nog steeds de modderige sporen te zien waren, en bij het restaurant waar ze een paar avonden per week als serveerster werkte, hadden ze haar, omdat ze de enige student was die er werkte, de opdracht gegeven om in de kelder de administratie te doen, terwijl de andere serveersters alle fooien in hun zak konden steken. Ze maakte zich hier bijna tot tranen aan toe kwaad over. Ik vertelde haar wat ik me kon herinneren van mijn week in Philadelphia, hoewel de herinnering eraan alweer bijna verbleekt was, op het detail na dat eruit stak als een glinsterende splinter – mijn vaders tranen. Mijn eigen ogen jeukten en brandden na mijn dag van lezen in een constant heen en weer schuddende trein; ik had ze alleen maar van mijn boek opgelicht om het glanzen van de oceaan te bewonderen toen de trein over het stuk kustspoor bij New London reed.

Toen we nog maar kort getrouwd en nog kinderloos waren, brachten Deb en ik ieder jaar één zomermaand door bij zowel haar als mijn ouders. Haar vader was een gerespecteerde unitaristische predikant, die preekte in een grijs, neogotisch gebouw dat met het oog op de eeuwigheid was gebouwd, vlakbij de campus van de Washington University. Elk jaar verhuisde hij zijn gezin in juni van de ruime, uit steen opgetrokken pastorie die het bewoonde op Lindell Boulevard naar de Vermontse voormalige boerderij die hij in de jaren dertig voor vijfhonderd dollar had gekocht. Dat jaar arriveerden Deb en ik er nog voordat haar vaders pastorale verplichtingen hem toelieten om er met zijn gezin, dat bestond uit zijn echtgenote en twee andere dochters, naar toe te komen. De kille eenzaamheid van het huis, waar alleen rudimentair koudwatersanitair in aanwezig was en geen elektriciteit, en dat hoog op een heuvel lag aan een kronkelige landweg waaraan verder slechts, een halve kilometer verderop, één ander huis te zien was, dat ook al bewoond werd door een unitaristische predikant, onderstreepte mijn gevoel dankzij mijn eega verheven te zijn naar een nieuw, hoger gelegen en weidser territorium.

De enige badkamer in het huis was een langwerpige ruimte met kale witgepleisterde muren en een eveneens kale houten vloer, waar een klein maar scherp afgetekend regenboogje rondwaarde dat met het zonlicht meebewoog dat in de loop van de dag onder een zich gestaag veranderende hoek weerkaatst werd door de schuin aflopende rand van de spiegel op het medicijnkastje. Als we de moeite hadden genomen om voldoende water te verwarmen op het petroleumfornuis om, bij daglicht, een bad te kunnen nemen, hield het prismatisch veroorzaakte regenboogje de bader gezelschap; het bibberde en danste op en neer, telkens als voetstappen of een windvlaag het huis deden schudden. Voor mijn gevoel was dit Ariel-achtige fenomeen het magische product van unitaristische soberheid, en symbolisch voor de voorname levensstijl waarbinnen het normaal was om je op een primitieve boerderij terug te trekken om te kunnen bijkomen van je van alle gemakken voorziene stedelijke bestaan. Het had iets van doen, begreep ik dankzij mijn pas verworven boekenwijsheid, met idealisme, met Emerson en Thoreau, met onafhankelijkheid en met de Natuur accepteren op haar eigen, verheven voorwaarden. In een grote zijkamer van het huis, ver buiten het bereik van de kleine kring van warmte die de houtkachel verspreidde, bevond zich een groot weefgetouw dat door de vorige bewoners in het huis was achtergelaten, een verouderde encyclopedie en een reeks door de tijd verweerde en nauwelijks nog door mensenhanden aangeraakte boeken met verbleekte ruggen, met als titel The Master Works of World Philosophy. Toen ik de ban verbrak en een van de delen uit de kast trok, bezorgde het fijn geweven stofomslag me een onaangename tinteling in mijn vingertoppen. Het was het deel waarin fragmenten waren opgenomen uit de essays van Emerson. ‘Elk natuurlijk feit staat symbool voor een geestelijk feit,’ las ik, en ‘Alles is gemaakt van één, onbekend soort materiaal,’ en ‘Elke held eindigt als een zeurkous,’ en ‘We hebben allemaal een ander kookpunt.’

Deb gebruikte deze ruime kamer met zijn door druivenranken beschaduwde stenen veranda om haar precieze olieverfschilderijen en bleke aquarellen in te schilderen. Als het een zonnige dag was en het ons te veel moeite was om de ketel op te zetten en water voor het bad op te warmen, namen we een bad in het bergbeekje dat op korte loopafstand van het huis stroomde, in een meertje dat haar vader naar eigen ontwerp had afgedamd. Ik wilde naaktfoto’s van haar nemen met mijn Brownie Hawkeye, maar ze weigerde preuts. Op een dag nam ik toch een paar stiekeme snapshots terwijl ze, onder het slaken van kreten die het geluid van de sluiter overstemden, het meer in waadde en in het ijskoude water onderdook. 

Het was in Vermont, voordat de anderen arriveerden, dat we, volgens onze berekening achteraf, ons eerste kind verwekten, onbedoeld maar zonder spijt. Deze microscopisch kleine gebeurtenis die zich diep in mijn echtgenote voltrok was voor mijn gevoel verwant met het kleine regenboogje onderaan de badkamermuur, ons dierbare refractiewezentje.

Haar vader bleek, toen hij eenmaal was gearriveerd, niet het soort vader dat ik gewend was. De mijne speelde, ook al beschikte hij op zich over adequate overlevingsvaardigheden, altijd de rol van underdog, een man wiens dagen, zij het op school doorgebracht of elders, een aaneenschakeling waren van complicaties en ongelukken. De auto wilde niet starten, de studenten misdroegen zich. Hij had mensen nodig, met al hun schurende ergerlijkheid, om door geprikkeld te worden. De Eerwaarde Whitworth hield van Vermont omdat er, in vergelijking met St. Louis, geen mensen waren. Hij verliet zijn heuvel soms weken achtereen niet, terwijl hij het aan ons overliet om over de landweggetjes naar de dichtstbijzijnde nederzetting drie kilometer verderop te rijden, waar de kruidenier, de ijzerwinkel en het postkantoor in één pand bij elkaar zaten, onder één beheerder die ook nog de plaatselijke houtzagerij bestierde. We kwamen dan altijd terug met de laatste roddels en een krant van de vorige dag, waarna mijn schoonvader dan naar onze opgewonden verhalen over de grote buitenwereld luisterde, met zijn hoofd schuin gebogen en een scheve glimlach, wat ons het gevoel gaf dat hij er geen woord van in zich opnam. Hij had veel te doen: hij bouwde stenen muurtjes en verbeterde de structuur van zijn dam, en hij deed iedere dag een middagslaapje, tijdens welke wij allemaal werden geacht stil te zijn.

Het was een aantrekkelijke man; hij had vol, weerbarstig haar dat naarmate het grijzer werd niets van zijn volume verloor, maar hij had een kwetsbaar gestel als gevolg van een aanval van acuut reuma tijdens zijn kinderjaren in Maine. Landelijke rust, het zwijgen van de bossen, het gewapper en geflikker van de petroleumlamp als de tocht er vat op kreeg of als de lamp van de ene ruimte naar de andere werd gedragen – dit alles maakte zijn element uit, en niet de drukte en opwinding van het stadsleven. Tijdens de vakantiemaanden die hij op zijn heuveltop doorbracht, bewoog hij zich temidden van ons – zijn vrouw, zijn drie dochters, zijn schoonzoon en de ongehuwd gebleven zuster van zijn vrouw – als een planeet die onbereikbaar was voor de wetten van de zwaartekracht.

Contact met de anderen legde hij voornamelijk tijdens de spelletjes die we gezamenlijk speelden, die hij steevast wist te winnen – in de middagen croquet met de hele familie, in de avonden hartenjagen in het gezamenlijk aroma van de houtkachel en de gaslamp die op de tafel stond. Dit was een speciale lamp waarin de intensiteit en witheid van de vlam werd versterkt door middel van een gloeikousje, een soort kegelvormig asnetje dat zo broos was dat het al stuk ging als de glazen voet van de lamp per ongeluk te ruw op tafel werd gezet. De Eerwaarde Whitworth was demonstratief nauwgezet bij elke beweging die zijn handen maakten en ik stoorde me daaraan met het meedogenloze ressentiment van de jeugd. Ik stoorde me aan de precieuze manier waarop hij zijn pijp stopte en aanstak en er puffend aan trok; ik stoorde me aan zijn rigide middagslaapjesregime, aan zijn helderblauwe ogen (die Deb van hem had geërfd), aan zijn overtuigde unitarisme. Om een of andere reden was het hebben van blauwe ogen in het gedeelte van Pennsylvania waar ik vandaan kwam zo zeldzaam dat het bijna een afwijking leek – lichtbruin was voor irissen de meest extreme variant op de bruine grondkleur die de immigranten uit Wales en zuidelijk Duitsland hadden meegebracht naar de Schuylkillvallei.

Wat dat unitarisme betreft, het leek me zo futloos, zo bekrompen, vaag, laf: een onberispelijk, geneutraliseerd aftreksel van het christelijke geloof dat ikzelf in zijn lutheraanse verschijning had leren kennen – dat hele onwaarschijnlijke, kleurrijke, troostvolle weefwerk van de incarnatie en de Wijzen uit het Oosten, de kerstliedjes en de Kerstman, Adam en Eva, hun naaktheid en de boom der kennis van goed en kwaad, de slang en de zondeval, het verraad in de tuin en de verlossing aan het kruis, ‘Waarom hebt Gij mij verlaten?’ en Pontius Pilatus die zijn handen wast en de Opstanding op de derde dag, het postume avondmaal in een bovenzaaltje en de ongelovige Thomas en engelen die de duistere krochten van Jeruzalem bezoeken, de instructies aan de discipelen en Paulus die van zijn ezel wordt geslagen op weg naar Damascus en de discipelen die in tongen spreken, een praktijk die zelfs de fanatieke kerkgangers van Alton en omgeving uiteindelijk te ver ging. Onze schooldag begon met Bijbellezing en het onzevader; alle leraren en bankiers en begrafenisondernemers bij ons beleden een conventioneel christendom en wat goed genoeg was voor hen, denk ik dat ik dacht, zou ook goed genoeg moeten zijn voor de unitariërs. Ik was geconditioneerd om te geloven dat er geen vreugde in het leven bestaan kon zonder religiositeit en als er voor die religiositeit een intellectueel offer moest worden gebracht, dan moest dat dan maar. Ik had genoeg van Kierkegaard en Barth en Unamuno gelezen om te begrijpen wat de sprong in het geloof inhield, en de Eerwaarde Whitworth maakte die sprong niet; in plaats daarvan deed hij middagslaapjes en bouwde hij stenen muurtjes. In zijn slaapkamer had ik een pocketuitgave van Tillich zien liggen – waarschijnlijk The Courage to Be – maar ik had hem er nooit in zien lezen, noch in The Master Works of World Philosophy. De enige keren dat hij op mij een vrome indruk maakte waren de momenten dat hij, met behoedzame tederheid met een van zijn drie dochters sprekend, terugviel op het ‘gij’ van zijn jeugd als quaker.

Hij zou nog door een diep dal gaan en al zijn waardigheid kwijtraken, voordat hij stierf. De ziekte van Alzheimer tastte niet zozeer zijn hersens aan als dat het de goedmoedige vaagheid en verstrooidheid versterkte die altijd al aanwezig waren geweest. Bij de herdenkingsdienst voor zijn vrouw, die aan kanker stierf, keerde hij zich voordat de dienst begon naar me toe en zei, met een vriendelijke maar onzekere glimlach: ‘Nou, James, ik weet niet precies wat er gaat gebeuren, maar ik neem aan dat dat vanzelf wel duidelijk wordt.’ Hij was zich er niet bewust van dat de vrouw waar hij vijfenveertig jaar mee getrouwd was geweest, werd klaargemaakt voor de eeuwigheid.

Toen zij er eenmaal niet meer was, ging het al snel bergafwaarts met hem. In het verpleeghuis waar we hem uiteindelijk naartoe brachten, begon hij, toen we voor de toegangsbalie stonden, te jammeren en op zijn tenen te wippen alsof hij iets in zijn broek op en neer liet stuiteren, en ik wist dat hij moest urineren, maar ik ontbeerde de moed om hem snel naar het toilet te brengen en zijn penis voor hem uit zijn broek te halen, dus bevuilde hij zichzelf en de vloer. Ik was in die jaren, vlak voor mijn scheiding van Deb, de oudste schoonzoon, de eerste stuurman als het ware, van de familie en faalde in die rol, hoewel ik er wel degelijk een zekere trots aan ontleende. Mijn schoonvader had me vreemd genoeg al vanaf die eerste zomers in Vermont altijd vertrouwd – hij had me eerst het levensgeluk van zijn dochter toevertrouwd en me vervolgens toegestaan hem te helpen de stenen op zijn muur te tillen, waarbij ik er gemakkelijk een op zijn vingers of zijn tenen had kunnen laten vallen. Ondanks mijn gevoelens van ressentiment heb ik dat nooit gedaan.

De waarheid is dat ik van hem hield. Hij was evenzeer van kwaad verstoken als mijn eigen vader, maar vergde minder van de mensen om hem heen. Een klein beetje stilte als hij zijn middagslaapje deed lijkt me nu niet veel gevraagd, maar destijds irriteerde het me. Zijn geloofsovertuiging, of zijn gebrek daaraan, heeft mij de meest weidse gezichtspunten geboden en ik heb er dankzij hem mee kennisgemaakt. Zijn wereld was er een waaruit de nevelen van het bijgeloof bijna geheel verdwenen waren. Tot zijn parochie, daar in de Gateway to the West, behoorden ook gestudeerde existentialisten, en bepaalde aspecten van hun hippe filosofieën verluchtigden zijn ouderwets transcendentalistische preken, die hij met zachte, bedachtzame stem uitsprak. Hoewel hij een unitariër was, behoorde hij tot de theïstische school, zoals Deb me ’s avonds in bed vertelde, in de hoop ons hiermee dichter tot elkaar te brengen. Voor zover ik me kan herinneren, was ik niet lomp genoeg om echt kritiek op hem te leveren, maar hij zal zich niet onbewust zijn geweest van mijn Harvardiaanse neo-orthodoxie, met haar grondtoon van Eliotische vertwijfeling.

In Vermont was het mijn taak in het huishouden om het oud papier van de dag te verbranden in een bak die op de helling achter het huis stond, vlakbij de bron waaruit we ons koude water haalden. Je had daar uitzicht over de wouden van de vallei tot aan de volgende bergkam van de Green Mountains, dertig kilometer verderop. Met de zegen van de Eerwaarde Whitworth was ik toegelaten tot een wereld van verre uitzichten en ijskoude zwempartijen en New Englandse gereserveerdheid. Hij was een oprecht, goed mens, die zichzelf met een korreltje Maine’s zout nam. Het is gemakkelijk om van mensen te houden die je je herinnert; het moeilijke is om van ze te houden als ze voor je staan.

Pennsylvania bood Deb en mij andersoortige spanningen. We waren slecht begonnen. De eerste keer dat ik haar meenam naar mijn ouders stapten we uit op het verkeerde station. De trein vanaf Philadelphia was een stoptrein. Een van zijn tussenstops was een heuvelachtig industriestadje op elf kilometer van Alton, eveneens langs de Schuylkill en een paar kilometer dichter bij de plattelandsboerderij waarheen we na de oorlog, op aandrang van mijn moeder, waren verhuisd. We maakten deel uit van slechts een handvol passagiers dat daar de trein verliet, en het perron, dat zich in een tunnel van bomen leek te bevinden, liep al snel leeg. Niemand was ons af komen halen. Mijn ouders waren, ondanks de in mijn ogen logische afspraken die er waren gemaakt – ik wilde ze reistijd besparen – naar Alton gegaan.

Ik vraag me nu af hoe we er toen in slaagden, in het tijdperk voor de komst van de mobiele telefoon, om contact met elkaar te maken. Maar in diezelfde tijd waren zelfs kleine treinstations bemand; misschien telegrafeerde de stationschef een bericht over onze situatie naar Alton en had hij de namen van mijn ouders laten omroepen in de grote, weergalmende stationshal. Of misschien hadden ze, dankzij de mentale telegrafie die vroeger in achtergebleven gewesten normaal was, geraden wat er gebeurd moest zijn toen ze ons niet uit de trein zagen komen en vervolgens simpelweg naar ons toe gereden. Ik was een jonge hond en Deb, die zich zo volledig in haar element voelde in St. Louis of Cambridge, leek verloren in mijn thuisland. Het lukte me maar niet om haar te beschermen tegen onze primitieve gebruiken. Buiten haar eigen schuld maakte ze constant fouten.

Hoewel we nog niet getrouwd waren, had ze wat vuile sokken en onderbroeken van mij bij haar eigen wasgoed gestopt en deze toen ze gewassen waren in haar koffer bij haar eigen spullen gelegd. Toen mijn moeder, behulpzaam heen en weer drentelend in de logeerkamer, deze herschikking opmerkte, liet ze een van haar zwijgende uitbarstingen van woede los, een ontembare opeenvolging van golven die een boze rode V op haar voorhoofd tussen haar wenkbrauwen tekende en het kleine zandstenen huisje tot in al zijn hoeken vulde, van de nok tot de kelder. Het stenen huis waar ik mijn jeugd had doorgebracht, dat in de stad Olinger stond, op niet meer dan een kort tramritje van Alton, was diep en smal en had een diepe achtertuin, waardoor er plekken waren om naartoe te vluchten als mijn moeder, in mijn vaders vergevingsgezinde woorden, ‘een stemming schepte’. Maar in het nieuwe huis konden we elkaar ’s nachts in bed horen omdraaien en zelfs in de buitenlucht tussen de zoemende insecten en de weelderige plantengroei was er geen ontsnappen mogelijk aan mijn moeders psychische vuur. Ik was opgegroeid met haar verongelijkte buien, die meestal werden veroorzaakt door conflicten tussen de volwassenen die zich buiten mijn zicht en gehoor afspeelden. Ze kon zo’n bui dagenlang volhouden, totdat ik op een dag, als ik thuiskwam van school of van een vriendje, merkte dat hij op miraculeuze wijze was verdwenen. Haar driftbuien hoorden bij mijn jeugd, net als de drukkende Pennsylvaniaanse atmosfeer en de hittegolven waar de oude mensen in hun verstikkende rijtjeshuizen aan bezweken en die de stalen rails in de straten zover konden doen uitzetten dat de trams erdoor ontspoorden.

Fluisterend probeerde ik me tegen Deb voor deze sfeer te verontschuldigen, terwijl mijn moeders woede, die ieders tong tijdens het avondmaal had doen bevriezen, door bleef wasemen, van haar slaapkamer helemaal naar de woonkamer beneden. Het geluid van het sluiten van haar deurklink had boven ons weergalmd als een donderslag. ‘Je hebt niets verkeerd gedaan,’ verzekerde ik Deb, hoewel ik diep in mijn hart vond dat aanstoot geven aan mijn moeder fout was, een hoofdzonde. Ik nam het Deb kwalijk dat ze mijn ondergoed bij het hare had gestopt; ze had het probleem moeten begrijpen, de gevolgen moeten voorzien. ‘Zo is ze nu eenmaal.’

‘Nou, dan moet ze maar eens wakker worden en er bovenuit stijgen’ was Debs reactie, die ze zo luid uitsprak dat ik bang was dat het boven gehoord kon worden. Vol verbazing stelde ik vast dat ze niet zo fijn afgestemd was als ik op de golven van mijn moeders woede. Ze was niet vanaf haar geboorte gewend om ze over zich heen te laten komen.

Naast de sofa waar we op zaten zat mijn vader in de schommelstoel somber wiskundetoetsen te corrigeren, en zei: ‘Mildred bedoelt er niks mee. Het zijn gewoon de nukken van haar vrouwelijkheid.’

Vrouwelijkheid verklaarde en rechtvaardigde alles voor zijn seksistische generatie, maar niet voor de mijne. Ik werd verlamd door deze spanning. Tijdens datzelfde bezoek, of mogelijk bij een latere gelegenheid, ging Deb, in de veronderstelling dat ze een goede daad verrichtte, op een zondagmorgen het lapje grond wieden met de viooltjes die mijn moeder had geplant naast de achterveranda, maar vervolgens verwaarloosd. Deb stond me niet-begrijpend aan te kijken, met haar lieve blote voeten in de zachte grond, als die van Ingrid Bergman in Stromboli, toen ik haar uitlegde dat niemand hier op zondag werkte; iedereen ging dan naar de kerk. ‘Wat suf,’ zei Deb. ‘Mijn vader werkt in de zomer op zondag altijd aan zijn muren en zo.’

‘Hij behoort tot een ander kerkgenootschap.’

‘Jim, ik geloof je niet. Echt.’

‘Sst. Ze is binnen met de pannen aan het slaan.’

‘Nou en, laat haar. Het zijn haar pannen.’

‘En we moeten ons gereedmaken voor de kerk.’

‘Ik heb geen zondagse kleren meegenomen.’

‘Doe gewoon je schoenen aan en de jurk die je op de heenweg aanhad.’

‘Ammehoela. Dan loop ik voor gek. Ik blijf liever hier in de tuin werken. Je grootouders blijven toch ook hier?’

‘Mijn grootmoeder. Mijn grootvader gaat wel. Hij ligt elke dag op de sofa de bijbel te lezen, is je dat niet opgevallen?’

‘Ik wist niet dat er nog dit soort plaatsen bestonden in Amerika.’

‘Nou …’

Mijn antwoord hierop zou iets nietszeggend zijn, zag ze met haar helderblauwe ogen, dus onderbrak ze me. ‘Ik zie nu waar je al die onzin vandaan hebt, hoe het komt dat je zo onbeleefd was tegen papa.’

Ik was verontwaardigd maar op hetzelfde moment ook opgewonden door het besef dat er misschien toch verweer tegen mijn moeder mogelijk was. Die dag bleef Deb achter met mijn grootmoeder, die invalide was en niet kon spreken omdat ze de ziekte van Parkinson had. Mijn onbeleefde gedrag tegen de Eerwaarde Whitworth werd gewroken toen hij, bij de doop van ons eerste kind, zijn eerste kleinkind, die de vorm had van een tot op het bot uitonderhandelde unitaristische familiedienst in het huis van haar lutheraanse grootouders, een goedmoedig grapje maakte over het ‘heilige water’ – water dat we hadden geput uit onze eigen bron, die zich onder het huis bevond in plaats van hoog erboven, zoals in Vermont het geval was. Mijn moeder bleef hier de rest van de dag over mokken en zou Catherine, ons eerste kind, altijd ‘de baby die niet gedoopt is’ blijven noemen. Tegen de tijd dat de drie andere baby’s er waren, waren Deb en ik naar Massachusetts verhuisd, waar we lid waren geworden van de congregationalistische kerk, bij wijze van redelijk alternatief.

We worden omgeven door heilig water; alle water, onze chemische moeder, is heilig. Het is mijn gewoonte om in het vliegtuig van Boston naar New York aan de rechterkant van het toestel te gaan zitten, maar laatst zat ik een keer aan de linkerkant en ik werd hiervoor beloond met een uitzicht op de weerkaatsing van de zonnestalen die op dat uur van de ochtend op de wateren van Connecticut vielen – niet alleen op de rivieren en de Sound, maar ook op de vijvertjes en poeltjes en glinsterende waterstroompjes die een paar seconden lang hun zilveren licht de lucht inwierpen naar mijn ogen. Mijn vaders tranen hadden voor een moment het licht gevangen; dat was hoe ik ze gezien had. Toen hij dood was, gingen Deb en ik scheiden. Waarom? Het is moeilijk uit te leggen. ‘We hebben allemaal een ander kookpunt,’ had Emerson gezegd, en er kwam een vrouw langs die hetzelfde kookpunt had als ik. De naaktfotootjes die ik van Deb had genomen, eiste ze interessant genoeg op, omdat ze meende dat deze haar rechtens toekwamen. Ik vond dat ze van mij waren; ik had ze genomen. Maar ze zei dat haar lichaam van haar was. Het klonk als een tweederangs vorm van feminisme, maar ik protesteerde niet. 

Na onze scheiding vertelde mijn moeder me over mijn vader: ‘Hij maakte zich al zorgen over jullie tweeën vanaf de eerste dag dat je haar mee naar ons huis nam. Hij was bang dat ze niet vrouwelijk genoeg voor je zou zijn.’

‘Hij had wel iets met het onderwerp vrouwelijkheid,’ zei ik, niet geheel zeker of ik haar nu moest geloven of niet. Het is zo gemakkelijk om de doden verkeerd te citeren.

Het is altijd mijn eerste reflex om het voor Deb op te nemen, ook al was ik degene die de scheiding wenste. Ik schrik er altijd van als voormalige klasgenoten op reünies van de middelbare school de moeite nemen om me uit te leggen hoeveel leuker ze mijn tweede vrouw vinden. Het is waar dat Sylvia een goed contact met ze heeft, wat Deb, verlegen als ze was, niet had. Maar het was nu eenmaal zo dat Deb ervan uitging dat ze onderdeel van mijn verleden waren, van iets wat ik achter me had gelaten maar nog grofweg om de vijf jaar bleef opzoeken, waar Sylvia, die me ook op gevorderde leeftijd kent, begrijpt dat ik Pennsylvania nooit heb verlaten, dat het daar is dat het zelf waar ik van houd wordt bewaard, hoe sporadisch ik het ook ga inspecteren. De meest recente reünie, de vijfenvijftigste, had Deb waarschijnlijk deprimerend gevonden – al die mensen van begin zeventig, waarvan de meesten nog steeds in dezelfde streek waren blijven wonen, op een steenworp afstand van waar ze waren geboren, vaak zelfs in dezelfde twee-onder-een-kapwoning als waarin ze waren opgegroeid. Sommigen kwamen binnenrijden in een rolstoel, anderen waren te zwak om zelf een auto te besturen en werden naar de reünie gebracht door hun kinderen, die allemaal al van middelbare leeftijd waren. De lijst op de achterkant van het programmaboekje met voormalige klasgenoten die reeds zijn overleden wordt steeds langer; de mooiste meisjes van de klas zijn veranderd in dikke, dan wel graatmagere besjes; zowel voormalige sportsterren als niet-atleten bewegen zich voort met behulp van pacemakers of kunststof knieën, zijn gepensioneerd en nemen nog ruimte in beslag op een leeftijd waarop de meesten van onze vaders zo vriendelijk waren geweest om allang dood te zijn. 

Maar we kijken niet zo naar onszelf, als zijnde oud en gebrekkig. We zien kinderen van de kleuterschool – dezelfde frisse, ronde gezichten, dezelfde kelkvormige oren en lange oogwimpers. We horen het vrolijke gegil tijdens de lagere schoolpauzes en de bekoorlijke saxofoons en gedempte trompetten van de plaatselijke swingbands die op de dansavonden van de middelbare school serenades brachten voor de blauwverlichte gymzaal. We zien in elkaar de lijdzame eenvoud van een stadje dat onveranderd bleef onder de Grote Depressie en de daaropvolgende wereldoorlog, waarvan de bommen ons nooit bereikten, hoewel de rantsoenering en speelgoedtankjes en luchtalarmoefeningen dat wel deden. Oude vetes worden opgerakeld en begraven; oude verliefdheden flakkeren voor een moment weer op om weer ondergedompeld te worden in de algehele warmte, de diffuse liefde. Als de klassenlerares, de goede Joan Edison, wier weelderige kastanjekleurige krullen nu witter zijn dan gebleekt wasgoed, de microfoon pakt om ons een quiz over vroeger te laten spelen – bijnamen van leraren, de namen van intussen verdwenen koffieshops en ijssalons, de titels van de toneelstukken die de lagere en de hogere klassen op de planken brachten, wie in het derde jaar winnaar was van de dragrace – worden van alle kanten de antwoorden geroepen. Er is geen triviale vraag waarop we het antwoord schuldig moeten blijven: we waren erbij, samen, toen, en de echtgenoten, waaronder Sylvia, klappen goedhartig voor deze langgekoesterde schat van nutteloze kennis.

Dit waren niet slechts mijn klasgenoten; ze waren ook mijn vaders leerlingen geweest, en ze konden zich hem nog herinneren. Hij was meerdere malen het juiste antwoord – ‘Meneer Werley!’ – in Joan Edison’s quiz. Cookie Behn, die in onze klas was geplaatst vanwege zijn slechte cijfers en die een jaar ouder was dan wij en al Alzheimer had, bleef maar naar me toekomen, zowel voor als na het diner, om me opgewonden te vragen, met zijn ogen tot spleetjes geknepen alsof hij tegen een fel licht in moest kijken: ‘Je vader, Jimbo – is hij nog onder ons?’ Hij was de feiten vergeten, maar had wel onthouden dat ‘nog in leven’ zeggen, net als het enkele woord ‘dood’, om een of andere reden onkies was.

‘Nee, Cookie,’ zei ik telkens. ‘Hij overleed in 1972, aan zijn tweede hartaanval.’ Vreemd genoeg voelde het niet absurd om een vierenzeventig jaar oude man met een driepotige wandelstok ‘Cookie’ te noemen. 

Hij knikte, met een uitdrukking die zowel ernst als lichte verwarring uitdrukte. ‘Het spijt me dat te horen,’ zei hij.

‘Het spijt me het je te moeten vertellen,’ zei ik, hoewel mijn vader anders over de honderd was geweest en verantwoordelijk voor torenhoge verpleeghuisrekeningen. Zoals het gegaan was, had zijn overlijden me minder last bezorgd dan dat van de Eerwaarde Whitworth.

‘En je moeder, Jimbo?’ ging Cookie door.

‘Ze overleefde hem zeventien jaar,’ vertelde ik hem kortaf, alsof het me tegen de borst had gestoten. ‘Ze was een lustige weduwe.’

‘Ze was een zeer gedistingeerde vrouw,’ zei hij langzaam en knikkend alsof hij het met zichzelf eens was. Het ontroerde me dat hij een poging deed zich mijn moeder te herinneren en dat wat hij zei tenslotte ook wel waar was waar het ging om haar gedrag ten opzichte van de buitenwereld. Ze had zich naar buiten toe altijd waardig opgesteld en was in haar jeugd een schoonheid geweest, of, zoals het ze het tegen mij formuleerde tijdens de lange periode van weduwschap, waarin ze steeds openhartiger werd: ‘net geen schoonheid’.

Mijn vader was overleden toen Deb en ik in Italië waren. We waren daar samen met een ander stel dat problemen had heen gegaan, om te proberen ons huwelijk weer te laten ‘werken’. Ons hotel in Florence was klein en vanuit onze kamer kon je een smalle streep van de Arno zien; toen we terugkwamen van een bustripje naar Fiesole – met zijn kleine Romeinse arena, zijn bekoorlijke aan de Etrusken gewijde museum in de vorm van een Ionische tempel uit de eerste eeuw van onze jaartelling – hadden we met zijn vieren spontaan besloten om een middagborrel te nemen in het hotelbarretje op de eerste verdieping, in plaats van ons meteen terug te trekken op onze kamers. Het zaaltje, met uitzicht op dezelfde streep Arno, was bijna leeg, op wat Duitsers na die in een hoek bier zaten te drinken en wat Italianen die staande aan de bar een espresso nuttigden. Als ik het rinkelen van de telefoon al gehoord had, was ik er toch wel vanuit gegaan dat het niets met mij te maken had. Maar de barkeeper kwam vanachter zijn toog vandaan en liep op me af, en zei: ‘Signor Wer-lei? Telefoon voor u.’ Wie kon weten dat ik hier was?

Het was mijn moeder, die heel klein en krakerig klonk. ‘Jimmy? Heb je het naar je zin? Het spijt me dat ik je moet storen.’

‘Ik ben onder de indruk van het feit dat je me hebt gevonden.’

‘De telefonisten hebben me geholpen,’ verklaarde ze.

‘Wat is er gebeurd, moeder?’

‘Je vader ligt in het ziekenhuis. Hij heeft een tweede hartaanval gehad.’

‘Hoe erg is het?’

‘Nou, hij kon nog wel rechtop zitten toen ik hem met de auto naar Alton bracht.’

‘Nou, dan valt het nog wel mee.’

Er zat een lichte vertraging op haar antwoorden, die ik weet aan de trans-Atlantische telefoonkabel. Uiteindelijk zei ze: ‘Daar zou ik niet zo zeker van zijn.’ Behalve als we een telefoongesprek voerden, viel het me nooit op wat een uitgesproken Pennsylvaniaans accent mijn moeder had. Als we in elkaars fysieke nabijheid waren, klonk haar stem me even kraakhelder en accentloos als de mijne in de oren. Ze zei: ‘Hij voelde bij het opstaan een drukkend gevoel op zijn borst, en doorgaans besteedt hij daar geen aandacht aan. Maar vandaag deed hij dat wel. Het is hier nu twaalf uur.’

‘Dus je wilt dat ik terugkom,’ sprak ik beschuldigend. Ik wist zeker dat mijn vader me geen ongemak zou willen bezorgen. We hadden voor morgen vier reserveringen voor het Uffizi.

Ze zuchtte; de kabel op de oceaanbodem kraakte. ‘Jimmy, ik ben bang dat dat toch het beste zou zijn. Dat geldt natuurlijk ook voor Deb, tenzij ze liever daar blijft om van de kunst te genieten. Dr. Shirk is er niet gerust op, en je weet hoe zelden hij ergens van onder de indruk is.’

Openhartoperaties of angioplastiek behoorden in die tijd nog niet tot de opties; artsen konden nog weinig anders doen dan luisteren met een stethoscoop en nitroglycerine voorschrijven. De conciërge vertelde ons hoe laat de volgende trein naar Rome vertrok en het andere stel bracht ons naar het station van Florence – dat vlak naast de Medici-kapellen lag die Deb en ik altijd al hadden willen bezoeken, wat we uiteindelijk samen nooit zouden doen. In Rome vond de taxichauffeur voor ons een kantoor van een luchtvaartmaatschappij dat open was. Ik zal nooit de voorkomendheid en het geduld vergeten waarmee die jonge receptionist met zijn schoolengels onze tickets naar Boston voor de week daarop omzette in tickets naar Philadelphia voor de volgende dag. Er vlogen toentertijd meer vliegtuigen, met meer lege zitplaatsen. We namen een avondvlucht naar Londen, waar we een nachtelijke tussenstop moesten maken. In het stuk Heathrow dat het verst weg van Londen ligt, bleek een hele massa nieuwe, grote hotels te staan, ten bate van reizigers op doortocht. We kwamen rond middernacht op onze kamer aan. Ik belde mijn moeder – het was in Pennsylvania rond etenstijd – en kreeg van haar te horen dat mijn vader dood was. Voor mijn moeder was het nieuws al een paar uur oud en ze beschreef mat terugblikkend hoe haar middag was verlopen, die ze zittend in het ziekenhuis van Alton had doorgebracht terwijl men haar steeds somberder wordende berichten kwam brengen. Ze zei: ‘Dokter Shirk zei dat hij aan het eind heel hard heeft gevochten. Het was afschuwelijk.’

Ik hing op en vertelde het nieuws aan Deb. Ze sloeg haar armen om me heen en zei tegen me: ‘Huil.’ Hoewel ik de mogelijkheid hiertoe inzag en de gepastheid ervan begreep, geloof ik niet dat ik het deed. Mijn vaders tranen hadden de mijne opgebruikt.


Zadie Smith – De ambassade van Cambodja (fragmenten)

De vrouw die de Cambodjaanse ambassade uitkwam, zag er niet uit als een typische Nieuwe Persoon of Oude Persoon – niet als een duidelijk stadsmens noch als iemand van het platteland – en het is natuurlijk ook alweer lang geleden dat dit onderscheid er nog toe deed in Cambodja. Ook voor Fatou waren dit soort kwalificaties onbelangrijk, ze was er slechts op uit om in de buurt van de Cambodjaanse ambassade haar eerste Cambodjaan te spotten. Ze was vooral geïntrigeerd door de kleding van de vrouw, die onberispelijk en praktisch was – een grijze bloes die vanonder in een beige pantalon was gestopt, een blauwe mackintosh, een slappe zuidwester – net alsof ze een man was, of hetzelfde als een man. Haar steile, zwarte haar was kort geknipt. Beide armen waren beladen met tassen van Sainsbury’s en dit vond Fatou een beetje raadselachtig: waar zou ze al die boodschappen naartoe gaan brengen? Ook was ze verbaasd over het feit dat de vrouw van de Cambodjaanse ambassade haar boodschappen deed in het Sainsbury’s-filiaal in Willesden dat ook Fatou frequenteerde voor haar werkgevers, de Derawals. Ze had altijd gedacht dat oosterse mensen hun eigen, geheime winkels hadden waar ze hun boodschappen deden. (Dat dacht ze ook van de Joden.) Ze voelde zowel bewondering als afkeer voor dit soort onafhankelijkheid, maar ze twijfelde er niet aan dat dit het geheim was waaraan de machtigste volken hun kracht ontleenden. Toen de Chinezen bijvoorbeeld in Fatou’s dorp de mijn kwamen innemen, was dit voor iedereen het grootste raadsel geweest: wat en waar aten ze? Ze kochten in ieder geval nooit voedsel op de markt en ook niet bij de Libanese handelaars op de hoofdstraat. Ze regelden hun zaakjes zelf. (Of je nu nog in je eigen land was of hier, de enige manier om als volk te overleven, vond Fatou, was door je zaakjes zelf te regelen.)

Maar toen ze weer naar de tassen keek die de Cambodjaanse vrouw droeg, vroeg Fatou zich af of het niet eigenlijk hele oude tassen waren – was het ontwerp niet gewijzigd sinds deze? Nu ze de tassen wat beter bekeek, raakte ze er steeds meer van overtuigd dat ze geen voedsel bevatten maar kleren of nog iets anders, de omtrekken ervan waren namelijk net iets te glad en regelmatig. Misschien was ze gewoon de vuilnis aan het buitenzetten. Fatou stond bij de bushalte en keek hoe de Cambodjaanse vrouw op de hoek van de straat overstak en linksaf sloeg in de richting van de hoofdweg. Ondertussen werd er nog steeds gebadmintond op de ambassade, hoewel het wat moeizamer ging vanwege een onvoorspelbaar windje dat was opgestoken. Er was een moment dat Fatou voelde dat bij de eerstvolgende lob de shuttle in zuidelijke richting over de muur zou waaien om zachtjes in haar eigen handen te landen. In plaats daarvan onderschepte de andere speler, onverbiddelijk balvast als hij was (Fatou had al lang besloten dat beide spelers man waren), de shuttle voordat hij de kans kreeg van koers te raken en stuurde hem weer terug naar zijn tegenstander – weer zo’n  vernietigende smash. 

[…]

Toen Fatou eenmaal bij het huis van de Derawals was aangekomen, waren haar haren het enige aan haar dat nog droog was, maar voordat ze droge kleren aan ging trekken, haastte ze zich naar de keuken om het lamsvlees uit de vriezer te halen, hoewel dat geen zin meer had – het was te kort voor het avondeten – en vervolgens naar boven om de vuile was te verzamelen uit vier identieke rieten manden in vier verschillende slaapkamers. Er was niemand in de slaapkamer van meneer en mevrouw Derawal, noch in die van Faizul of in die van Julie. Beneden klonk het geluid van de televisie. Omdat ze geen enkel geluid hoorde bij het binnentreden van Asma’s kamer ging Fatou ervanuit dat hij leeg was en liep ze direct naar de wasmand in de hoek van de kamer. Toen ze het deksel opende, voelde ze de harde klap van een hand op haar rug; ze draaide zich om.

Het jongste kind, Asma, stond voor haar, haar mond opengesperd als een forel. Nog voordat Fatou begreep wat er aan de hand was, stompte Asma de omvangrijke berg kleren uit haar handen. Fatou boog zich voorover om ze weer op te pakken. Toen ze zich op haar knieën liet zakken, kwam de volgende slag, een schop tegen haar arm. Ze liet de kleren liggen en stond op, overweldigd door haar eigen woede. Maar toen ze weer naar Asma keek, zag ze het meisje paniekerig met beide handen naar haar eigen keel grijpen, vervolgens een biddend gebaar maken en de handen weer geagiteerd terug naar de keel brengen. Haar ogen puilden uit hun kassen. Ze schoot plotseling naar rechts; ze slingerde zichzelf over een stoelleuning heen. Toen ze haar gezicht weer kon zien, zag Fatou dat het grijs was en begreep Fatou eindelijk wat er aan de hand was en rende ze naar haar toe, greep ze haar vast rond haar middel en trok ze haar omhoog zoals ze dat geleerd had in het hotel. Een knikker – met in het midden een sliert iriserend blauw, als een golf – vloog uit de mond van het kind en landde vochtig in het pluche van het vloerkleed. 

Asma huilde en hapte schokkend in grote teugen naar adem. Fatou gaf haar een knuffel en maakte zich zorgen of ze wel aan de was zou toekomen. Ze gingen samen naar beneden, waar de rest van het gezin in de bijkamer naar Britain’s Got Talent zat te kijken op een flatscreen die tegen de wand was geschroefd. Asma’s woeste gesnotter deed iedereen opspringen. Meneer Derawal zette de HD-speler op pauze. Fatou vertelde over de knikker.

‘Hoe vaak heb ik je al gezegd dat je niet alles in je mond moet stoppen?’, vroeg meneer Derawal en mevrouw Derawal zei iets in hun taal – Fatou hoorde de naam van hun God – en nam Asma bij zich op de bank en aaide het zijdeachtige, zwarte haar van haar dochter.

‘Man, ik kon niet ademhalen! Ik kon niemand roepen,’ huilde Asma. ‘Ik ging bijna dood!’

‘Waarom stop jij eigenlijk knikkers in je mond, idioot?’ zei Faizal en haalde de HD-speler weer van de pauzestand af. ‘Welke mongool stopt nou een knikker in d’r mond? Idioot. Wedden dat je hem wou bricken?’

‘Hallo, ze heeft je leven gered,’ zei Julie, de oudste, waar Fatou eigenlijk het minst op gesteld was. ‘Fatou heeft je leven gered. Dat is heftig.’

‘Ik had gewoon van zo gedaan,’ zei Faizul en demonstreerde een uitzonderlijk dramatische Heimlichgreep op zijn eigen graatmagere lijf. ‘En als dat niet werkt dan hak gewoon mezelf karateklappen gegeven, bam bam bam bam bam –‘

‘Faizul!’ viel meneer Derawal uit en wendde zich vervolgens stroef in de richting van Fatou en sprak, niet direct tegen haar, maar tegen een punt ergens tussen haar elleboog en de wandspiegel met zon-motief die op hoofdhoogte achter haar hing. ‘Dank je, Fatou. Gelukkig was jij er net.’

Fatou knikte en weer weggaan, maar toen ze bij de deur van de bijkamer was, vroeg mevrouw Derawal haar of het lamsvlees al ontdooid was en Fatou moest bekennen dat het zojuist pas had uitgehaald. Mevrouw Derawal zei iets vinnigs in haar taal. Fatou wachtte of er nog iets kwam, maar Derawal glimlachte slechts ongemakkelijk naar haar en knikte ten teken dat ze nu kon gaan. Fatou ging naar boven om de kleren op te rapen.