Home
Recente vertalingen
Over mij
Tarieven
Voorwaarden
Contact
Vertaling Smith
Vertaling Updike
Vertaling/essay West
English version

Nathanael West – Miss Lonelyhearts

Miss Lonelyhearts, help me, help me

De Miss Lonelyhearts van de New Yorkse Post-Dispatch (Heeft-u-problemen? – Heeft-u-advies-nodig? – Schrijf-naar-Miss-Lonelyhearts-en-zij-zal-u-helpen) zat achter zijn bureau en staarde naar een stuk wit karton. Erop had Shrike1, de redacteur achtergrondreportages, de tekst van een gebed gekalkt.

 

‘Ziel van Miss L, aanbid mij.

Lichaam van Miss L, voed mij

Bloed van Miss L, bedwelm mij.

Tranen van Miss L, was mij;

Oh goede Miss L, vergeef mijn smeekbede,

En verlos mij van mijn vijanden.

Help me, Miss L, help me, help me.

In saecula saecolorum2. Amen.’

 

Hoewel hij nog maar een kwartier had tot zijn deadline was hij nog steeds met de aanhef bezig. Hij was gekomen tot: ‘Het leven is de moeite waard want het is gevuld met dromen en vredigheid, tederheid en extase en geloof dat brandt als een heldere witte vlam op een somber, duister altaar.’ Maar hij vond het onmogelijk om verder te gaan. De brieven waren niet meer grappig. Hij kon niet dezelfde grap leuk blijven vinden, dertig keer per dag, maandenlang. En op de meeste dagen ontving hij meer dan dertig brieven die allemaal op elkaar leken, gesneden uit hetzelfde lijdensdeeg met een hartvormig koekjesmes.

Op zijn bureau lag de stapel die hij die ochtend had ontvangen. Hij begon er weer in te lezen, op zoek naar een of ander element waarop hij een oprecht antwoord kon geven.

 

Lieve Miss Lonelyhearts,

Ik heb zoveel pijn dat ik niet weet wat ik moet doen soms denk ik dat ik mezelf van kant wil maken ik heb zo’n vreselijke pijn aan mijn nieren. Mijn man vindt dat geen enkele vrouw een goede katholiek kan zijn en toch geen kinderen kan krijgen ondanks de pijn. Ik ben netjes in onze kerk getrouwd maar heb nooit geweten wat het getrouwde leven inhoudt omdat me nooit iets over man en vrouw was verteld. Mijn oma heeft het me nooit verteld en zij was de enige moeder die ik heb gehad maar maakte een grote fout door het niet te vertellen omdat je er niets aan hebt om dom te worden gehouden en het alleen maar een grote teleurstelling is. Ik heb 7 kinderen gekregen in 12 jr en sinds de laatste 2 ben ik al ziek. Ik ben tweemaal geopereerd en mijn man beloofde me geen kinderen meer op advies van de dokters omdat hij zei dat ik anders misschien wel dood zou gaan maar toen ik terugkwam uit het ziekenhuis brak hij zijn belofte en nu krijg ik een kind en ik denk niet dat ik het kan mijn nieren doen zo pijn. Ik ben zo ziek en bang omdat ik geen abortus kan nemen omdat ik een katholiek ben en mijn man zo gelovig. Ik huil de hele tijd het doet zo pijn en ik weet niet wat ik moet doen.

Met vriendelijke groeten,

Er-helemaal-ziek-van

 

Miss Lonelyhearts gooide de brief in een openstaande la en stak een sigaret op.

 

Lieve Miss Lonelyhearts,

Ik ben nu zestien jaar oud en ik weet niet wat ik moet doen en zou het op prijs stellen als u me kunt vertellen wat ik moet doen. Toen ik nog een klein meisje was, was het niet zo erg omdat ik wel gewend was dat de kinderen in de buurt me pesten, maar nu wil ik graag vriendjes hebben net als de andere meisjes en uitgaan op zaterdag avond, maar er zijn geen jongens die me willen omdat ik zonder neus ben geboren – hoewel ik goed kan dansen en een goed figuur heb en mijn vader altijd leuke kleren voor me koopt.

Ik zit de hele dag naar mezelf te kijken en te huilen. Ik heb een groot gat in het midden van mijn gezicht waar mensen van schrikken zelfs ikzelf dus ik kan het de jongens niet kwalijk nemen dat ze me niet mee uit willen nemen. Mijn moeder houdt van me, maar ze moet altijd heel erg huilen als ze naar me kijkt.

Wat heb ik misdaan om zo’n droevig lot te verdienen? Zelfs al had ik wel slechte dingen gedaan dan heb ik ze niet gedaan voordat ik een jaar oud was en ik ben zo geboren. Ik heb het aan Papa gevraagd en hij zegt dat hij het niet weet, maar dat ik misschien iets heb gedaan in een ander leven voordat ik was geboren of dat ik misschien gestraft wordt voor zijn zonden. Dat geloof ik niet omdat hij een heel aardige man is. Moet ik misschien zelfmoord plegen?

Met vriendelijke groet,

Wanhopige

 

De sigaret was niet goed, hij trok niet. Miss Lonelyhearts nam hem uit zijn mond en keek er woedend naar. Hij bracht zichzelf tot kalmte en stak een nieuwe op.

 

Lieve Miss Lonelyhearts,

Ik schrijf u namens mijn zus Gracie omdat er iets verschrikkelijks met haar is gebeurd en ik het niet aan moeder durf te vertellen. Ik ben 15 jaar oud en Gracie is 13 en we wonen in Brooklyn. Gracie is doofstom en groter dan ik maar niet erg slim omdat ze doofstom is. Ze speelt op het dak van ons huis en gaat niet naar school behalve twee keer per week op dinsdag en donderdag naar de school voor doofstommen. Moeder laat haar op het dak spelen omdat we niet willen dat ze wordt overreden en ze is niet erg slim. Vorige week is er een man op het dak gekomen en die heeft iets vies met haar gedaan. Ze heeft het aan mij verteld en ik weet niet wat ik moet doen want ik ben bang om het aan moeder te vertellen omdat ze in staat is om Gracie een aframmeling te geven. Ik ben bang dat Gracie een baby gaat krijgen en ik heb gisteren een hele tijd naar haar maag geluisterd om te zien of ik de baby kon horen maar ik hoorde niks. Als ik het tegen moeder zeg zal ze Gracie een hele erge aframmeling geven omdat ik de enige ben die van haar houd en de vorige keer toen ze een scheur had in haar jurk hadden ze haar 2 dagen lang in de kast opgesloten en als de jongens uit de buurd het horen zullen ze vieze dingen gaan zeggen net zoals ze hebben gedaan met Peewee Conors zus toen ze betrapt werd op het bouwterrein. Dus alstublieft wat zou u doen als zoiets in uw familie zou gebeuren.

Met hartelijke groet,

Harold S.

 

Hij stopte met lezen. Jezus was het antwoord maar als hij niet ziek wilde worden kon hij maar beter ver wegblijven van dat jezusgedoe. Daarbij was Jezus Shrike’s vaste grap. ‘Ziel van Miss L, aanbid mij. Lichaam van Miss L, red mij. Bloed van …’ Hij nam weer plaats achter zijn typemachine.

Hoewel de goedkope kleren die hij aanhad er iets te modieus voor waren zag hij er nog steeds uit als de zoon van een doopsgezinde predikant. Een baard zou goed bij zijn uiterlijk passen, het zou zijn oudtestamentische uitstraling versterken. Maar zelfs zonder baard was hij al duidelijk herkenbaar als de archetypische puritein uit New England. Zijn voorhoofd was hoog en smal. Zijn neus was lang en vleesloos. Zijn beenachtige kin was gekliefd als een hoef. Toen hij hem voor het eerst zag had Shrike met een glimlach gezegd: ‘De Susan Chesters, de Beatrice Fairfaxes en de Miss Lonelyheartsen3 zijn de priesters van het twintigste-eeuwse Amerika.’

Een loopjongen kwam hem zeggen dat Shrike wilde weten of het materiaal al klaar was. Hij boog zich over de typemachine en begon op de toetsen te hameren.

Maar nog voordat hij tien woorden had kunnen schrijven kwam Shrike over zijn schouder leunen. ‘Altijd hetzelfde,’ zei Shrike. ‘Waarom geef je ze niet eens iets nieuws en hoopgevends? Zeg eens iets over kunst. Hier, ik dicteer wel:

Kunst is de uitweg.

‘Laat je niet door het leven overweldigen. Als de oude wegen versperd worden door het puin van eerdere mislukkingen, kijk dan uit naar frisse, nieuwe wegen. Kunst is zo’n weg. Kunst wordt gewrocht uit lijden. Zoals dhr. Polnikoff al mompelde in zijn prachtige Russische baard toen hij op zesentachtigjarige leeftijd zijn pogingen staakte om Chinees te leren: ‘We staan op dit moment nog maar aan het begin …’

Kunst is een van de rijkste giften die het leven te bieden heeft.

‘Voor hen die niet het talent hebben om iets te creëren, is er waardering. Voor hen …’

‘Vul zelf maar aan.’

           


 

Miss Lonelyhearts en het pokergezicht

Toen Miss Lonelyhearts wegging van zijn werk merkte hij dat het buiten warm was geworden en het rook alsof de lucht kunstmatig werd verwarmd. Hij besloot naar Delehanty’s speakeasy te gaan om iets te drinken. Om daar te komen moest hij een parkje doorkruisen.

Hij ging het parkje in via de Noordelijke Poort en inhaleerde mondenvol van de zware schaduw die van de overkapping neerviel. Hij liep de schaduw van een lantaarnpaal in die op het pad lag als een speer. Hij doorboorde hem als een speer.

Voor zover hij kon zien waren er nog geen tekenen van naderende lente. De verrotting die het oppervlak van de vlekkerige grond bedekte was niet van het soort waarin leven tot bloei kon komen. Vorig jaar, herinnerde hij zich, was het de maand mei niet gelukt om deze besmeurde velden opnieuw tot leven te wekken. Het had al het geweld van juli gekost om een paar groene sprietjes te ontworstelen aan de uitgeputte grond.

Wat het parkje nodig had, zelfs nog meer dan hij, was vocht. Alcohol noch regen zouden afdoende zijn. Morgen zou hij in zijn column Gebroken-hart, Er-helemaal-ziek-van, Wanhopige, Ontgoocheld-met-tuberculeuze-echtgenoot en de rest van zijn correspondenten voorstellen hier naartoe te komen en de grond met hun tranen te besprenkelen. Hierdoor zouden bloemen opschieten, bloemen die naar voeten roken.

‘O, mensheid …’ Maar de schaduw lag zwaar op hem en de grap viel dood. Hij probeerde zijn val te breken door zichzelf uit te lachen.

Maar waarom zou hij zichzelf uitlachen als Shrike al in de speakeasy klaarstond om dit nog veel onverbiddelijker te doen? ‘Miss Lonelyhearts, mijn vriend, ik adviseer je om je lezers stenen te geven. Als ze om brood vragen moet je ze geen crackers geven zoals de kerk doet en evenmin moet je ze dan, zoals de staat, cake te eten geven. Leg uit dat je niet bij brood alleen kunt leven en geef stenen. Leer hen elke ochtend te bidden: “Geef ons heden onze dagelijkse stenen.”’

Hij had zijn lezers veel stenen gegeven; zoveel zelfs dat hij er nog maar een overhad – de steen die in zijn maag was gegroeid.

Plotseling door vermoeidheid overvallen nam hij op een bank plaats. Als hij die steen toch maar kon gooien. Hij zocht de hemel af naar een mikpunt. Maar de grijze lucht zag eruit alsof iemand er met een vuile gum overheen had gewreven. Hij bevatte geen engelen, brandende kruizen, olijftakdragende duiven, wielen in wielen. Slechts een krant wapperde door de lucht als een vlieger met een gebroken ruggengraat. Hij stond op en vervolgde zijn weg naar de speakeasy.

Delehanty’s bevond zich in de kelder van een patriciërshuis dat zich van zijn meer respectabele buren onderscheidde doordat het een gepantserde deur had. Hij drukte op een verborgen knop, waarna een rond raampje in het midden van de deur zich opende. Een bloeddoorlopen oog verscheen dat glom als een robijn in een antieke ijzeren ring.

De bar was slechts voor de helft gevuld. Miss Lonelyhearts keek nerveus om zich heen of Shrike er niet was en stelde opgelucht vast dat dit niet het geval was. Maar bij zijn derde drankje, net toen hij begon weg te zakken in de warme modder van de alcoholroes, greep Shrike zijn arm vast.

‘Ha, mijn jonge vriend!’ riep hij. ‘Hoe tref ik je nu weer aan? Weer aan het broeden, zeker?’

‘In godsnaam, hou je kop.’

Shrike negeerde het verzoek. ‘Je bent morbide, vriend, morbide. Vergeet de kruisiging, denk aan de renaissance. Toen waren er geen broedende zielen.’ Hij hief zijn glas en betrok de gehele familie Borgia in zijn gebaar. ‘Ik geef u de renaissance. Wat een tijdperk! Wat een pracht en praal! Dronken pausen … Prachtige courtisanes … Bastaardkinderen …’

Hoewel zijn gebaren groots waren bleef zijn gezicht uitdrukkingloos. Hij paste een trucje toe dat veel door filmkomieken wordt gebruikt – het pokergezicht. Zijn gezichtsuitdrukking veranderde geen seconde, hoe fantastisch en opgewonden zijn toespraak ook was. Onder de glimmende, witte bol die zijn voorhoofd vormde vormden zijn gelaatstrekken een doodse, grijze driehoek.

‘Op de renaissance!’ riep hij telkens. ‘Op de renaissance! Op de bruine Griekse manuscripten en die prachtige, gladde, gemarmerde ledematen … Dat doet me eraan denken, ik verwacht hier straks een van mijn bewonderaarsters – een kalf van een meid van hoge intelligentie.’ Hij illustreerde het woord intelligentie door met zijn handen twee enorme borsten aan te geven. ‘Ze werkt bij een boekhandel, maar een achterwerk …’

Miss Lonelyhearts was zo stom zijn ergernis te tonen.

‘Oh, dus jij geeft niet om vrouwen, hè? JC is jouw enige schatje, hè? Jezus Christus, de Koning der koningen, de Miss Lonelyhearts der Miss Lonelyheartsen …’

Op dat moment kwam, gelukkig voor Miss Lonelyhearts, de jonge vrouw waar Shrike op wachtte naar de bar toe lopen. Ze had lange benen, stevige enkels, grote handen, een krachtig lichaam, een ranke nek en een kinderlijk gezicht dat een kleine indruk maakte vanwege haar mannelijke kapsel.

‘Juffrouw Farkis,’ zei Shrike, terwijl hij naar haar overboog als een buikspreker naar zijn pop, ‘Juffrouw Farkis, mag ik u voorstellen aan Miss Lonelyhearts. Toon hem hetzelfde respect als u mij getoond heeft. Ook hij is in zijn ziel een trooster der armen en een aanbidder van God.’

Ze bezegelde de introductie met een mannelijke handdruk.

‘Juffrouw Farkis,’ zei Shrike, ‘Juffrouw Farkis werkt bij een boekhandel en daarnaast schrijft ze.’ Hij gaf een tikje op haar derrière.

‘Waarover stonden jullie zo opgewonden te praten?’ vroeg ze.

‘Religie.’

‘Geef me iets te drinken en ga alsjeblieft verder. Ik ben erg geïnteresseerd in de nieuwe thomistische synthese.’

Dat was precies het soort opmerking waar Shrike op zat te wachten. ‘Sint Thomas!’ riep hij uit. ‘Wat denk je dat we zijn – een stelletje vuile intellectuelen? We zijn geen nep-Europeanen. We hadden het over Jezus, de Miss Lonelyhearts der Miss Lonelyheartsen. Amerika kent zijn eigen religies. Als je op zoek bent naar synthese, dan moet je dit soort materiaal hebben.’ Hij pakte een krantenknipsel uit zijn portefeuille en legde het met een klap op tafel.

 

‘REKENMACHINE WERD GEBRUIKT BIJ RITUEEL VAN WESTERSE SEKTE … Uitkomsten zullen worden gebruikt voor gebeden voor veroordeelde moordenaar van bejaarde kluizenaar … DENVER, COLO., 2 feb. (A.P.) Frank H. Rice, de aartsbisschop van de Liberale Kerk van Amerika, heeft aangekondigd dat hij zijn voornemen om een ‘geit-en-rekenmachine’-ritueel uit te voeren voor de veroordeelde moordenaar William Moya wenst door te zetten, ondanks de bezwaren die hiertegen werden geuit door een kardinaal van deze sekte. Rice verklaarde dat de geit zal worden ingezet bij een ‘zak-en-as’-dienst die vlak voor en na afloop van Moya’s terechtstelling (die dient plaats te vinden in de week van 20 juni) zal worden opgedragen. Gebeden voor de ziel van de veroordeelde man zullen worden ingevoerd in een rekenmachine. Cijfers, zo verklaarde hij, zijn de enige universele taal. Moya vermoordde Joseph Zemp, een bejaarde kluizenaar, vanwege een ruzie over een klein geldbedrag.’

           

Juffrouw Farkis lachte en Shrike hief zijn vuist op alsof hij haar ging slaan. Zijn gedrag trok de aandacht van de barkeeper, die het gezelschap vroeg naar de achterkamer te verhuizen. Miss Lonelyhearts wilde niet meegaan, maar Shrike stond erop en hij was te moe om te protesteren.

Ze namen plaats rond een tafel in een van de zitjes. Shrike hief wederom zijn vuist op maar toen juffrouw Farkis achteruit deinsde liet hij het gebaar overgaan in een liefkozing. Het trucje werkte. Ze liet zijn hand begaan totdat hij te brutaal werd en ze hem van zich afduwde.

Shrike begon weer te schreeuwen en deze keer begreep Miss Lonelyhearts dat hij een verleidingspraatje aan het ophangen was.

‘Ik ben een groot heilige,’ riep Shrike, ‘ik kan op mijn eigen water lopen. Heb je nooit gehoord van het verhaal van het Lijden van Shrike in de Lunchroom, of van de Doodsstrijd bij de Fristap? Daar vergeleek ik de wonden op Christus’ lichaam met de monden van een wonderbaarlijke portemonnee waarin we het kleingeld van onze zonden storten. Met recht een treffende beeldspraak. Maar laten we nu eens kijken naar de gaten in onze eigen lichamen en ons afvragen wat het is waar deze aangeboren wonden toegang toe geven. Onder de menselijke huid bevindt zich een betoverende jungle waarin aderen als weelderige tropische groeisels hangen naast overrijpe organen en onkruidachtige ingewanden zich in een krioelende kluwen van rood en geel hebben gewrongen. In deze jungle leeft, fladderend van rotsgrijze long naar gouden darm, van lever naar geest en weer terug naar lever, een vogel genaamd ziel. De katholiek jaagt op deze vogel met brood en wijn, de Hebreeuw met een gouden liniaal, de protestant op loden voeten met loden woorden, de boeddhist met gebaren, de neger met bloed. Ik spuug op hen allemaal! Phah! En ik verzoek jullie om ook te spugen. Phah! Moeten we vogels opzetten? Nee, mijn schatjes, taxidermie is iets heel anders dan religie. Nee! Duizendmaal nee. Het is beter, zeg ik jullie, om een levende vogel te hebben in de jungle van het lichaam dan twee opgezette vogels op de tafel in de bibliotheek.’

Zijn liefkozingen begeleidden zijn preek. Toen hij aan het eind ervan was gekomen, begroef hij zijn driehoekige gezicht in haar nek als het blad van een hakbijl.

 


Miss Lonelyhearts en het Lam Gods

Miss Lonelyhearts nam een taxi naar huis. Hij woonde alleen in een kamer die even vol van schaduwen was als een oude staalgravure. Er stonden een bed, een tafel en twee stoelen in. De wanden waren kaal, op een ivoren Christusfiguur na die boven het voeteneinde van het bed hing. Hij had het beeldje losgewerkt van het kruis waaraan het had vastgezeten en had het met grote spijkers tegen de muur getimmerd. Maar het door hem beoogde effect werd hiermee niet bereikt. In plaats van te kronkelen van de pijn bleef de Christus sereen en decoratief.

Hij kleedde zich meteen uit en ging met een sigaret en De gebroeders Karamazov in bed liggen. Zijn boekenlegger lag bij een hoofdstuk dat gewijd was aan de starets Zosima.

 

‘Vrees niet de zonde der mensen, houd ook van de mens in zijn zonde, want dit staat al bijna gelijk aan de goddelijke liefde en is hoger dan de liefde op aarde. Houd van heel Gods schepping, in haar geheel en van elk zandkorreltje apart. Houd van elk blaadje, van elk straaltje Gods. Heb de dieren lief, houd van de planten, houd van alle dingen. Als je van alle dingen houdt, dan doorgrond je het mysterie Gods in de dingen. Als je dat hebt doorgrond, dan zul je onvermoeibaar beginnen het steeds meer en vaker te zien, elke dag. Tot je ten slotte de hele wereld liefkrijgt met een totale, wereldwijde liefde.’3

 

Het was uitstekend advies. Als hij het zou opvolgen, zou hij veel succes hebben. Zijn rubriek zou landelijk verspreid worden en de hele wereld zou leren liefhebben. Het koninkrijk der hemelen zou aanbreken. Hij zou aan de rechterkant van het Lam Gods plaatsnemen.

Maar in alle ernst realiseerde hij zich wel dat niet erg zinvol zou zijn om zichzelf voor de gek te houden, zelfs als Shrike het niet al lang onmogelijk had gemaakt het christusaspect nog serieus te nemen. Zijn roeping was van een andere aard. Toen hij nog een jongen was had hij in zijn vaders kerk ontdekt dat er iets wakker in hem werd als hij de naam van Jezus uitriep, iets geheims en ongelofelijk krachtigs. Hij had ermee gespeeld maar had het nooit toegestaan tot wasdom te komen.

Hij wist nu wat dit was geweest – hysterie, een slang met schubben als minispiegeltjes waarin de dode wereld zich als levend voordoet. En dood is de wereld … een wereld van deurknoppen. Hij vroeg zich af of hysterie werkelijk een te hoge prijs zou zijn om te betalen om het tot wasdom te laten komen.

Jezus was voor hem de meest natuurlijke van alle sensaties. Terwijl hij zijn blik fixeerde op het figuurtje dat aan de muur hing begon hij te psalmodiëren: ‘Christus, Christus, Jezus Christus. Christus, Christus, Jezus Christus.’ Maar op het moment dat de slang zich in zijn hoofd begon te ontrollen werd hij bang en sloot hij zijn ogen.

De slaap bracht een droom waarin hij zich op het podium van een vol theater bevond. Hij was een goochelaar die goochelde met deurknoppen. Hij liet ze bloeden, bloeien, spreken. Toen zijn act voorbij was probeerde hij zijn publiek voor te gaan in gebed. Maar hoe hij ook probeerde, zijn gebed was er een dat Shrike hem had geleerd en zijn stem was die van een treinconducteur die de stations omroept.

‘O Heer, wij zijn niet zij die zich wassen in wijn, water, urine, azijn, vuur, aardolie, pimentolie, melk, brandy of boorzuur. O Heer, wij zijn zij die zich uitsluitend wassen in het Bloed van het Lam Gods.’

De droom verplaatste zich naar een andere plek. Hij bevond zich nu in zijn oude studentenflat. Bij hem waren Steve Garvey en Jud Hume. Ze hadden van middernacht tot het ochtendgloren zitten discussiëren over het bestaan van God en toen de whisky op was hadden ze besloten op de markt wat appelbrandewijn te gaan halen.

Ze volgden de straten van de slapende stad naar het open veld dat erbuiten lag. Het was lente. De zon en de geur van pas ontsproten groente versterkte hun dronkenschap en ze waggelden rond tussen de afgeladen handkarren. De boeren reageerden vriendelijk op hun gedol. Jongens van de universiteit die aan de rol waren.

Ze vonden de bootlegger en kochten een kruik appelbrandewijn, waarna ze naar een veldje liepen waar vee werd verhandeld. Ze stopten om even te dollen met een paar lammeren. Jud stelde voor om er een te kopen en in het bos te roosteren boven een kampvuur. Miss Lonelyhearts stemde in, op voorwaarde dat ze het aan God zouden offeren voordat ze het zouden barbecueën.

Steve werd naar het messenkraampje gestuurd om een slagersmes te kopen, terwijl de andere twee achterbleven om te onderhandelen over de prijs van een lammetje. Na een langdurige, Armeens aandoende woordenwisseling waarbij Juds boerse achtergrond goed van pas kwam werd het jongste exemplaar uitgekozen, een klein mormel met stramme pootjes en een naar verhouding grote kop.

Ze voerden het lam in processie over de markt. Miss Lonelyhearts ging voorop met het mes en de anderen volgden, Steve met de kruik en Jud met het beest. Tijdens de mars zongen ze een obscene versie van ‘Mary had a little lamb’.

Tussen de markt en de heuvel waarop ze hun offer wilden volbrengen lag een weitje. Tijdens het oversteken ervan plukten ze madeliefjes en boterbloemen. Halverwege de heuvel vonden ze een grote steen en bedekten deze met de bloemen. Miss Lonelyhearts werd als priester aangewezen, met Steve en Jud als zijn dienaars. Terwijl zij het lam vasthielden boog Miss Lonelyhearts zich eroverheen en begon te psalmodiëren.

‘Christus, Christus, Jezus Christus. Christus, Christus, Jezus Christus.’

Toen ze zichzelf voldoende hadden opgezweept, stootte hij met kracht op het lam in. Het mes belandde niet op de juiste plaats en veroorzaakte een vleeswond. Hij hief het mes nogmaals op en deze keer leidde het heftige tegenstribbelen van het lam ertoe dat hij het helemaal miste. Het mes brak op het altaar. Steve en Jud trokken de kop van het beest naar achteren om Miss Lonelyhearts in de gelegenheid te stellen het de keel door te snijden, maar er was nog maar een klein stukje van het blad aan het heft overgebleven en het lukte hem niet door de dichte wol heen te dringen.

Hun handen zaten onder het glibberige bloed en het lam ontsnapte. Het vluchtte in het struikgewas.

De felle zon omlijstte het altaar met scherpe schaduwlijnen en het toneel leek zich klaar te maken voor nog meer geweld. Ze namen de benen. Ze renden de heuvel af tot ze het weitje bereikten, waar ze uitgeput in het hoge gras neervielen.

Nadat er wat tijd was verstreken smeekte Miss Lonelyhearts de anderen om terug te gaan en het lam uit zijn lijden te verlossen. Ze weigerden. Hij ging alleen en vond het onder een struik. Hij sloeg het met een steen de hersens in en liet het karkas achter voor de vliegen die rond het bloederige altaar zwermden.

 


Miss Lonelyhearts en de dikke duim

Miss Lonelyhearts begon een welhaast waanzinnige gevoeligheid voor orde te ontwikkelen. Alles moest volgens een bepaald patroon gebeuren: de schoenen onder het bed, de stropdassen tussen de klem, de pennen op tafel. Als hij uit het raam keek componeerde hij de skyline door de gebouwen een denkbeeldige balans toe te kennen. Als er een vogel door zijn constructie heen vloog, kneep hij zijn ogen boos dicht tot hij verdwenen was.

Een tijdlang leek hij redelijk in evenwicht maar op een dag stelde hij vast dat hij met zijn rug tegen de muur stond. Op die dag kwamen alle levenloze objecten waar hij controle over had proberen uit te oefenen tegen hem in opstand. Als hij iets aanraakte viel het om of rolde het weg. De boordenknoopjes verdwenen onder het bed, de punt van zijn potlood brak af, het rolgordijn weigerde van onder vast te blijven zitten. Hij vocht terug maar met te veel geweld en werd overtuigend verslagen door het springveertje van de wekker.

Hij vluchtte de straat op maar daar was de chaos menigvuldig. Onsamenhangende groepjes mensen haastten zich voort en weigerden hierbij de vorm van sterren of vierkanten aan te nemen. De lantarenpalen waren onregelmatig geplaatst en de verkeersborden hadden verschillende formaten. Ook kon hij niet overweg met het scherpe, rinkelende geluid van trams en met de ruwe kreten van straatventers. Geen enkele herhaald uitgesproken woordenreeks paste bij hun ritme en geen toonladder kon er betekenis aan verlenen.

Hij stond stil tegen een muur geleund en probeerde niets te zien of te horen. Toen dacht hij aan Betty. Ze had hem vaak het gevoel gegeven dat ze, als ze zijn stropdas rechttrok, nog veel meer rechttrok. En hij had weleens gedacht dat als haar wereld groter was, als die de wereld zou zijn, ze er evenveel orde in zou kunnen aanbrengen als in de objecten op haar kaptafel.

Hij gaf de taxichauffeur Betty’s adres op en vroeg hem snel te zijn. Maar ze woonde aan de andere kant van de stad en tegen de tijd dat ze daar aankwamen was zijn paniek omgeslagen in irritatie.

Ze deed de deur van haar appartement open, gekleed in een helderwit, linnen peignoir dat aan de randen gelig bruin was verkleurd. Ze stak haar beide handen naar hem uit en haar armen zagen er rond en glad uit als hout dat is afgesleten door de zee.

Nu zijn bewustzijn weer was teruggekeerd besefte hij dat alleen geweld zijn geest weer soepel zou kunnen maken. Maar hij richtte zijn verwijten op Betty. Haar wereld was niet de echte wereld en zou nooit de lezers van zijn rubriek kunnen omvatten. Haar zekerheid was gegrondvest op het vermogen om ervaringen bewust onder controle te houden. Daar kwam nog bij dat zijn verwarring betekenisvol was en haar orde niet.

Hij probeerde haar begroeting te beantwoorden maar ontdekte dat zijn tong een dikke duim was geworden. Om niet te hoeven praten probeerde hij haar op onhandige wijze een kus te geven, waarna hij zich trachtte te verontschuldigen voor zijn gedrag.

‘Te veel de-terugkeer-van-de-geliefde-gedoe, ik weet het, en ik …’ Hij stamelde met opzet, zodat ze zijn verwarring voor oprecht gevoel zou aanzien. Maar de truc werkte niet en ze wachtte de rest van zijn verhaal af:

‘Ga wat met me eten, alsjeblieft.’

‘Ik vrees dat ik verhinderd ben.’

Haar glimlach ging over in een lach.

Ze lachte hem uit. In het defensief gedrongen onderzocht hij haar lach op ‘bitterheid’, ‘zure-druiven’, ‘een-gebroken-hart’, ‘kan-mij-het-schelen’. Maar tot zijn verwarring zag hij geen aanleiding om terug te lachen. Haar glimlach had zich op natuurlijke wijze verwijd – niet als een paraplu – en terwijl hij toekeek klapte de lach in en werd weer een glimlach, een glimlach die noch ‘wrang’, noch ‘ironisch’, noch ‘mysterieus’ was.

Terwijl ze de woonkamer inliepen verdiepte zijn irritatie zich. Ze ging zitten op een divan met haar blote benen onder zich en haar rug recht. Achter haar bloeide een zilveren boom in het citroenkleurige behang. Hij bleef staan.

‘Betty de boeddha,’ zei hij. ‘Betty de boeddha. Het zelfingenomen lachje heb je al; nu alleen nog de dikke buik.’

Zijn stem was zo vol haat dat hij het hem zelf verbaasde. Hij stond een tijdje zijn gewicht van de ene naar de andere voet te verplaatsen, waarna hij uiteindelijk naast haar op het divanbed ging zitten en haar hand in de zijne nam.

Er waren meer dan twee maanden verstreken sinds hij hier met haar op deze zelfde divan had gezeten en haar had gevraagd met hem te trouwen. Ze had toen ja gezegd en ze hadden hun leven na het huwelijk gepland, zijn baan en haar gingangen schort, zijn pantoffels bij de open haard en haar keukentalenten. Sindsdien was hij haar uit de weg gegaan. Hij voelde zich niet schuldig; hij was alleen maar geïrriteerd dat hij zichzelf had wijsgemaakt dat zo’n oplossing mogelijk zou zijn.

Hij was het hand in hand zitten al snel zat en werd alweer onrustig. Hij herinnerde zich dat hij aan het eind van zijn laatste bezoek zijn hand tussen haar kleren had gewrongen. Niet in staat om iets anders te bedenken herhaalde hij dit gebaar. Ze was naakt onder haar peignoir en hij vond haar borsten.

Ze liet niet blijken zich bewust te zijn van zijn hand. Hij had graag een klap gekregen, maar zelfs toen hij een tepel tussen zijn vingers nam bleef ze stil.

‘Laat me deze roos plukken,’ zei hij, terwijl hij er een krachtige ruk aan gaf. ‘Ik wil hem in mijn knoopsgat dragen.’

Betty legde haar hand op zijn voorhoofd. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ze. ‘Ben je ziek?’

Hij begon tegen haar te schreeuwen, wat hij begeleidde met overdreven toepasselijke gebaren, als die van een ouderwetse acteur.

‘Wat een vriendelijk kreng ben je toch. Zo gauw iemand zich vervelend begint te gedragen zeg je dat hij ziek is. Vrouwenmartelaars, verkrachters van kleine kinderen, volgens jou zijn ze allemaal ziek. Geen moraal, slechts medicijnen. Nou, ik ben niet ziek. Ik heb je verdomde aspirine niet nodig. Ik heb een jezuscomplex. De mensheid … ik ben een liefhebber van de mensheid. Al die geknakte ellendelingen ...’ Hij besloot zijn speech met een kort lachje dat klonk als een blaf.

Ze had de divan verruild voor een rode stoel die dik was van het vulsel en waarvan de springveren op het punt leken te staan eruit te barsten. In de schoot van dit lederen monster verdween ieder spoor van de serene boeddha.

Maar zijn woede was nog niet bekoeld. ‘Wat is er aan de hand, liefje?’ vroeg hij, terwijl hij haar dreigend op haar schouder tikte. ‘Vond je de voorstelling niet mooi?’

In plaats van hierop te antwoorden hief ze haar arm op alsof ze een klap afweerde. Ze leek door haar zachtmoedige hulpeloosheid op een poesje dat je handen deed jeuken om het pijn te doen.

‘Wat is er aan de hand?’ vroeg hij telkens weer. ‘Wat is er aan de hand? Wat is er aan de hand?’

Haar gezicht nam de uitdrukking aan van een onervaren gokker die zich voorneemt in een keer alles in te zetten. Hij was al op zoek gegaan naar zijn hoed toen ze eindelijk sprak.

‘Ik hou van je.’

‘Je wat?’

Het bracht haar in verwarring haar woorden te moeten herhalen, maar ze slaagde erin niet dramatisch te klinken.

‘Ik hou van je.’

‘En ik hou van jou,’ zei hij. ‘Van jou en van je verdomde geglimlach door je tranen heen.’

‘Waarom laat je me niet met rust?’ Ze was begonnen te huilen. ‘Ik voelde me prima voordat jij kwam en nu voel ik me belabberd. Ga weg. Ga alsjeblieft weg.’


Noten

  1. Engels voor klauwier, een zangvogel die zich gedraagt als een roofvogel.
  2. Voor altijd en eeuwig.
  3. Beatrice Fairfax begon in 1898 in de New York World de eerste adviesrubriek (‘Dear Beatrice Fairfax’) en kreeg hierin veel navolging, onder andere van Susan Chester in de Brooklyn Daily Times (‘Susan Chester Heart-to-Heart Letters’). Marion Meade, Lonelyhearts: The Screwball World of Nathanael West and Eileen McKenney (Houghton, Mifflin, Harcourt, 2010).
  4. Eerste deel, zesde boek, hoofdstuk III – Uit de gesprekken en vermaningen van de starets Zosima. F.M. Dostojewski, De broers Karamazov (Uitgeverij Van Oorschot, 2005). Vertaling Arthur Langeveld.

 

Over Nathanael West en Miss Lonelyhearts

Nathanael Wests in 1933 gepubliceerde Amerikaanse klassieker Miss Lonelyhearts wordt algemeen als het hoogtepunt van zijn oeuvre beschouwd en telde onder zijn bewonderaars naast tijdgenoten als William Carlos Williams en F. Scott Fitzgerald ook latere pleitbezorgers als W.H. Auden en recentelijk Ian McEwan.

De jonggestorven Amerikaanse schrijver beschreef in verbluffend, zwartgallig, doch humoristisch proza de onttakeling van de sociale en morele orde van zijn vaderland en de bitterheid en woede die de Grote Depressie in het Amerika van de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw veroorzaakte.

 

Zwendelaar, opportunist, genie: het leven van Nathanael West

Nathanael West wordt in 1903 onder de naam Nathan Weinstein geboren in New York City, als eerste en enige kind van Nathan Weinstein en Anna Wallenstein Weinstein, Litouwse joden die in de jaren negentig van de 19e eeuw naar Amerika waren geëmigreerd. Zowel op de lagere en de middelbare school als later op de universiteit zijn Nathans studieresultaten nooit beter dan matig te noemen, maar wel is hij al op jonge leeftijd een fanatieke veellezer en hij leert dan ook al jong het werk van veel klassieke en toentertijd moderne schrijvers kennen.

Op Camp Paradox, een zomerkamp voor joden in het Adirondackgebergte, verricht hij voor het kampblaadje zijn eerste journalistieke werk, over het leven op het kamp. Hij maakt de middelbare school niet af maar weet desalniettemin tot Tufts University te worden toegelaten door gefingeerde schoolresultaten te overleggen aan de toelatingscommissie. Het zal niet zijn laatste zwendeltje blijken.

In zijn eerste jaar op Tufts boekt hij weer de gebruikelijke slechte resultaten en ziet hij zich gedwongen om nog voor het einde van het semester de universiteit te verlaten. Wederom voor geen gat te vangen doet hij zich vervolgens onbekommerd voor als een andere Nathan Weinstein, een medestudent wiens resultaten wel goed genoeg zijn om als tweedejaars te worden toegelaten tot een andere universiteit, Brown.

Op Brown vestigt Nathan een reputatie als dandy en raakt hij bevriend met de humoristische schrijver S.J. Perelman. Als West wordt uitgesloten van de studentensociëteiten vanwege zijn joods-zijn richt hij zijn eigen sociëteit op voor leden van de intellectuele elite die de wens hebben om hun ‘ivoren toren te verlaten om de weemakende zoetigheden van het gemeen te proeven en te verwerpen’. Op de traditionele Class Day provoceert Nathan de leden van de universiteit met een toespraak over het leven van St. Puce, een vlo die in de oksel van Jezus Christus ter wereld komt.

 

In 1924 lukt het West zowaar om af te studeren, waarna hij voor zijn vaders bouwfirma gaat werken. Hij schrijft nu onder andere poëzie en maakt tekeningen voor literaire tijdschriften. Tijdens een lang verblijf in Parijs komt hij in contact met mensen als Henry Miller en Max Ernst en verandert hij zijn naam in Nathanael West.

In 1927 wordt hij nachtportier in een New Yorks hotel, waar hij ’s nachts werkt aan zijn eerste novelle. (Ondertussen probeert hij ook een snoepje dat hij heeft uitgevonden en dat de eigenaardige naam ‘Cactus Candy’ draagt op de markt te brengen, maar dit Pythoneske plan komt niet van de grond.) In het hotel laat hij Dashiell Hammett gratis verblijven, die er The Maltese Falcon voltooit. Het is de tijd van de drooglegging en de speakeasy’s.

Via Perelman komt West in contact met mensen van The New Yorker, onder wie Dorothy Parker. Dezelfde Perelman stelt hem ook voor aan de schrijfster van een adviesrubriek voor de Brooklyn Eagle, die  hen de lezersbrieven die ze ontvangt laat lezen. Dit brengt West op het idee voor Miss Lonelyhearts.

Hij schrijft nu ook artikelen voor communistische periodieken en korte verhalen, die hij echter niet weet te slijten aan tijdschriften. In een volgend hotel wordt hij als manager aangesteld, van welke functie hij gebruikmaakt om er zijn vele literaire vrienden gratis onderdak te geven.

Op voorspraak van William Carlos Williams wordt in 1931 zijn eerste novelle, het sterk door de Franse surrealisten geïnspireerde, nihilistische The Dream Life of Balso Snell gepubliceerd, in een zeer kleine oplage. West beschrijft het boek als een ‘protest tegen het schrijven van boeken’, de critici beschrijven het op hun beurt als smerig, weerzinwekkend, obscuur, hysterisch en ‘een zelfbevlekkende lange neus naar de Kunst’.

West wordt mede-redacteur van Williams’ literaire tijdschrift Contact, waarin hij hoofdstukken van Miss Lonelyhearts publiceert en in 1933, tijdens het hoogtepunt van de Grote Depressie, verschijnt het boek als zelfstandige uitgave.

 

Miss Lonelyhearts: een expressionistisch stripverhaal

In Miss Lonelyhearts wordt de worsteling beschreven die de redacteur van een brievenrubriek levert om moreel overeind te blijven in het desolate menselijke en economische landschap van de Grote Depressie.

De novelle rekent op sardonische wijze af met alle heilige huisjes van de Amerikaanse droom, waarbij met name de religie het moet ontgelden maar ook de politiek, de romantische en lichamelijke liefde, de filosofie noch de drank verlossing blijken te kunnen bieden. Het christuscomplex waar Miss Lonelyhearts volgens eigen zeggen aan lijdt, leidt niet tot verlossing en zelfs niet tot een uitgesproken catharsis, maar – in weerwil van Miss Lonelyhearts’ wanhopige pogingen iets te voelen door middel van drank, geweld en seks – slechts tot desillusie.

Miss Lonelyhearts grijpt je niet alleen aan door de op ware gebeurtenissen gebaseerde lijdensverhalen die Miss Lonelyhearts van zijn lezers toegezonden krijgt – en die zijn verlangen naar religieuze verlossing ook voor niet-gelovigen invoelbaar maken – maar ook door de sterk door ideeën gemotiveerde en toch realistisch aanvoelende mise-en-scène. De vertelstijl doet in zijn gebruik van symboliek en realisme soms aan Kafka denken: het gezicht van Shrike dat zich ‘als het blad van een hakbijl’ in de nek van juffrouw Farkis plant, de terloops aangeduide vallei der schaduwen waar Miss Lonelyhearts doorheen loopt als hij het parkje binnengaat, de krant die door de lucht wappert ‘als een vlieger met een gebroken ruggengraat’: krachtige poëtische beelden die het proza zijn expressionistische en kafkaëske karakter geven.

Het grafische karakter van de vertelling heeft veel te maken met het feit dat West van mening was dat psychologie en werkelijkheid twee zeer verschillende entiteiten waren en psychologische elementen ook nooit als motivatie voor literaire personages gebruikt mochten worden. Hij zette de novelle daarom op als een stripverhaal waarin de verschillende hoofdstukken een soort plaatjesreeksen vormen waarin alle gebeurtenissen zich, net als in een strip, op het platte vlak afspelen. Hieraan is ook de vrijheid te danken waarmee Wests ‘camera’ als het ware heen en weer, op en neer, en voor- en achterwaarts beweegt.

 

Gemankeerd idealisme: politiek in de hoerenkast

Het boek wordt slecht ontvangen. Zelfs de linkse pers (aan wiens kant West meent te staan) houdt niet van zijn werk en vindt dat er fascistische aspecten aan zitten. Ook de literati verafschuwen hem. Hij zal daarom van de ene uitgever naar de andere moeten gaan, ‘omdat er niets toe te juichen valt in mijn boeken, en wat erger is, er geen toejuichers zijn. Mijn boeken vervullen geen behoefte, alleen de mijne.’

 

West zag de idealen van de Amerikaanse droom materieel en spiritueel gecorrumpeerd raken maar vond in zijn werk geen plaats voor een positieve benadering van het politieke idealisme waaraan hij in zijn persoonlijke bestaan wel degelijk uitdrukking gaf. Hij beweerde met zijn proza echter geen boodschap te verkondigen voor de wereld waarin hij leefde – ‘behalve misschien: beware’ – en zag zichzelf bovenal als een humoristische schrijver. In een brief aan collega-schrijver Malcolm Cowley schreef hij: ‘Ik heb geprobeerd een bijeenkomst van de Anti-Nazi League te beschrijven maar het klopte niet, dus heb ik er een hoerenkast en een vieze film voor in de plaats gezet.’

 

Na publicatie van Miss Lonelyhearts

De uitgever van Miss Lonelyhearts gaat failliet tijdens het proces van publicatie en de drukker weigert de resterende 1400 exemplaren vrij te geven, wat de verkoop van het boek ook al niet ten goede komt. Later wordt het door een andere uitgever opnieuw op de markt gebracht, maar met de verkoop van zijn belangrijkste werk komt het tijdens Wests leven niet meer goed.

Darryl F. Zanuck koopt desalniettemin de filmrechten en wordt hier vanwege de vermeende vulgariteit van het boek zwaar op aangevallen: een filmtijdschrift organiseert zelfs een brievencampagne om verfilming te voorkomen. De film komt toch uit, onder de titel Advice to the Lovelorn, maar het uiteindelijke product heeft hoegenaamd niets meer met het scandaleuze boek te maken.

 

Eindpunt Hollywood

West bezwijkt voor de macht van het geld en gaat, zoals zoveel Amerikaanse schrijvers in die tijd, als scenarioschrijver werken in Hollywood, een bezigheid die hem zwaar valt. Geen van de scripts die hij voor Samuel Goldwyn en Columbia Pictures schrijft, zal worden geproduceerd.

In 1934 publiceert hij een nieuwe novelle, A Cool Million, een cynische satire op het soort optimistische rags-to-riches-verhalen waar Amerikaanse schrijvers als Horatio Alger destijds in gespecialiseerd waren. Ook deze novelle wordt echter slecht besproken en bereikt weinig lezers.

Om te ontkomen aan een affaire keert hij voor enige tijd terug naar New York, waar hij van zich doet spreken als politiek activist. Terug in Hollywood verblijft hij enige tijd in een appartementencomplex waar verder vooral figuranten, stuntmannen en dwergen wonen, en hier vindt hij de inspiratie voor The Day of the Locust (en wordt hij voor de tweede keer besmet met gonorroe, waardoor hij nauwelijks nog kan lopen). Als hij eindelijk is hersteld gaat hij tegen een vast salaris voor Republic Productions werken.

Bij Republic werkt hij samen met andere schrijvers aan titels als It Could Happen to You, Ladies in Distress en Ticket to Paradise. Daarnaast werkt hij voor R.K.O. Pictures aan een scenario dat radicaal herschreven onder de naam Suspicion door Alfred Hitchcock verfilmd zou worden, met Joan Fontaine in een van de hoofdrollen. Tevens werkt hij mee aan het succesvolle Five Came Back en schrijft hij voor Columbia in zijn eentje I Stole a Million.

In Europa wordt ondertussen druk gemarcheerd en West wordt lid van de Anti-Nazi League, maar probeert afstand te behouden ten opzichte van zijn communistische vrienden. Nadat een eerder toneelstuk over de Eerste Wereldoorlog met de curieuze naam Gentleman, the War! de theaters nooit haalde, lukt dit met een ander stuk, Good Hunting, wel. Het wordt echter al na twee uitvoeringen van de planken gehaald.

In 1939 verschijnt The Day of the Locust, dat de lotgevallen beschrijft van een groep min of meer groteske karakters die het proberen te maken in Hollywood. In 1940 trouwt hij met Eileen McKenney, wiens zuster Ruth hun beider belevenissen beschrijft in een column in The New Yorker en in een toneelstuk.

Zoals al in zijn schooltijd is gebleken, heeft West geen enkel bezwaar tegen wat profijtelijke zwendel als het zo uitkomt, dus gebruikt hij de titel A Cool Million voor een scenario dat met de gelijknamige novelle niets te maken heeft, in de hoop dat de studio meer neer zal willen tellen voor een script dat zogenaamd is gebaseerd op een reeds gepubliceerd boek dat de studiobazen – naar hij terecht verwacht – toch niet zullen lezen. Hij weet hiervoor inderdaad $ 10.000 los te peuteren maar het project zal nooit worden gerealiseerd, net zomin als Bird in Hand, waarvoor R.K.O. hem en zijn coscenarist wel $ 25.000 voorschiet.

 

Het is niet duidelijk of het kwam door het feit dat West overstuur was door het overlijden van zijn goede vriend F. Scott Fitzgerald of dat het simpelweg te wijten was aan Wests dramatisch slechte rijstijl, maar op 21 december 1940 negeert hij onderweg naar de begrafenis van Fitzgerald een rood licht en rijdt hij met hoge snelheid tegen een andere auto op. Zijn vrouw Eileen, die naast hem zat, overlijdt al in de ambulance onderweg naar het ziekenhuis waar diezelfde middag ook West zelf op 37-jarige leeftijd zal sterven.

 

In 1957 wordt zijn verzameld werk herdrukt en in 2001 wordt het opgenomen in The Library of America.